Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2024-08-20
ECLI:NL:OGEAM:2024:112
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,431 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202200682 en SXM2023I00002
Vonnis d.d. 20 augustus 2024
in de hoofdzaak:
[naam],
wonende in Sint Maarten,
eiseres,
procederend in persoon,
tegen
[naam],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.G. Bloem,
in de vrijwaringszaak:
[naam],
wonende in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. J.G. Bloem,
tegen
[naam],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde in de hoofdzaak] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak na het op 10 januari 2023 gewezen vonnis blijkt uit:
de op 21 februari 2023 door [eiseres] ten behoeve van de comparitie ingediende stukken, voorzien van een schriftelijke toelichting;
de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt van de mondelinge behandeling op 23 februari 2023;
het proces-verbaal bevattende het mondeling vonnis in het vrijwaringsincident, gegeven op de zitting van 23 februari 2023;
de op 27 februari 2023 door [eiseres] ingediende stukken;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
de conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie en nader betoog in de vrijwaringsprocedure;
de nadere akte na conclusie van dupliek in conventie en van dupliek in reconventie.
1.2.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:
het op 20 maart 2023 aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] uitgebrachte oproepingsexploot;
het aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] verleende verstek.
1.3.
De uitspraak van het vonnis is zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak nader bepaald op heden.
Feiten
2.1.
Reeds in het tussenvonnis van 10 januari 2023 is een aantal feiten vastgesteld. De volgende feiten zullen in dit geding eveneens als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet zijn betwist.
2.2. [
gedaagde in de hoofdzaak] huurde een ruimte aan de [adres] sinds 1998 van de vader van [eiseres] en [gedaagde in de vrijwaringszaak]. Deze ruimte maakt deel uit van het registergoed met de daarop staande gebouwen bekend onder [kadastraal nummer], hierna verder te noemen: het hotel, dat in eigendom toebehoorde aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] en [naam]. [gedaagde in de hoofdzaak] exploiteerde in deze ruimte een bar. [gedaagde in de hoofdzaak] heeft het gehuurde verlaten op 8 maart 2022.
2.3.
Nadat de ouders van [eiseres] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] waren overleden (vader op 26 maart 2002 en moeder op 7 november 2006) is [eiseres] aanvankelijk door de erfgenamen aangewezen als incassogemachtigde. Op een later moment ontstond daarover tussen de gerechtigden tot de nalatenschap onenigheid. Dit heeft ertoe geleid dat [eiseres] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] samen met hun broer [naam] een vordering in kort geding hebben ingesteld tegen hun broer [naam]. Bij vonnis van 3 oktober 2014 (KG 2014/105) heeft het Gerecht [naam] onder meer verboden om beheersdaden met betrekking tot het hotel te verrichten inclusief het collecteren van huur. Tevens is in datzelfde vonnis het dagelijks en financieel beheer van het hotel opgedragen aan [eiseres]. Daartoe had [eiseres] op 31 juli 2014 de naamloze vennootschap [naam] N.V. opgericht, hierna verder: de N.V., waarvan zij statutair bestuurder en tevens zaakgelastigde is.
2.4.
Van oktober 2014 tot en met oktober 2018 heeft [gedaagde in de hoofdzaak] de door hem maandelijks verschuldigde huur van USD 800,- overgemaakt op de bankrekening van de N.V.
2.5.
Tussen [gedaagde in de vrijwaringszaak] en [gedaagde in de hoofdzaak] is op 22 januari 2020 met betrekking tot de bar een schriftelijke huurovereenkomst gesloten. In de considerans van deze overeenkomst staat vermeld:
“-that said premises form part of a building which belongs in ownership to the heirs of the late E [naam]];
-that on May 14th 1984 said [gedaagde in de vrijwaringszaak] granted Landlord ([naam]) permission to construct a Snack bar/Salon and as a consequence that Landlord is entitled to the use of the premises as well as to the rental proceeds;
-that the representatives of said Estate have been collecting rent of Tennant for some time, which situation Landlord [gedaagde in de vrijwaringszaak] wishes to correct;”.
