Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2024-08-02
ECLI:NL:OGEAM:2024:62
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,879 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202400792
Vonnis in kort geding d.d. 2 augustus 2024
inzake
DE STICHTING KADASTER EN HYPOTHEEKWEZEN SINT MAARTEN,
gevestigd in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. C.R. RUTTE,
tegen
[naam],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C. Merx,
Partijen zullen hierna het Kadaster en [gedaagde] worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het Kadaster heeft op 26 juni 2024 een verzoekschrift ingediend. Vervolgens heeft op 19 juli 2024 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten op 28 februari 2019, waarbij [gedaagde] is benoemd tot algemeen directeur van het Kadaster.
2.2.
Artikel 1 van de overeenkomst luist als volgt:
“De heer [gedaagde] wordt met ingang van 1 juni 2019, voor de duur van vijf (5) jaren aangesteld als Directeur van de Stichting met een proeftijd van twee (2) maanden. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege op 31 mei 2024 en komt in het geval van overlijden van de heer [gedaagde] automatisch te eindigen.”
2.3.
In de overeenkomst is in artikel 4.9 bepaald:
“Bij goed functioneren ontvangt de Directeur een eindejaarsuitkering, van een deel, een (1) tot twee (2) maal het maandelijkse salaris,
indien
het jaarresultaat dit toelaat.”
2.4.
In een Resolution van 8 april 2024 van de RvT staat, voor zover van belang:
“(A) The management agreement of the current Managing Director of CLR, Mr. [gedaagde], shall end on May 31, 2024.
(B) After review and evaluation of the performance of Mr. [gedaagde] during the tenure of the management agreement, the SBOD has determined that the performance of Mr. [gedaagde] falls short of the standards required for the successful management of CLR.
(C) The SBOD, given its concerns, which include but are not limited to operational efficiencies, communication, transparency and financial management under the current Managing Director had determined that an extension of the management agreement shall not be in the best interest of CLR.
(…)
Hereby resolves:
To not renew the contract of Mr. [gedaagde] upon its conclusion on May 31, 2024;”
2.5.
Het Kadaster heeft [gedaagde] meerdere malen schriftelijk aangezegd dat zijn benoeming per 31 mei 2024 zou eindigen en hem is verzocht zijn persoonlijke spullen op te halen en zijn sleutels en andere eigendommen van het Kadaster in te leveren.
Geschil
3.1.
Het Kadaster vordert na eiswijziging, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
i. i) [gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan het Kadaster af te geven de sleutels – daaronder begrepen de sleutels van de toegangsdeur van het Kadasterpand, de sleutels van de achteruitgang/nooduitgang van het Kadasterpand, de sleutels van de kluis en de sleutels van het bureau van [gedaagde] – als ook alle passcodes van het Kadasterpand alsmede alle aan hem voor het uitoefenen van zijn functie ter beschikking gesteld zaken, waaronder in elk geval de mobiele telefoon, de laptop, de creditcard en de auto, op straffe van verbeurte van een dwangsom van US$ 1.500 met een maximum van US$ 150.000;
ii) [gedaagde] met onmiddellijke ingang te verbieden om het Kadasterpand te betreden of zich op enigerlei wijze toegang te (laten) verschaffen tot het niet-publiek toegankelijke deel van het Kadasterpand gelegen aan de [locatie] te Philipsburg, op straffe van verbeurte van een dwangsom van US$ 1.500 met een maximum van US$ 150.000;
iii) [gedaagde] te bevelen om binnen vijf dagen na datum vonnis al zijn persoonlijke bezittingen op te halen of te laten ophalen bij de publieke balie van het Kadaster en het Kadaster te machtigen om zich van deze bezittingen te mogen ontdoen door deze bij het afval te plaatsen en/of te vernietigen indien deze niet binnen voornoemde termijn zijn opgehaald;
iv) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van NAf 42.500 bij wijze van een voorschot op schadevergoeding althans als onverschuldigd betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2023 althans de datum verzoekschrift;
v) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van NAf 1.875 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten (1,5 punt van liquidatietarief 5);
vi) [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten alsmede in de beslagkosten ad NAf 1.845,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis.
3.2.
