Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-04-01
ECLI:NL:OGEAM:2025:39
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,568 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202400334
Beschikking van 1 april 2025
op het verzoek van
[naam curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van wijlen [naam],
gevestigd in Sint Maarten,
verzoeker, hierna: [curator],
die zelf procedeert,
tegen
de openbare rechtspersoon
het Land Sint Maarten,
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster, hierna: het Land,
gemachtigde: mr. R.F. Gibson, jr.
Procesverloop
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
het verzoekschrift van 29 februari 2024, met producties;
de brief van het Land van 19 juni 2024, met producties;
de pleitnotities van [curator];
het verweerschrift van het Land;
de akte van [curator], met een productie;
de antwoordakte van het Land;
de akte na descente van het Land, met een productie;
de antwoordakte van [curator].
1.2.
Het verzoek is mondeling behandeld op 24 juni 2024 en op 10 december 2024 heeft een descente plaatsgevonden.
1.3.
De uitspraak is nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
Waar gaat de zaak om?
2.1.
Het Land is eigenaar van een perceel in Point Blanche (meetbrief 243/1983). Zij heeft dat perceel in 1984 in erfpacht uitgegeven aan [naam]. [naam] is failliet verklaard. [curator] is de curator in dat faillissement. Hij wil het erfpachtrecht verkopen, zodat met de opbrengst schuldeisers van [naam] kunnen worden betaald. In de erfpachtakte staat dat daarvoor toestemming van het Land nodig is. [curator] heeft het Land die toestemming gevraagd, maar die niet gekregen. Hij vraagt primair dat het Gerecht voor recht verklaart dat hij geen toestemming van het Land nodig heeft. Als het Gerecht oordeelt dat die toestemming wel nodig is, vraagt hij het Gerecht om vervangende toestemming.
2.2.
Het Land is het niet eens met de eis van [curator]. Het vindt dat het legitieme redenen heeft om zijn toestemming te weigeren. Het wijst er daarbij op dat [naam] zijn bouwverplichting heeft geschonden en dat bouw op het perceel inmiddels niet meer mogelijk is, gezien het geldende strandbeleid en veiligheidsrisico’s.
2.3.
Het Gerecht oordeelt dat [curator] geen toestemming van het Land nodig heeft. In deze beschikking legt het dat uit.
Het erfpachtrecht is niet vervallen
2.4.
Het Land heeft erop gewezen dat [naam] niet binnen zes maanden na uitgifte van de grond is gestart met bouwwerkzaamheden. [curator] interpreteert dat verweer zo dat volgens het Land het erfpachtrecht om die reden is vervallen. Het Gerecht leest die stelling niet direct terug in het verweer van het Land. Voor zover het Land dat wel bedoeld heeft, slaagt dit verweer niet.
2.5.
Het erfpachtrecht kan pas vervallen worden verklaard als het Land zijn voornemen daartoe betekent en daarbij nog een maand de tijd geeft om de bouwverplichting alsnog na te komen (artikel 15 aanhef en onder c Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten). Het Land heeft niet gesteld dat dit is gebeurd. Dat is het Gerecht ook niet gebleken. Dat betekent dat het erfpachtrecht niet vervallen is. Of het Land ondanks het lange tijdsverloop het recht op vervallenverklaring nog heeft, kan daarom in het midden blijven.
[curator] heeft geen toestemming van het land nodig
2.6.
In de erfpachtakte staat dat [naam] de erfpacht niet mag overdragen zonder toestemming van het land (artikel f). Het Gerecht oordeelt dat die bepaling niet voor [curator] als curator geldt. In de wet staat namelijk dat zo’n bepaling niet aan executie door schuldeisers in de weg staat (artikel 5:91 BW). [curator] is zelf geen schuldeiser, maar uit de wetsgeschiedenis van het Nederlands Burgerlijk Wetboek volgt dat de verkoop door een curator ook onder ‘executie door schuldeisers’ valt. De tekst van artikel 5:91 BW is identiek aan de Nederlandse tekst en uit de wetgeschiedenis volgt niet dat daar een andere betekenis aan moet worden gegeven. Het Gerecht oordeelt daarom dat [curator] geen toestemming van het Land nodig heeft. De gevraagde verklaring voor recht wordt dus toegewezen.
De bezwaren van het Land worden buiten beschouwing gelaten
2.7.
Het Gerecht hoeft dus (anders dan het aanvankelijk dacht) niet te beoordelen of het Land legitieme bezwaren heeft tegen de overdracht van erfpachtrecht. Dit betekent ook dat in het midden wordt gelaten of het perceel bebouwbaar is of niet.
Het Land wordt veroordeeld in de proceskosten
2.8.
Het Land krijgt ongelijk en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. Deze kosten worden aan de kant van [curator] tot vandaag begroot op:
griffierecht NAf 450,-
salaris gemachtigde NAf 5.000,- (4 punten x NAf 1.250,-)
TOTAAL: NAf 5.450,-.
Dictum
Het Gerecht:
3.1.
verklaart voor recht dat voor het vervreemden van het erfpachtrecht door [curator] geen toestemming van het Land vereist is;
3.2.
veroordeelt het Land in de proceskosten, die aan de kant van [curator] tot op vandaag worden begroot op NAf 5.450,-;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.
C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof, Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek. Boek 5. Zakelijke rechten, Deventer: Kluwer 1981, p. 313
Staten van de Nederlandse Antillen 1998/99, 2203, nr. 3 (MvT), p. 8