Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-04-29
ECLI:NL:OGEAM:2025:69
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,463 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202301115
Vonnis d.d. 29 april 2025
inzake
[eiser],
wonende in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,
tegen
de stichting
Maccow Foundation,
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon,
Partijen zullen hierna ‘[eiser]’ en ‘Maccow’ worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties;
de conclusie van antwoord, met producties;
de conclusie van repliek, met producties;
de conclusie van dupliek;
het comparitievonnis;
de brief van [eiser] van 4 december 2024, met een productie;
de akte na comparitie van [eiser], met producties;
de akte na comparitie van Maccow, met producties;
de akte uitlating producties van [eiser].
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 5 december 2024 plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.3.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
In 1975 is een stuk grond verkocht aan Maccow (nummer). [eiser] stelt dat hij eigenaar is van die grond, omdat die onderdeel is van een groter stuk grond dat hij van zijn opa heeft geërfd (perceelnummer). Hij vraagt het Gerecht voor recht te verklaren dat hij eigenaar is van het grote perceel, waaronder het perceel van Maccow valt. Op het perceel van Maccow zijn gebouwen gebouwd. [eiser] stelt dat hij daar eigenaar van is geworden, door natrekking. Hij eist daarom dat Maccow wordt veroordeeld om verhuur- of verkoopopbrengsten van die gebouwen aan hem te betalen.
2.2.
Maccow is het niet eens met de eis van [eiser]. Zij stelt dat ze rechtmatig eigenaar is van de betreffende grond.
2.3.
Het Gerecht wijst de eisen van [eiser] af. In dit vonnis legt het uit waarom.
[eiser] is ontvankelijk
2.4.
Volgens Maccow moet [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zijn stukken te onduidelijk zijn. Het Gerecht passeert dit verweer. Het Gerecht is het met Maccow eens dat de onderbouwing niet uitblinkt in helderheid. In de loop van de procedure is die echter wel duidelijker geworden. Het Gerecht ziet daarom geen reden om [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren.
Om welke grond gaat het?
2.5.
In 1975 heeft [naam X] (hierna: [X]) drie stukken grond verkocht aan Maccow:
the whole of the land known as “[perceelnaam]”
a part of the Land known as “[perceelnaam]” or “[perceelnaam]”
the western portion of the land known as “[perceelnaam]”.
Dit is vastgelegd in de notariële akte met nummer [ ..].
2.6.
De eerste twee percelen waren door de erfgenamen van [naam Y] aan [X] verkocht in 1931, zoals vastgelegd in de notariële akte (nummer). [eiser] heeft onbetwist gesteld dat die percelen destijds lagen in een stuk land met de naam ‘(perceelnummer). Hij heeft als onderbouwing voor die stelling verwezen naar een foto, die hij aanduidt als een kadaster extract van akte (nummer). Op die foto staat dat de verkoop die is vastgelegd in akte (nummer)heeft plaatsgevonden “(perceelnaam).”
2.7.
Het Gerecht begrijpt de stellingen van [eiser] zo dat deze overdracht van [naam Y] aan [X] in 1931 niet rechtsgeldig is geweest, omdat [naam Y] volgens [eiser] geen eigenaar was van die grond. [eiser] stelt dat namelijk zijn opa sinds 1912 of 1913 al eigenaar was van het land ‘(perceelnaam), waarin perceel 1 en 2 dus liggen. Het Gerecht oordeelt dat [eiser] dat onvoldoende heeft onderbouwd.
Uit niets blijkt dat ‘(perceelnaam) hetzelfde is als ‘(perceelnaam)
2.8. [
eiser] baseert zijn stelling op een Scabinal Deed (een voorloper van de notariële akte) uit 1927 met nummer (perceelnummer). Daarin staat dat in 1912/1913 aan zijn opa [naam Z] is verkocht “(perceelbeschrijving).” Het Gerecht begrijpt dat dit stuk land volgens [eiser] het land ‘(perceelnaam)betreft, waarvan [naam Y] dus in 1931 een deel aan [X] heeft verkocht (perceelnummer), dat [X] later heeft doorverkocht aan Maccow (perceelnummer). Dit blijkt echter nergens uit.
2.9. [
eiser] heeft niet onderbouwd waaruit blijkt dat het land met de naam “(perceelnaam)” hetzelfde is als het land “(perceelnaam)” of “(perceelnaam)”. Het Gerecht ziet weliswaar een vergelijkbare naam, maar dat is onvoldoende. Er zijn verder geen aanknopingspunten om te zeggen dat dit hetzelfde land is.