2.6. [
gedaagde in de hoofdzaak] heeft op 7 januari 2021 bij het Korps Politie Sint Maarten aangifte gedaan van vernieling van een waterpomp met bijbehorende pijpleiding door [eiseres] op 26 januari 2020, waardoor hij schade heeft geleden van ongeveer USD 300,- In de aangifte staat vermeld:
“That same day in the evening around 17:15 o’clock she came back to the building and she called the police. When the police arrived they spoke to both of us and in the presence of the police officers she became aggressive. She tore the waterpump from the wall and smashed it on the ground into pieces. The waterpipe and waterpump belongs to my bar. I am the one who put both of them there with her father’s permission.”
2.7.
In een tussen [gedaagde in de vrijwaringszaak] en de N.V. en [gedaagde in de hoofdzaak] gevoerde procedure oordeelde het Gerecht bij vonnis van 25 februari 2022 in kort geding onder meer dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] en [gedaagde in de hoofdzaak] door het sluiten van een schriftelijke huurovereenkomst willens en wetens hebben bewerkstelligd dat de door [gedaagde in de hoofdzaak] verschuldigde huurpenningen niet langer aan de N.V. maar aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] worden betaald. Het Gerecht oordeelde daarover als volgt:
“Dat is onrechtmatig jegens de boedel waarvan te gelden heeft dat [naam eiseres] op grond van het eerdere kortgedingvonnis met het beheer is belast. De huur moet worden betaald aan de boedel via [naam eiseres], althans de door haar als hulppersoon daarvoor aangewezen N.V.
Partijen zijn het erover eens dat deze huurpenningen in de onverdeelde boedel vallen en dus uiteindelijk moeten worden verdeeld. De deelgerechtigden moeten samen een akkoord bereiken over de verdeling van de opbrengsten, zoals de huurpenningen, uit de boedel al dan niet vooruitlopende op een definitieve verdeling. In die zin is de Agreement tussen [naam] en [gedaagde in de hoofdzaak], naar voorlopig oordeel, ronduit onverstandig te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak] als betalende huurder is immers exit omdat hij stopte met huurbetalingen aan de N.V. maar betaalde aan [naam gedaagde in de vrijwaringszaak] die deze niet afdroeg aan de boedel.”
Het Gerecht voegde daar nog de volgende overweging aan toe:
“Het Gerecht slaakt de verzuchting dat de deelgenoten er al jarenlang niet in slagen tot een verdeling te komen. De oorzaak daarvan lijkt niet uitsluitend zakelijk te zijn, maar ligt ook aan de persoonlijke verhoudingen. Dit dispuut is een gevolg daarvan en vormt slechts één van de vele (kort geding) procedures die zijn gevoerd. Voor het Gerecht is het belangrijk dat de structuur van [naam eiseres], met behulp van de N.V., als beheerder van de onverdeelde boedel in stand wordt gehouden. Als andere deelgenoten het daarmee niet eens zijn, moeten zij vooral de weg van Boek 4 en/of Boek 3 bewandelen door een executeur of vereffenaar te (laten) benoemen, verantwoording over het gevoerde beheer door [naam eiseres] te vorderen of een (al dan niet partiële) verdeling te vorderen.”
Geschil
3.1.
In de hoofdzaak vordert [eiseres] in conventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde in de hoofdzaak] tot betaling van USD 67.860,- vermeerderd met 15% buitengerechtelijke kosten over de hoofdsom, zijnde USD 10.179,-.
