Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2021-04-20
ECLI:NL:OGEAM:2021:37
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,135 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM201901153
Vonnis d.d. 20 april 2021
inzake
de rechtspersoon naar vreemd recht
[A],
gevestigd in Carson City, Nevada, Verenigde Staten van Amerika
eiseres,
gemachtigde: mr. M.R.B. GORSIRA,
tegen
1de naamloze vennootschap [B] N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
2. [C],
wonende in Saint Martin (F.W.I.),
gedaagden,
gemachtigde: mr. E.F. KEUNING.
Partijen worden hierna aangeduid als [A], [B] en [C], tenzij hierna anders is vermeld.
1Het procesverloop
1.1.
Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
verzoekschrift met producties, ontvangen op 22 oktober 2019,
akte houdende vermeerdering van eis ter zake beslagkosten met producties,
incidentele conclusie en (voorwaardelijke) conclusie van antwoord met producties,
e conclusie van antwoord in de beide incidenten,
het tussenvonnis van 1 september 2020,
de conclusie van repliek,
de conclusie van dupliek,
producties van [B] en [C],
pleitnota van [B] en [C],
pleitnota van [A].
1.2.
De pleitzitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2021 in aanwezigheid van gemachtigden en [C] voor zich en namens [B]. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.
Feiten
2.1. [
B], met als statutair bestuurder [C], heeft op 10 augustus 2016 met [A] een tweetal leaseovereenkomsten afgesloten. [A] heeft de beide vliegtuigen aan [B] ter beschikking gesteld. [B] heeft niet voldaan aan haar betalingsverplichtingen. [C] heeft zich in de leaseovereenkomsten garant gesteld voor de nakoming door [B] van diens verbintenissen uit deze beide overeenkomsten.
2.2.
In artikel 30.0 van de leaseovereenkomsten (hierna: de forumclausule) is het volgende tussen partijen overeengekomen:
“30.1 This Agreement and the rights of the parties hereto shall in every respect be governed by, and construed, interpreted and applied in accordance with, the substantive laws of the State of Oklahoma, United States of America, without regard to the principles of conflicts of law thereunder. In the absence of U.S. federal jurisdiction proper jurisdiction regarding any question related to this Agreement shall be the State Court for Pottawatomie County, State of Oklahoma, with proper venue therein being exclusively in Oklahoma. Should U.S. federal jurisdiction be exercised, proper jurisdiction regarding any question related to this Agreement shall be in the federal District Court for the State of Oklahoma, with proper venue therein being exclusively in Oklahoma City, Oklahoma.”
2.3. [
A] heeft dit geschil voorgelegd aan de rechter. Op 3 augustus 2018 is door The United States District Court for the Western District of Oklahoma (hierna: de US Court) beslist dat het verzoek van [A] om een summary judgment te wijzen wordt ingewilligd. De conclusie van de inhoudelijke overwegingen luidt als volgt:
“Therefore, having carefully reviewed the submissions of the parties and viewing the evidence and all reasonable inferences in the light most favorable to the Defendants, the Court finds there is no genuine issue of material fact for trial and Plaintiff is entitled to summary judgment of this claim.”
2.4.
Dezelfde dag wordt door het US Court beslist dat er vonnis wordt gewezen “in favor of Plaintiff”, zonder dat daarin bedragen zijn genoemd.
2.5.
Op 23 april 2019 wordt ten gunste van [A] vonnis gewezen. Dit Amended Judgment (hierna: het Amerikaanse vonnis) luidt als volgt:
“Having determined by separate order that plaintiff is entitled to judgment as a matter of law, as well as reasonable attorneys’ fees, costs, and other damages, the Court hereby enters judgment in favor of Plaintiff [A] EQUIPMENT, LLC and against Defendants [B] N.V. d/b/a/ JET BUDGET, and CHRISTOPHE [C], an individual, in the amount of $415,970.03 plus accrued interest through August 15, 2018, in the amount of $118,252.85 plus interest accruing thereafter, until paid.”
2.6.
In deze procedure hebben [B] en [C], bijgestaan door een Amerikaanse advocaat, op 29 september 2017 een processtuk (“Defendants’ Answer and Counterclaims”, 11 pagina’s) ingediend. Op bladzijde 4 en 5 komen hun belangrijkste verweren aan de orde:
“8. Plaintiff failed to fulfill its obligation to deregister the Aircraft, as contemplated in the Lease Agreements, thereby preventing the legal use of the Aircraft by Jet Budget and frustrating the basic purpose of the Lease Agreements and Guaranties.
9. Plaintiff failed to fulfill its obligations to provide parts, tooling and equipment for the Aircraft, as contemplated in the Lease Agreements, thereby preventing the legal use of the Aircraft by Jet Budget and frustrating the basic purpose of the Lease Agreements and Guaranties.”
Verderop in de Counterclaim gaan [B] en [C] gedetailleerder in op de verwijten die zij [A] maken.
2.7.
Op 22 juni 2018 dienen [B] en [C] een 30 pagina’s tellend processtuk in, getiteld: “Defendants’ Objection and Response to Plaintiff’s Motion for Summary Judgment and Supporting Brief.” Tevens wordt diezelfde dag een “Declaration of Christophe [C]” (5 pagina’s) ingediend alsmede een 3 pagina’s tellende verklaring van K. [D], medewerker van de luchtvaartautoriteit op Sint Maarten.
