Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-07-17
ECLI:NL:OGEAM:2025:52
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,489 tokens
Dictum
op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van:
[verzoeker],
thans verblijvende in vreemdelingendetentie te Sint Maarten,
verzoeker,
gemachtigde: mr. R.M. STOMP,
tegen
DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
zetelend te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. C.M. MARICA.
1Inleiding
1.1.
In deze zaak beoordeelt het Gerecht het verzoek van verzoeker om de beschikkingen van de Minister inhoudende zijn inbewaringstelling en verwijdering uit Sint Maarten te schorsen.
1.2.
Na indiening van het verzoekschrift met producties op 9 juli 2025, heeft verzoeker bij e-mail bericht van 14 juli 2025 aanvullende producties ingediend. De Minister heeft op 14 juli 2025 een verweerschrift met producties ingediend. Bij e-mail bericht van 15 juli 2025 heeft de gemachtigde van verzoeker zijn pleitnota ingediend.
1.3.
Het Gerecht heeft het verzoek op 15 juli 2025 op de zitting behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen. De gemachtigde van verzoeker is wegens uitlandigheid niet verschenen. Verweerder is bij de gemachtigde voornoemd verschenen. Tevens was ter zitting aanwezig een tolk Creools-Frans, mevrouw A. De Polo. Zij heeft alles wat op de zitting is besproken, voor de verzoeker vertaald, omdat hij de Nederlandse en Engelse taal niet machtig is.
Beoordeling
2.1.
Het Gerecht zal in deze zaak alleen op het verzoek om een voorlopige voorziening beslissen en niet op het ingestelde beroep, omdat daarvoor geen toestemming van alle partijen is verkregen en geen sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond beroep.
2.2.
Naar voorlopig oordeel van het Gerecht zijn de maatregel van bewaring en de verwijderingsbeschikking rechtmatig en niet in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
2.3.
Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit.
Wat is in deze zaak relevant om te weten?
2.4.
Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1993 te Haïti en hij heeft de Haïtiaanse nationaliteit. Verzoeker is op 8 augustus 2023 Sint Maarten binnen gekomen op een visum met een geldigheidsduur tot 8 september 2023. Verzoeker is niet vertrokken en verblijft sindsdien onrechtmatig in Sint Maarten. Verzoeker heeft geen verzoek om een verblijfsvergunning ingediend, op welke grond dan ook.
2.5.
Op 8 juli 2025 is verzoeker omstreeks 8:00 uur op de A.J.C. Brouwers Road in de buurt van Carrefour Supermarket staande gehouden tijdens een routine controle van immigratieambtenaren in de Bush Road area. Nadat verzoeker geen verblijfspapieren kon tonen is hij naar de Mobile Control Unit gebracht. Verzoeker is om 9:00 uur gehoord door de Immigratiedienst. Na dit verhoor is verzoeker in vreemdelingenbewaring geplaatst en heeft verweerder de ministeriele verwijderingsbeschikking genomen en de maatregel van bewaring opgelegd.
2.6.
De beschikking vreemdelingenbewaring en de verwijderingsbeschikking zijn op die dag aan hem uitgereikt. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld. Op dat beroep is nog niet beslist.
Is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk?
2.7.
De maatregel van bewaring en de verwijderingsbeschikking zijn op 8 juli 2025 aan verzoeker opgelegd. Daartegen is binnen zes weken, namelijk op 9 juli 2025, beroep ingesteld. Gelijktijdig is het verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is ontvankelijk.
Wat heeft de Minister aan de maatregel van bewaring en aan de verwijderingsbeschikking ten grondslag gelegd?
2.8.
In het bevelschrift, houdende de maatregel van bewaring, staat vermeld dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, dat verzoeker geen geldige verblijfstitel heeft, dat hij arbeid verricht zonder tewerkstellingsvergunning en dat hij zich niet heeft gehouden aan de vertrektermijn.
In de verwijderingsbeschikking staat vermeld dat betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, dat er een redelijk vermoeden bestaat dat verzoeker zal proberen onder te duiken en dat in alle objectieve redelijkheid gegrond kan worden gevreesd dat betrokkene zich aan zijn verwijdering zal onttrekken, terwijl de voor terugkeer noodzakelijke bescheiden (op korte termijn) voorhanden zijn.
