Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-04-02
ECLI:NL:OGEAM:2025:38
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,785 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202401277
Beschikking d.d. 2 april 2025
inzake
[verzoeker],
wonende in Sint Maarten, verzoeker, procederend in persoon,
tegen
[naam N.V.],
gevestigd in Sint Maarten, verweerster, gemachtigde: mr. B. Brooks.
De partijen zullen hierna [verzoeker] en [werkgever] worden genoemd.
1Het procesverloop
1.0. [
[verzoeker] heeft op 6 november 2024 een verzoekschrift met producties ingediend. [werkgever] heeft op 6 januari 2025 een verweerschrift met producties ingediend. Het verzoek is behandeld op 19 februari 2025.
1.1.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.0. [
[verzoeker] is in dienst bij [werkgever] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Volgens hem is [werkgever] hem nog veel geld verschuldigd, op basis van:
een betalingsregeling;
onterecht toegepaste salaris- en urenkorting in de covid-periode;
doorbetaling van loon voor een periode waarin hij afwezig was door een heupoperatie;
niet-betaalde vergoedingen, vakantietoeslag en 13e maand;
loon voor de periode dat hij situatief arbeidsongeschikt is;
voorgeschoten verzekeringspremie.
Hij verzoekt het Gerecht in deze procedure om [werkgever] te veroordelen om dit geld aan hem te betalen.
2.1. [
[werkgever] is het niet eens met een deel van de eis. Volgens haar klopt het wel dat zij nog geld moet betalen aan [werkgever], maar zij stelt dat het bedrag een stuk lager moet zijn.
2.2.
Het Gerecht wijst een groot deel van de eisen van [werkgever] toe. In deze beschikking legt het dat oordeel uit.
[werkgever] moet $ 81.122,90 betalen op basis van de betalingsregeling
2.3.
De partijen hebben in januari 2022 een betalingsregeling afgesproken. Zij hebben daarin vastgelegd dat [werkgever] $ 134.235,- verschuldigd is aan [verzoeker]. De partijen hebben afgesproken dat [werkgever] dit bedrag zal betalen in 16 maandelijkse termijnen vanaf 30 april 2022 en dat bij te late betaling een rente van 4% geldt. [verzoeker] gaat ervan uit dat die rente per maand geldt. Dat heeft [werkgever] niet betwist. Daarom gaat het Gerecht daar ook vanuit.
2.4. [
[werkgever] is de overeenkomst niet goed nagekomen. Het hele bedrag had eigenlijk al uiterlijk 31 juli 2023 betaald moeten zijn. Volgens [verzoeker] heeft [werkgever] tot dit moment $ 104.970,87 betaald. [werkgever] heeft niet gesteld dat zij meer dan dat heeft betaald (zij voert zelfs aan dat ze iets minder heeft betaald), daarom gaat het Gerecht uit van de juistheid van de bedragen die [verzoeker] heeft genoemd.
2.5.
De vraag is welk bedrag er nu nog open staat. Volgens [verzoeker] moet [werkgever] hem nog $ 111.045,63 betalen, omdat zij inmiddels ook veel rente verschuldigd is. Hij heeft een specificatie overhandigd, waaruit blijkt hoe hij dit bedrag heeft berekend. [werkgever] voert aan dat zij $ 29.286,59 moet betalen. Zij lijkt er daarbij vanuit te gaan dat zij helemaal geen rente verschuldigd is geworden.
2.6.
Het Gerecht volgt tot op grote hoogte de berekening van [verzoeker]. Tot en met juli 2023 heeft [verzoeker] in lijn met de betalingsregeling steeds 4% rente per maand berekend, over uitsluitend het achterstallige bedrag. Hij heeft daarbij de betalingen (voordelig voor [werkgever]) steeds rechtstreeks in mindering laten strekken op de hoofdsom, in afwijking van de wettelijke regeling (artikel 6:44 BW). Volgens [werkgever] heeft [verzoeker] de rente steeds berekend over de volledige openstaande hoofdsom, maar dit volgt (tot en met juli 2023) niet uit de berekening van [verzoeker]. Het Gerecht oordeelt daarom dat per 31 juli 2023 de hoofdsom $ 81.264,01 bedroeg en de rente $ 21.940,48.