3.2. [
eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde in de hoofdzaak] heeft tussen 2007 en 2012 USD 35.060,- te weinig aan huur betaald. Daarbij is rekening gehouden met een bedrag van USD 10.000,- dat door de ouders van [eiseres] nog als tegemoetkoming aan [gedaagde in de hoofdzaak] in het vooruitzicht was gesteld. Na verrekening resteert het bedrag van USD 35.060,-. Vervolgens heeft [gedaagde in de hoofdzaak] vanaf november 2018 geen huur meer betaald. Hij is daarom aan achterstallige huur c.q. gebruiksvergoeding in de periode van 1 oktober 2021 tot 1 maart 2022 in totaal nog USD 32.800,- verschuldigd.
De deelgerechtigden in de nalatenschappen van [naam] en [naam] zijn als eigenaren van het hotel aan te merken en daarmee als de verhuurder aan wie de huurpenningen toekomen. [eiseres] is terzake inningsbevoegd omdat zij door de rechter met het beheer is belast.
3.3. [
gedaagde in de hoofdzaak] heeft in conventie het volgende tot verweer gevoerd. [eiseres] is zelf een huurovereenkomst aangegaan, zonder toestemming van de andere erfgenamen. Zij heeft daarom geen vorderingsrecht. De huurschuld van USD 35.060,- is in elk geval verjaard, nu van rechtsgeldige stuiting geen sprake is geweest. Het gehuurde behoort bovendien aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] in eigendom toe en niet aan de onverdeelde gemeenschap, omdat zij in het verleden toestemming van haar vader heeft gekregen om een bar en restaurant op te richten.
3.4.
In de hoofdzaak in reconventie vordert [gedaagde in de hoofdzaak] dat het Gerecht bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(i.) voor recht zal verklaren dat [eiseres] vanwege feitelijke en/of rechtsstoornissen, dan wel eigenrichting onrechtmatig jegens hem handelde;
(ii.) [eiseres] zal bevelen de daardoor geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat;
(iii.) zal bevelen dat [gedaagde in de hoofdzaak] een mogelijke huurschuld aan [eiseres] mag verrekenen met zijn vordering voor schadeloosstelling;
(iv.) [eiseres] veroordeelt in de proceskosten;
3.5. [
eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.7.
In de vrijwaringszaak vordert [gedaagde in de hoofdzaak] de veroordeling van [gedaagde in de vrijwaringszaak] tot al hetgeen waartoe hij als gedaagde in conventie in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld.
3.8. [
gedaagde in de vrijwaringszaak] heeft geen verweer gevoerd. Tegen haar is verstek verleend.
Beoordeling
in de hoofdzaak
conventie
4.1.
Het Gerecht gaat voorbij aan het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde in de hoofdzaak].
Daarin wordt verondersteld dat [eiseres] na het overlijden van haar ouders een nieuwe huurovereenkomst met [gedaagde in de hoofdzaak] is aangegaan waarvoor zij dan geen toestemming van de andere erfgenamen zou hebben verkregen, maar daarvan ontbreekt ieder spoor. Op basis van de in het dossier beschikbare gegevens houdt het Gerecht het ervoor dat [gedaagde in de hoofdzaak] na dat overlijden het gehuurde is blijven gebruiken op dezelfde voorwaarden zoals hij deze had afgesproken met de vader van [eiseres] en [gedaagde in de vrijwaringszaak]. Die huurovereenkomst is rechtens blijven voortbestaan, nu de dood van de verhuurder de huur niet doet eindigen.
4.2.
Aan het feit dat de beslissing van de huurcommissie van 5 maart 2021 is gegeven tussen de N.V. als verhuurder en [gedaagde in de hoofdzaak] als huurder, en in het verlengde daarvan die procespartijen ook zijn vermeld in de beschikking van het Gerecht van 27 augustus 2021 waarbij op het beroep tegen de beslissing van de huurcommissie is beslist, komt geen betekenis toe. Dat is slechts het resultaat geweest van de inleiding van het aan de huurcommissie gedane verzoek, maar weerspiegelde niet de rechtens bestaande toestand zoals hiervoor uiteengezet. Er is dus ten onrechte aangenomen dat tussen de N.V. en [gedaagde in de hoofdzaak] sinds 1 april 1994 een huurovereenkomst bestaat, zoals in de beschikking van het Gerecht van 27 augustus 2021 staat vermeld. Dat dit niet juist kan zijn blijkt al uit de oprichtingsdatum van de N.V. Dat [eiseres] in haar verzoek aan de huurcommissie wel de N.V. heeft vermeld, is enkel terug te voeren op het vonnis van de kortgedingrechter van 3 oktober 2014 waarin de N.V. als hulppersoon is aangewezen voor de aan [eiseres] te verrichten huurbetalingen.