Wat zijn de verschillende standpunten?
2.9.
Verzoeker heeft het Gerecht verzocht over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening, aldus dat de verwijderingsbeschikking wordt geschorst en dat verzoeker onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld. Aan dit verzoek legt verzoeker, kort samengevat, ten grondslag dat de staandehouding gebaseerd was op etnische profilering en daarmee onrechtmatig is. Verzoeker is zonder aanleiding staande gehouden, terwijl hij op de openbare weg in Cayhill liep.
Verzoeker is geen gevaar voor de openbare orde en er zijn geen aanwijzingen dat verzoeker zich aan verwijdering zal onttrekken. Verzoeker stelt traceerbaar te zijn en dat een meldplicht meer in de rede ligt. Bovendien stelt een lokale kerk, Church on the Solid Rock Foundation, zich garant voor verzoeker. De bewaring is daarom disproportioneel en de belangenafweging is gebrekkig.
Verzoeker heeft verder naar voren gebracht dat hij voor zijn zieke vader zorgt, die legaal in Sint Maarten verblijft. Verzoeker doet een beroep op bescherming van zijn gezins- en familieleven onder artikel 8 EVRM. Tot slot voert verzoeker aan dat de algehele situatie in Haïti inmiddels zodanig onveilig is, dat hij ook op die grond verblijf in op Sint Maarten zou moeten krijgen.
2.10.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de verzoeken.
Wat vindt het Gerecht?
2.11.
Volgens artikel 85 van de Lar kan, op verzoek van de indiener van een beroep- of bezwaarschrift, het Gerecht de beschikking geheel of gedeeltelijk schorsen of ter zake een voorlopige voorziening treffen, als de uitvoering van de beschikking voor de belanghebbende onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen belang. Er is bovendien aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, indien het bezwaar of beroep een redelijke kans van slagen heeft.
2.12.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a en b van Ltu kan de Minister van Justitie uit Sint Maarten verwijderen personen die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnengekomen of personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige oorzaak is vervallen.
2.13.
Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Ltu kan de betrokkene, indien hij naar het oordeel van de minister gevaar oplevert voor de openbare orde, de publieke rust of veiligheid of de goede zeden, dan wel indien naar zijn oordeel gegronde vrees bestaat dat betrokkene zal trachten zich aan zijn verwijdering te onttrekken, op bevel van de minister ter verzekering van zijn verwijdering in bewaring worden gesteld.
2.14.
In het beleid dat verweerder ter zake heeft uitgewerkt in de Richtlijnen van verweerder met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012 (hierna: de Richtlijnen) is opgenomen dat de maatregel van bewaring wordt toegepast als deze onvermijdbaar is.
2.15.
Allereerst ligt de vraag voor of de staandehouding rechtmatig was. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. Uit de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal blijkt dat verzoeker is aangehouden naar aanleiding van een routine controle van personen die zich bevonden nabij de bushalte aan de Bush Road, bij Carrefour Supermarket en Cost U Less Supermarket. Er zijn in totaal zeven aldaar aanwezige personen gecontroleerd op hun verblijfstatus en identiteit. Verzoeker en een andere gecontroleerde persoon zijn staande gehouden en de overige gecontroleerde personen konden hun weg vervolgen. Uit de nadere controle bleek vervolgens dat verzoeker geen verblijfsvergunning had om legaal op het eiland te verblijven, waarop hij is aangehouden ter zake van het overtreden van de Ltu. De andere gecontroleerde persoon is ook aangehouden en uiteindelijk verwijderd naar Suriname. De geschetste gang van zaken, die door verzoeker niet is weersproken, duidt niet op etnische profilering of ‘singling out’ van Phebe. Het betoog wordt verworpen.
2.16.
Vervolgens ligt de vraag voor of de opgelegde maatregel van bewaring passend en geboden is. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Vast staat dat verzoeker op het moment van zijn aanhouding niet in het bezit was van een geldig verblijfsdocument voor Sint Maarten.
Dictum
Het Gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Drenth, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 17 juli 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.