2.7.
Vanaf augustus 2023 heeft [verzoeker] de rente (in tegenstelling tot daarvoor) steeds berekend over de hoofdsom inclusief rente. [werkgever] heeft betwist dat dit is overeengekomen. [verzoeker] heeft dit vervolgens niet onderbouwd. Dat betekent dat hij de rente vanaf augustus 2023 verkeerd heeft berekend. Hij had de rente moeten berekenen over alleen de openstaande hoofdsom.
2.8.
Het Gerecht berekent daarom de achterstand opnieuw. Het gaat er daarbij vanuit dat de betalingen van [werkgever] net als voor augustus 2023 direct in mindering strekken op de hoofdsom. Dat leidt tot de volgende berekening.
Betaling
Restant hoofdsom
Rente
t/m juli 23
$ 52.970,87
$ 81.264,01
$ 21.940,48
aug-23
$ -
$ 81.264,01
$ 3.250,56
sep-23
$ -
$ 81.264,01
$ 3.250,56
okt-23
$ 9.000,00
$ 72.264,01
$ 2.890,56
nov-23
$ 11.000,00
$ 61.264,01
$ 2.450,56
dec-23
$ 4.000,00
$ 57.264,01
$ 2.290,56
jan-24
$ 2.000,00
$ 55.264,01
$ 2.210,56
feb-24
$ 4.000,00
$ 51.264,01
$ 2.050,56
mrt-24
$ 4.000,00
$ 47.264,01
$ 1.890,56
apr-24
$ 4.000,00
$ 43.264,01
$ 1.730,56
mei-24
$ 4.000,00
$ 39.264,01
$ 1.570,56
jun-24
$ 2.000,00
$ 37.264,01
$ 1.490,56
jul-24
$ 4.000,00
$ 33.264,01
$ 1.330,56
Dictum
Het Gerecht:
3.1.
verleent aan [verzoeker] gratis admissie;
3.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [verzoeker] te betalen:
$ 81.122,90 op basis van de betalingsregeling, berekend tot en met oktober 2024;
$ 21.735,91 netto aan loon voor de coronaperiode, met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW en de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW van 10% berekend vanaf 14 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
$ 4.975,35 netto aan achterstallig loon tijdens ziekte met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW en de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW van 10% berekend vanaf de dagen waarop dit loon uiterlijk had moeten worden betaald tot de dag dat volledig is betaald;
$ 12.103,57 netto aan achterstallig loon voor 2022 en 2023, $ 3.837,75 netto aan loon voor 30 augustus tot en met 27 september 2023 en$ 8.886,48 netto aan vakantiegeld voor 2022 en 2023 steeds met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW en de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW van 25% berekend vanaf de dagen waarop dit loon en vakantiegeld uiterlijk had moeten worden betaald tot de dag dat volledig is betaald;
$ 1.482,12 aan voorgeschoten verzekeringspremie, met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW daarover vanaf 22 februari 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] tot op vandaag worden begroot op nihil;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.
Beoordeling
aug-24
$ 4.000,00
$ 29.264,01
$ 1.170,56
sep-24
$ -
$ 29.264,01
$ 1.170,56
okt-24
$ -
$ 29.264,01
$ 1.170,56
TOTAAL
$ 104.970,87
$ 29.264,01
$ 51.858,89
2.9.
De conclusie van het voorgaande is dat er berekend tot en met oktober 2024 sprake is van een achterstand van $ 81.122,90 ($ 29.264,01 + $ 51.858,89). Het Gerecht begrijpt dat het om een nettobedrag gaat en wijst dit bedrag dus toe.