Het Kadaster legt aan haar vordering ten grondslag dat de bestuurdersovereenkomst per 31 mei 2024 van rechtswege is geëindigd en niet daarna is verlengd. [gedaagde] heeft zijn persoonlijke eigendommen niet opgehaald en de sleutels en passcodes van het Kadasterpand en eigendommen (mobiele telefoon, laptop, creditcard en auto) van het Kadaster niet ingeleverd. Daarnaast stelt het Kadaster dat [gedaagde] zichzelf onrechtmatig gelden heeft uitgekeerd. In december 2019 keerde [gedaagde] zichzelf een bedrag van NAf 15.000 bruto uit, in december 2020 een bedrag van NAf 16.000 bruto en in december 2021 een bedrag van NAf 16.500. In totaal heeft derhalve [gedaagde] een bedrag van NAf 47.500 ten titel van “Christmas Bonus” aan het Kadaster onttrokken. Dit levert een onrechtmatige daad op jegens het Kadaster althans is sprake van onverschuldigde betaling. [gedaagde] meent ten onrechte het recht op deze gelden (bonussen) te ontlenen aan het Reglement ziektekosten en bonus, maar deze regeling is niet van toepassing op bestuurders. In de overeenkomst is in art. 4.9 een voorziening ter zake van een eindejaarsuitkering/bonus opgenomen. Deze bonusregeling is afhankelijk van goed functioneren van [gedaagde], zodat zonder fiat van de RvT geen bonus of eindejaarsuitkering kan worden uitgekeerd. De RvT heeft meerdere malen brieven gestuurd met het verzoek om de bedragen terug te betalen. Op 24 mei 2024 heeft het Kadaster conservatoir beslag gelegd. Het Kadaster stelt dat op de bestuursovereenkomst per abuis arbeidsovereenkomst als titel staat aangeduid. De rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon is op grond van de dwingendrechtelijke bepaling van art. 2:8 lid 5 BW geen arbeidsovereenkomst. Een bestuurder van een rechtspersoon ([gedaagde] als directeur) kan niet tegelijkertijd bestuurder en werknemer zijn.
3.3. [
gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het verweer van [gedaagde] dat sprake is van een arbeidsovereenkomst faalt. Hiervoor is het volgende redengevend. Het Kadaster is een stichting en daarmee een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 BW. Op de rechtsverhouding tussen partijen is artikel 2:8 lid 5 BW van toepassing. Artikel 2:8 lid 5 BW bepaalt dwingendrechtelijk dat de rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon niet wordt aangemerkt of mede wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Daar komt bij dat artikel 5 lid 2 van de statuten van het Kadaster bepaalt dat het bestuur onder leiding staat van de voorzitter, wie de titel van Algemeen Directeur zal dragen. In de overeenkomst tussen [gedaagde] en het Kadaster staat “overwegende dat: bij besluit van de Raad van Toezicht van de Stichting d.d. 29 oktober 2018 werd bekrachtigd dat de heer [gedaagde] d.d. 1 juni 2019 tot Algemeen Directeur van de Stichting werd benoemd; verklaren te zijn overeengekomen:” Dat op de tussen partijen gesloten overeenkomst de titel arbeidsovereenkomst staat vermeld is niet relevant. Eerst indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst en dat is, zoals hiervoor is overwogen, niet het geval. De bedoeling van partijen althans van [gedaagde] speelt dus geen rol bij de bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.
4.2.
In de overeenkomst die [gedaagde] en het Kadaster hebben gesloten staat duidelijk een termijn vermeld, te weten dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op 31 mei 2024. Bij een van rechtswege einde is opzegging niet nodig. De overeenkomst eindigt dan namelijk automatisch op de in de overeenkomst genoemde datum. Naast de bewoordingen geldt dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen beantwoord dient te worden aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van die overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij, mede gelet op de maatschappelijke kring waartoe zij behoren en de rechtskennis die van hen kan worden gevergd, te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de zogenoemde Haviltex-maatstaf. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat partijen de bedoeling hadden dat de overeenkomst niet automatisch zou eindigen op 31 mei 2024, maar dat deze diende te worden opgezegd, althans dat [gedaagde] daarop gerechtvaardigd mocht vertrouwen.
4.3.