De perceelgrenzen van “(perceelnaam)” en “(perceelnaam)” zijn anders
2.10.
Het land “(perceelnaam)” is volgens “(perceelnummer)” als volgt begrensd: “by the East, South and North by a property belonging to [naam 1], and by the West by a private road of [naam 2].” Het perceel “(perceelnummer)” is volgens “(perceelnummer)” anders begrensd, namelijk “(perceelbeschrijving)”. Er is geen overlap zichtbaar tussen de perceelgrenzen van “(perceelnaam)” en “(perceelnaam)”.
Geografisch gezien is onvoldoende onderbouwd dat dit dezelfde grond is
2.11.
Ook geografisch gezien heeft [eiser] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Uit de kadastrale kaart die [eiser] heeft overgelegd volgt welk land er onder andere onder “(perceelnaam)” valt. Het betreft een perceel tussen “(beschrijving)”. Maccow heeft betwist dat dit valt onder het gebied ‘’(beschrijving)”. [eiser] heeft dat vervolgens niet verder onderbouwd. Hij heeft uiteenlopende en onduidelijke stellingen ingenomen ten aanzien van de vraag van welke grond hij nu precies eigenaar is. Hij schrijft dat dit perceel “(beschrijving)”. Daarnaast heeft hij in het verzoekschrift 42 meetbrieven opgesomd, die in dat perceel zouden liggen. Verder in het verzoekschrift schrijft hij: “(perceelbeschrijving)”. In de repliek staat vervolgens weer dat het gaat om onder andere “(beschrijving)”. Waar hij dit op baseert volgt nergens uit. Ook geografisch gezien heeft [eiser] daarom onvoldoende onderbouwd dat perceel “(perceelnummer)” in “(perceelnummer)” ligt.
[eiser] heeft niet uitgelegd hoe zijn stellingen zich verhouden met de geërfde grond
2.12.
Hierbij komt nog het volgende. Volgens de stellingen van [eiser] bezat zijn opa dus buitengewoon veel grond. Zijn moeder (die de enige erfgenaam was) heeft in haar testament voor [eiser] (die ook de enige erfgenaam is) echter alleen maar het volgende opgenomen “(perceelbeschrijving)”. De moeder van [eiser] lijkt dus maar te spreken over een enkel perceel, met een huis daarop. [eiser] heeft dit grote contrast met de omvang van het beweerde eigendom niet uitgelegd.
Conclusie
2.13.
Het Gerecht concludeert dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij eigenaar is van het perceel (perceelnummer). Alleen al om die reden wordt de gevraagde verklaring voor recht afgewezen.
2.14.
Voor zover [eiser] bedoeld heeft om een algemene verklaring voor recht te vragen dat perceel (perceelnummer) zijn eigendom is, wordt die eis ook afgewezen. Als zijn stellingen worden gevolgd betreft perceel (perceelnummer) een enorm stuk land, waarvan een groot deel in bezit is van derden die geen onderdeel zijn van deze procedure. Het toewijzen van de algemene verklaring voor recht zou verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor hen. [eiser] zal (als hij dat wil) ten aanzien van de bezitters van die grond een procedure moeten starten.
Maccow hoeft geen schadevergoeding te betalen
2.15. [
eiser] eist dat Maccow wordt veroordeeld om een schadevergoeding aan hem te betalen. Die eis is gebaseerd op zijn stelling dat hij eigenaar is van “[perceelnummer]”. Aangezien dat niet vaststaat, wordt deze eis ook afgewezen.
[eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten
2.16. [
eiser] krijgt ongelijk en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld (artikel 60 Rv). Deze kosten worden aan de kant van Maccow tot op vandaag begroot op NAf 4.375,- (3,5 punten x NAf 1.250,-). De door Maccow geëiste nakosten worden toegewezen en begroot op NAf 250,-. Dat bedrag wordt verhoogd met NAf 150,- als [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving de proceskosten heeft betaald. De gevraagde rente over de proceskosten wordt ook vanaf dat moment toegewezen.
Dictum
Het Gerecht:
3.1.
wijst de eisen van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van Maccow tot op vandaag worden vastgesteld op NAf 4.375,- en begroot op NAf 250,- aan nakosten, te vermeerderen met NAf 150,- en de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als [eiser] de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.