[werkgever] moet $ 21.735,91 betalen voor eenzijdig toegepaste salaris- en urenverlaging in 2020 en 2021
2.10. [
[verzoeker] heeft erop gewezen dat hij in 2020 en 2021 minder salaris heeft gehad, doordat [werkgever] zijn salaris en werkuren heeft verlaagd in verband met Covid-19. Hij heeft onbetwist gesteld dat het ging om een salarisverlaging van 10% vanaf bi-week 12 van 2020 tot en met bi-week 26 van 2022 en om 50% urenverlaging van bi-week 1 tot en met 20 van 2021. [verzoeker] heeft berekend dat dit in totaal leidt tot een salariskorting van $ 21.735,91 netto. Hij heeft een berekening daarvan bij het verzoekschrift gevoegd. Deze berekening is niet betwist.
2.11. [
[werkgever] heeft nog wel aangevoerd dat de salariskorting van 10% is geëindigd in bi-week 26. Zij heeft niet geschreven welk jaar zij bedoelt. Voor zover zij daarmee bi-week 26 van 2020 heeft bedoeld slaagt dat verweer niet. Zij heeft namelijk zelf loonstroken bij haar verweerschrift gevoegd. Uit de bedragen die daarop staan volgt dat zij het lagere brutoloon tot het einde van 2022 heeft toegepast.
2.12. [
[werkgever] heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat [verzoeker] mondeling heeft ingestemd met deze salaris- en urenverlaging. Zij heeft dat niet onderbouwd of concreet gemaakt. Ze heeft er alleen op gewezen dat [verzoeker] anders deze bedragen ook wel had betrokken bij de getroffen betalingsregeling. [verzoeker] heeft tijdens de zitting betwist dat hij hiermee akkoord is gegaan. Hij heeft aangevoerd dat hij dit niet heeft betrokken bij de regeling, omdat hij had begrepen dat het om een opschorting van het loon ging en dat dit loon later dus nog betaald zou worden. [werkgever] heeft vervolgens niet verder onderbouwd waaruit blijkt dat [verzoeker] heeft ingestemd met deze verslechterde arbeidsvoorwaarde. Het Gerecht oordeelt daarom dat dit niet vaststaat.
2.13. [
[werkgever] heeft er nog wel op gewezen dat het Gerecht in 2021 in een zaak heeft geoordeeld dat een werkgever in redelijkheid kon voorstellen het loon te verlagen tot 80%. Voor zover [werkgever] daarmee heeft bedoeld dat [verzoeker] had moeten instemmen met het voorstel tot salaris- en urenverlaging, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Zij had dan namelijk op zijn minst moeten onderbouwen dat er een financiële aanleiding was voor de verlaging, dat het voorstel redelijk is en dat [verzoeker] dit in redelijkheid had moeten aanvaarden (artikel 7:611 BW en HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847 Stoof/Mammoet, r.o. 3.3.3.). Dat heeft zij niet gedaan.
2.14.
De conclusie van het voorgaande is dat [werkgever] onterecht loon heeft ingehouden in de coronaperiode. Aangezien de hoogte van het bedrag niet is betwist, wordt dit bedrag toegewezen.
2.15. [
[verzoeker] eist ook wettelijke rente over dit loon. Hij heeft niet concreet gemaakt vanaf wanneer. Het Gerecht wijst die rente toe vanaf 14 mei 2024. Op 22 april 2024 heeft de (voormalige) gemachtigde van [verzoeker] namelijk een aanmaning gestuurd aan [werkgever] en haar daarin een kans gegeven om uiterlijk 13 mei 2024 te betalen. [werkgever] heeft dat niet gedaan. Zij moet daarom vanaf 14 mei 2024 wettelijke rente betalen (artikel 6:82 en 6:119 BW). [verzoeker] heeft niet gesteld dat het verzuim eerder is ingetreden en dat is ook niet gebleken.