4.3.
Het Gerecht volgt deze beslissing van de kortgedingrechter, die nog eens is herhaald in het vonnis in kort geding van 25 februari 2022, en neemt daarmee tot uitgangspunt dat [eiseres] op basis van die beslissingen gerechtigd was om voor de boedel de huur te innen van [gedaagde in de hoofdzaak]. Die maandelijkse betalingen heeft [gedaagde in de hoofdzaak] sinds oktober 2014 ook een aantal jaren gedaan door overboeking op de bankrekening van de N.V., totdat hij door [gedaagde in de vrijwaringszaak] op een dwaalspoor werd gebracht.
Het vonnis van 25 februari 2022 kwalificeerde dat als onrechtmatig jegens de boedel, welk voorlopig oordeel juist voorkomt en op dezelfde gronden wordt overgenomen. Datzelfde geldt voor de eerdere huurovereenkomst tussen [gedaagde in de hoofdzaak] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] die na het overlijden van [naam] en [naam] per 1 januari 2020 is gesloten omdat die overeenkomst evenzeer te kort deed aan de juiste eigendomsverhouding ten aanzien van het gehuurde. [gedaagde in de hoofdzaak] heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] de eigenaar van het gehuurde was/is, maar dat volgt niet uit de kadastrale gegevens en is enkel gebaseerd op de rol die zij met instemming van haar vader zou hebben gespeeld bij het oprichten of faciliteren van het gehuurde op zijn eigendomsgrond. Als dat al zo is, dan heeft dat zakenrechtelijk geen gevolg gehad. Een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking zal door [gedaagde in de vrijwaringszaak] in het kader van de verdeling van de boedel aan de orde moeten worden gesteld. Het kan voor [gedaagde in de hoofdzaak] niet dienen als deugdelijk verweer tegen de ingestelde vordering.
4.4.
Waar [eiseres] haar inningsbevoegdheid terecht baseert op het vonnis van de kortgedingrechter van 3 oktober 2014, wordt door het Gerecht echter aangenomen dat dit slechts ziet op toekomstige huurpenningen. Pas met dat vonnis is immers het dagelijks en financieel beheer aan [eiseres] opgedragen. Dit betekent dat zij niet gerechtigd is huurpenningen te innen over een periode voor 3 oktober 2014.
Dat deel van de vordering (USD 35.060,-) wordt daarom afgewezen. Mogelijk is in deze periode aan meerdere deelgenoten in de nalatenschap van [naam] en [naam] door [gedaagde in de hoofdzaak] de huur betaald, zoals hij stelt te hebben gedaan. Of dat zo is, en zo niet, of de boedel dan nog een vordering heeft op [gedaagde in de hoofdzaak] ondanks diens beroep op verjaring, kan hier verder buiten beschouwing blijven.
4.5. [
gedaagde in de hoofdzaak] heeft vanaf november 2018 de huur niet bevrijdend kunnen betalen aan [gedaagde in de vrijwaringszaak]. Uit zijn verweer volgt dat hij dit wel heeft gedaan. Het beroep op een opschortingsrecht wegens verminderd huurgenot heeft [gedaagde in de hoofdzaak] niet meer herhaald, nadat het Gerecht daarover in de beschikking van 27 augustus 2021 al een duidelijke beslissing heeft gegeven. De onbetaald gelaten huur c.q. gebruiksvergoeding vanaf november 2018 bedraagt, onbestreden, USD 32.800,- welk bedrag toewijsbaar is.