Voorts heeft [gedaagde] ten verwere aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst zou worden verlengd, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt op basis van welke feiten en omstandigheden hij dit vertrouwen heeft ontleend. Dat [gedaagde] is gevraagd een strategisch plan op te stellen voor de jaren 2024 – 2028 is onderdeel van zijn taak als directeur. Het is niet per se noodzakelijk dat [gedaagde] het strategisch plan uitvoert, dat kan zijn opvolger ook doen. De Raad van Toezicht heeft ondanks het van rechtswege eindigen van de overeenkomst onder andere bij brief van 29 april 2024 [gedaagde] erop gewezen dat zijn benoeming als algemeen directeur van rechtswege op 31 mei 2024 zou aflopen.
4.4.
Uit het voren overwogene volgt dat de overeenkomst op 31 mei 2024 is beëindigd. Bij die stand van zaken zijn de vorderingen i) tot en met iii) toewijsbaar, met dien verstande dat de gevorderde dwangsommen zoals gebruikelijk zullen worden gemaximeerd op tien maal de gevorderde dwangsom, derhalve met een maximum van US$ 15.000.
4.5.
Wat betreft de vordering tot terugbetaling van de eindejaarsuitkering overweegt het Gerecht als volgt. In de bestuurdersovereenkomst staat in art. 4.9 een specifieke regeling voor de aanspraak op een bonus. Het Kadaster heeft terecht opgeworpen dat de bepaling geen andere uitleg toelaat dan dat het recht van de directeur ([gedaagde] dus in het onderhavig geval) op een eindejaarsuitkering afhankelijk is van goed functioneren en het jaarresultaat van het Kadaster. Of [gedaagde] goed functioneerde en dat hij daarmee recht had op een eindejaarsuitkering is niet aan hemzelf om te beoordelen, maar aan de Raad van Toezicht. Het is dus de Raad van Toezicht, het orgaan dat bestuurders benoemt, schorst en ontslaat, die beslist of de directeur recht heeft op een eindejaarsuitkering. Nergens blijkt uit dat met [gedaagde] een evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden over zijn functioneren en dat de Raad van Toezicht hem een eindejaarsuitkering heeft toegekend of althans hem blijk heeft gegeven van goed functioneren, waarmee hij recht had op een eindejaarsuitkering. Dit leidt tot de conclusie dat de eindejaarsuitkeringen althans Christmas bonussen die [gedaagde] aan zichzelf heeft laten uitbetalen onverschuldigd zijn betaald. De vordering zal mitsdien worden toegewezen.
4.6.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, nu het Kadaster niet heeft onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat hij meer of andere kosten heeft gemaakt dan waarvoor de proceskostenregeling een vergoeding voor plegen in te sluiten.
4.7. [
gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van het Kadaster tot op heden begroot op:
explootkosten NAf 240,50
griffierecht NAf 750,00
salaris gemachtigde NAf 3.000,00 +
totaal: NAf 3.990,50
Dictum
5.1.
beveelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan het Kadaster af te geven de sleutels – daaronder begrepen de sleutels van de toegangsdeur van het Kadasterpand, de sleutels van de achteruitgang/nooduitgang van het Kadasterpand, de sleutels van de kluis en de sleutels van het bureau van [gedaagde] – als ook alle passcodes van het Kadasterpand alsmede alle aan hem voor het uitoefenen van zijn functie ter beschikking gesteld zaken, waaronder in elk geval de mobiele telefoon, de laptop, de creditcard en de auto, op straffe van verbeurte van een dwangsom van US$ 1.500 met een maximum van US$ 15.000;
5.2.
verbiedt [gedaagde] met onmiddellijke ingang om het Kadasterpand te betreden of zich op enigerlei wijze toegang te (laten) verschaffen tot het niet-publiek toegankelijke deel van het Kadasterpand gelegen aan de [locatie] te Philipsburg, op straffe van verbeurte van een dwangsom van US$ 1.500 met een maximum van US$ 15.000;
5.3.
beveelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis al zijn persoonlijke bezittingen op te halen of te laten ophalen bij de publieke balie van het Kadaster en het Kadaster te machtigen om zich van deze bezittingen te mogen ontdoen door deze bij het afval te plaatsen en/of te vernietigen indien deze niet binnen voornoemde termijn zijn opgehaald;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van NAf 42.500, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2023;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van het Kadaster tot op heden begroot op NAf 3.990,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum vonnis;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de beslagkosten ten bedrage van NAf 1.845,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum vonnis;
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach, rechter, bijgestaan door
J.F.M. Becker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2024.