2.16. [
[verzoeker] eist ook de wettelijke verhoging over dit loon. Deze verhoging is gebaseerd op de wet (artikel 7:625 BW) en wordt daarom toegewezen. Het Gerecht beperkt deze verhoging tot 10%, omdat het achterstallige loon komt uit een periode die ook voor werkgevers financieel moeilijk was.
[werkgever] moet $ 4.975,35 aan achterstallig loon tijdens ziekte betalen
2.17.
In bi-week 8 tot en met 10 van 2021 heeft [verzoeker] niet gewerkt omdat hij aan zijn heup werd geopereerd. Voor die periode heeft hij geen loon gehad. Hij eist dat alsnog. Volgens hem gaat het om $ 4.975,35 netto. [werkgever] heeft ter zitting hiermee ingestemd. Deze eis wordt daarom toegewezen.
2.18. [
[verzoeker] eist ook de wettelijke rente over dit loon. Die eis is gebaseerd op de wet en wordt daarom toegewezen, vanaf de datum dat [werkgever] het loon had moeten betalen.
2.19.
Ook de wettelijke verhoging over dit loon wordt toegewezen. Het Gerecht maximeert ook deze verhoging tot 10%, om dezelfde reden als genoemd in 2.17.
[werkgever] moet $ 12.103,57 aan achterstallig loon voor 2022 en 2023 betalen
2.20. [
[verzoeker] eist verder $ 12.103,57 aan achterstallig loon voor 2022 en 2023. Het gaat om de 10% salariskorting in 2022, twee keer de vaste maandelijkse vergoeding van $ 930,- en de 13e maand van 2022 en 2023. In eerste instantie heeft [werkgever] deze eis betwist, maar later heeft zij erkend dat zij dit bedrag nog moet betalen. Deze eis wordt daarom toegewezen.
2.21.
De wettelijke rente en wettelijke verhoging over dit loon worden toegewezen vanaf de datum dat het loon verschuldigd was. Het Gerecht beperkt de wettelijke verhoging tot 25%. De reden daarvan is dat enerzijds niet is gebleken dat [werkgever] uit kwade wil niet heeft betaald, maar anderzijds wel dat zij erg slordig omgaat met salarisbetalingen.
[werkgever] moet $ 3.837,75 betalen voor de periode vanaf 30 augustus 2023
2.22.
Op 29 augustus 2023 heeft een incident plaatsgevonden op de werkvloer. [verzoeker] heeft de gang van zaken geschetst in het verzoekschrift, die niet door [werkgever] is betwist. Het Gerecht begrijpt dat het volgende is gebeurd. Tijdens een vergadering is de directeur van [werkgever] in het bijzijn van collega’s in woede uitgebarsten richting [verzoeker] en heeft gezegd dat hij hem kan behandelen zoals hij wil, omdat hij de baas is. Daarna is een discussie ontstaan tussen [verzoeker] en de directeur. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat de directeur [verzoeker] fysiek wilde aanvallen. Alleen door ingrijpen van collega’s kon dit voorkomen worden. Hierna is [verzoeker] naar huis gegaan. Sinds die datum heeft hij niet meer gewerkt.
2.23. [
[verzoeker] eist dat [werkgever] wordt veroordeeld om zijn loon vanaf 30 augustus 2023 door te betalen.
Beoordeling
Het Gerecht oordeelt dat [werkgever] maar een klein deel van het loon hoeft te betalen, namelijk alleen tot 27 september 2023. Dat legt het hierna uit.
2.24. [
[verzoeker] heeft zelf meermaals gesteld dat hij situatief arbeidsongeschikt is. Hij heeft in dat geval alleen recht op loon als er is voldaan aan een aantal voorwaarden: (1) er moet sprake zijn van onwerkbare omstandigheden, (2) de oorzaak van die omstandigheden moet in redelijkheid voor rekening van [werkgever] komen, (3) er moet sprake zijn van (dreigende) lichamelijke of psychische klachten en (4) [verzoeker] moet volledig meewerken aan werkhervatting (artikel 7:628 BW en HR 26 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7669, Mak-SGBO, 3.5.3).