Ook de daarover gevorderde wettelijke rente is, onbestreden, toewijsbaar.
[eiseres] heeft ook nog een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten gevorderd ter grootte van 15% van de hoofdsom. Er is echter niet gesteld noch gebleken dat zij daadwerkelijk meer kosten heeft gemaakt dan het door haar in het inleidend verzoekschrift vermelde bedrag van USD 90,- zodat de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten daartoe wordt beperkt.
4.6.
Als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde in de hoofdzaak] in de proceskosten worden veroordeeld die tot op heden worden gesteld op NAf 1.220,- aan griffierecht en NAf 240,50 aan explootkosten, in totaal derhalve NAf 1.460,50.
reconventie
4.7.
Aan de vorderingen in reconventie legt [gedaagde in de hoofdzaak] stoornissen in zijn huurgenot ten grondslag, veroorzaakt door zowel rechts- als feitelijke stoornissen waarvoor hij [eiseres] wegens onrechtmatig handelen aansprakelijk acht.
4.8.
De beweerde rechtsstoornissen heeft [gedaagde in de hoofdzaak], zo begrijpt het Gerecht, afhankelijk gesteld van het oordeel in conventie of hij gedurende de looptijd van de huurovereenkomst de huur aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] mocht betalen. Dat is niet het geval en reeds daarom komt het Gerecht niet toe aan een beoordeling van dit deel van de vordering.
4.9.
Blijft over de beweerde feitelijke stoornissen, die [gedaagde in de hoofdzaak] behoudens het incident waarvan hij aangifte heeft gedaan bij de politie, niet naar behoren heeft uitgewerkt.
[gedaagde in de hoofdzaak] heeft in zoverre niet aan zijn stelplicht voldaan. De in de aangifte omschreven verwijdering van een waterpomp op 26 januari 2020, heeft [eiseres] erkend. Zij stelt echter dat deze pomp geen deel uitmaakte van de huurovereenkomst en zich bevond aan de buitenzijde van het hotel. Zij mocht daarom de pomp verwijderen nadat zij tevergeefs aan [gedaagde in de hoofdzaak] had gevraagd dat te doen. Op dit verweer is [gedaagde in de hoofdzaak] niet nader ingegaan en hij heeft in zoverre zijn vordering onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.
4.10.
Voor de beweerdelijke feitelijke stoornissen in het huurgenot heeft [gedaagde in de hoofdzaak] dus onvoldoende gesteld en het gevoerde verweer niet afdoende weerlegd, zodat de vorderingen op deze grond niet kunnen worden toegewezen. Ten overvloede overweegt het Gerecht nog dat voor de kwestie van de waterpomp, zou daarover anders zijn geoordeeld, geen verwijzing naar de schadestaat zou hebben gevolgd.
Dictum
Het Gerecht:
In de hoofdzaak:
conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van USD 32.800,- vermeerderd met de wettelijke rente over de in dit bedrag begrepen huurtermijnen c.q. gebruiksvergoeding van USD 800,- per maand gerekend vanaf de respectieve data van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak] tot betaling van een bedrag van USD 90,- als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;
5.3.
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 1.460,50;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde;
reconventie
5.6.
wijst de vorderingen af;
5.7.
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het geding die aan de zijde van [eiseres] kunnen worden begroot op nihil;
In de vrijwaringszaak:
5.8.
veroordeelt [gedaagde in de vrijwaringszaak] tot betaling aan [gedaagde in de hoofdzaak] van bedragen van
USD 32.800,- en USD 90,-;
5.9.
veroordeelt [gedaagde in de vrijwaringszaak] in de kosten van het geding die aan de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak] kunnen worden begroot op NAf 1.749,50;
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024.