2.25.
Het Gerecht oordeelt dat [verzoeker] voldoende heeft onderbouwd dat tot en met 27 september 2023 is voldaan aan die voorwaarden. Een woede-uitbarsting van de directeur gevolgd door de dreiging van fysiek geweld leidt tot een onwerkbare omstandigheid, die voor rekening van [werkgever] komt. Het Gerecht vindt het aannemelijk dat [verzoeker] zich niet in staat voelde om terug te keren naar de werkvloer, zonder dat dit conflict was uitgepraat.
2.26.
Op 27 september 2023 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de directeur. De directeur heeft toen zijn excuses aangeboden en heeft erkend dat zijn gedrag onprofessioneel en verkeerd was. Hij heeft aangegeven dat hij graag wil dat [verzoeker] weer komt werken. [verzoeker] vond dit niet ver genoeg gaan. Hij wilde van [werkgever] concrete verbetervoorstellen krijgen, waaruit blijkt hoe zulk gedrag in de toekomst voorkomen kon worden. Op zich vindt het Gerecht dat verzoek begrijpelijk, maar het vormt naar haar oordeel op zichzelf geen reden om nog langer thuis te blijven. Dat betekent niet dat de partijen door konden gaan alsof er niets gebeurd was, maar het herstellen van het onderlinge vertrouwen had ook kunnen gebeuren terwijl [verzoeker] weer aan het werk was.
2.27.
Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om aannemelijk te maken dat er toch nog sprake was van dreigende psychische en lichamelijke klachten als hij zou moeten terugkeren naar de werkvloer. Dat heeft hij niet gedaan. De enige onderbouwing die hij heeft gegeven is een doktersverklaring van 13 juni 2024, dus bijna tien maanden later. Toen was [verzoeker]s situatie ook beïnvloed door de lange periode dat hij inmiddels thuis zat. Uit de verklaring volgt onvoldoende dat [verzoeker] per 28 september 2023 met oog op zijn gezondheid niet kon terugkeren naar zijn werk.
2.28.
Het Gerecht oordeelt dus dat [werkgever] het loon van 30 augustus 2023 tot en met 27 september 2023 alsnog moet betalen. Dat gaat om een bedrag van $ 3.837,75. Dat bedrag heeft het Gerecht als volgt berekend. [verzoeker] werkt van maandag tot donderdag. Er zitten dus 17 werkdagen tussen 30 augustus tot en met 27 september 2023. Uit de loonstroken die [werkgever] bij haar verweerschrift heeft gevoegd blijkt dat [verzoeker] voorafgaand aan zijn afwezigheid steeds $ 1.805,97 netto kreeg voor 8 dagen werk. Dat gaat dus om $ 225,75 per dag ($ 1.805,97 / 8). Dat komt voor 17 dagen dus neer op $ 3.837,75 netto (17 x $ 225,75).
2.29. [
[verzoeker] moet ook wettelijke rente en wettelijke verhoging betalen over dit bedrag. Het Gerecht ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te beperken tot 25%.
2.30.
Het voorgaande betekent ook dat het verzoek van [verzoeker] om [werkgever] te veroordelen om zijn salaris te betalen tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, wordt afgewezen. Dat geldt dus ook voor het apart geëiste vakantiegeld.
[werkgever] moet nog $ 8.886,48 netto aan vakantiegeld voor 2022 en 2023 betalen
2.31. [
[verzoeker] stelt dat [werkgever] hem nog $ 8.886,48 netto moet betalen aan vakantiegeld voor 2022 en 2023. [werkgever] betwist niet dat zij dit bedrag moest betalen. Zij verwijst naar de loonstroken waaruit zelfs een iets hoger bedrag volgt, namelijk $ 8.903,26 ($ 4.460,02 voor 2022 en $ 4.443,24 voor 2023).
2.32. [
[werkgever] stelt dat zij dit vakantiegeld al heeft betaald. Ze verwijst daarvoor echter alleen maar naar de loonstroken. Uit de loonstroken kan niet worden opgemaakt dat daadwerkelijk is betaald. [werkgever] heeft daarom haar verweer onvoldoende onderbouwd. Zij wordt veroordeeld om dit bedrag alsnog aan [verzoeker] te betalen.
2.33.
De wettelijke rente en wettelijke verhoging over dit vakantiegeld worden toegewezen. Het Gerecht beperkt de wettelijke verhoging tot 25%.
[werkgever] moet $ 1.482,12 aan voorgeschoten verzekeringspremie betalen
2.34.
De partijen hebben afgesproken dat [werkgever] de premie van de ziektekostenverzekering van [verzoeker] betaalt. [verzoeker] heeft in december 2023 een factuur gekregen voor de premie van 1 december 2023 tot en met 31 mei 2024 van $ 2.982,12. [verzoeker] stelt dat hij deze hele factuur heeft voorgeschoten, omdat [werkgever] naliet die te betalen, maar dat [werkgever] tot op heden maar $ 1.500,- heeft terugbetaald.
2.35. [
[werkgever] betwist niet dat de factuur $ 2.982,12 bedroeg en dat zij die moet betalen. Haar enige verweer is dat [verzoeker] slechts $ 1.500,- heeft voorgeschoten. Het Gerecht vindt dat zij dit verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Dit volgt namelijk nergens uit. Integendeel, uit de stukken die [verzoeker] heeft overgelegd volgt dat [verzoeker] op 22 december 2023 heeft gemaild: “Hence the reason why I opted to make payment personally today to avoid all drastic consequences in the event the insurance does expire”. [werkgever] heeft daarop gereageerd: “This serves to inform that reimbursement of your medical Insurance payment will be done in two parts with the first part being paid out on or before January 22nd 2024.” Vervolgens heeft [werkgever] op 22 januari 2024 een bedrag overgeschreven met de omschrijving ‘Half reim Health Insu’. [werkgever] heeft niet onderbouwd hoe dit zich verhoudt met haar stelling dat deze betaling het volledige voorgeschoten bedrag betreft.
2.36. [
[werkgever] heeft de berekening van [verzoeker] verder niet betwist. Het Gerecht wijst daarom het bedrag van $ 1.482,12 toe. De rente daarover wordt toegewezen vanaf 22 februari 2024 zoals door [verzoeker] geëist (artikel 6:119, 6:200 en 6:83 onder b BW)
[werkgever] wordt veroordeeld in de proceskosten
2.37. [
[werkgever] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. Deze kosten worden aan de kant van [verzoeker] tot vandaag begroot op nihil. [verzoeker] procedeert namelijk kosteloos en heeft dus geen proceskosten gemaakt.
2.38.
In dat kader merkt het Gerecht ten overvloede nog het volgende op. [verzoeker] heeft gevraagd om kosteloos te mogen procederen (artikel 876 e.v. Rv). Volgens [werkgever] heeft hij dat recht niet. Dat is iets tussen het Gerecht en [verzoeker]. Daar staat [werkgever] dus buiten. Het Gerecht ziet geen reden om [verzoeker] geen gratis admissie te verlenen.
Advies Gerecht
2.39.
Het Gerecht wil partijen nog meegeven dat het raadzaam is om – bij voorkeur: met elkaar – te bezien hoe de huidige patstelling kan worden doorbroken. [verzoeker] is al geruime tijd niet meer op het werk verschenen en ontvangt daarom sinds eind september 2023 geen salaris meer. [werkgever] heeft bij monde van haar directeur te kennen gegeven dat [verzoeker] in de omgang moeilijk kan zijn maar een goede project manager/project administrator is, die wat haar betreft meteen kan terugkeren op het werk. Een en ander zou aanleiding moeten zijn om te bezien hoe men verder wenst te gaan: voortzetting van de arbeidsrelatie met een werkende [verzoeker] of beëindiging van de arbeidsovereenkomst?