Geschil
3.1. [
A] vordert, na eisvermeerdering dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het Gerecht gedaagden hoofdelijk, zodanig dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van:
USD 534.222,88, te vermeerderen met 18% rente vanaf 16 augustus 2018 tot aan de dag van algehele voldoening,
vergoeding van de door [A] in verband met conservatoire beslagen gemaakte kosten ter hoogte van NAf. 8.600,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over NAf. 4.812,15 vanaf 11 oktober 2019 tot en met 28 november 2019 en over NAf. 8.600,40 vanaf 29 november 2019 tot aan de dag van algehele voldoening,
de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
3.2.
Door gedaagden wordt gevraagd dat het Gerecht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, als volgt beslist:
Primair: de vorderingen van [A] af te wijzen,
Subsidiair: dat het geschil tussen partijen in zijn geheel opnieuw zal worden behandeld door het Gerecht en partijen de gelegenheid te geven hun inhoudelijke standpunten daarover volledig uiteen te zetten,
Meer subsidiair: de volgende componenten van de vorderingen van [A] te matigen tot een door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag:
- de kostenveroordeling,
- de buitengerechtelijke incassokosten,
- de boetes en de rentes tot aan de dag van het laatste Amerikaanse vonnis,
- het verschuldigde rentepercentage vanaf de dag van het Amerikaanse vonnis te stellen op de wettelijke rente zoals vastgesteld door de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten,
alles met veroordeling van [A] in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
3.3.
Op de argumenten van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Eisvermeerdering
4.1.
Tegen de eisvermeerdering is door [B] en [C] geen bezwaar gemaakt zodat daarop recht kan worden gedaan.
De toe te passen norm
4.2.
Artikel 431 Rv bepaalt dat, tenzij er een verdrag bestaat, beslissingen van vreemde rechters in Sint Maarten niet ten uitvoer worden gelegd. De buitenlandse procedures kunnen opnieuw bij de rechter hier te lande worden behandeld en afgedaan. In zijn arrest van 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2838 Gazprom) heeft de Hoge Raad hierover regels gegeven (herhaald in ECLI:NL:HR:2019:54 Promneftstroy/Yukos Finance). Uitgangspunt is dat een buitenlandse beslissing in beginsel wordt erkend indien:
de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,
de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,
de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse (lees: Sint Maartense) openbare orde,
e buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegevens beslissing van de Sint Maartense rechter dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
De argumenten van [B] en [C]
4.3. [
B] en [C] voeren aan dat het Amerikaanse vonnis niet voldoet aan deze voorwaarden. Kort en zakelijk weergeven stellen zij het volgende:
de rechterskeuze en de keuze voor het Amerikaanse recht is door [A] eenzijdig opgelegd zodat er geen sprake is van wilsovereenstemming, waarmee de positie van [B] en [C] als “zwakkere partijen” geen recht wordt gedaan. Verwezen wordt naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. De overeenkomst heeft een nauwere band met Sint Maarten dan met de Verenigde Staten,
[C] is een Frans onderdaan en de forum- en rechtskeuze kunnen hem dus niet worden tegengeworpen. Zijn “personal guarantee” moet worden gezien als een separate overeenkomst die los staat van de leaseovereenkomsten. De Amerikaanse rechter had de forum non conveniens-leer moeten toepassen (zie artikel 97 Rv). Naar het recht van Sint Maarten zou dit een nietige borgtocht zijn (geen goedschrift, geen toestemming echtgenote, onduidelijkheid over de looptijd van de borgtocht, geen maximum bedrag),
[B] zag zich genoodzaakt de verdediging te staken wegens de astronomische kosten van rechtsbijstand. Die verschillen enorm van soortgelijke kosten in Frankrijk of Sint Maarten. Deze komt neer op 23 keer de proceskostenveroordeling die de Sint Maartense rechter zou opleggen, anders gezegd: 50% van de hoofdsom, en is dus nietig op grond van artikel 3:40 BW. Dit komt neer op punitive damages en dat is niet toegestaan onder het recht van Sint Maarten,
door de summary judgment heeft [B] zich niet in volle omvang kunnen verdedigen voor het Amerikaans gerecht, zeker gezien de wanverhouding tussen de hoofdsom en de kosten van rechtsbijstand. Dit komt neer op feitelijk een misslag, temeer nu er steeds meer bewijs boven water komt dat [A] zich bezighoudt met oneerlijke handelspraktijken. Er heeft geen feitenonderzoek plaatsgevonden in de Amerikaanse procedure terwijl daar alle aanleiding voor was,
de toegewezen rente van 18% per jaar is voor [C] als een oneerlijk beding aan te merken en dus ongeldig. Deze moet op grond van artikel 6:94 BW worden gematigd tot de wettelijke rente van 3% per jaar.
4.4. [
B] en [C] wijzen er nog op dat deze argumenten onderstrepen waarom er tussen de Verenigde Staten en het Koninkrijk der Nederlanden, waarvan Sint Maarten als zelfstandig land deel uitmaakt, geen verdrag tot stand is gekomen over de erkenning van elkaars rechterlijke uitspraken. De verschillen tussen de beide rechtsstelsels, zowel procedureel als qua feitenonderzoek, zijn te groot. Daarbij komt dat het voor de Caribische regio anders is dan wat de Hoge Raad voor de Nederlandse situatie heeft bedacht in het Gazprom-arrest. [B] en [C] waren voor de verhuur van deze vliegtuigen aangewezen op de Verenigde Staten. Meer in het algemeen geldt dat het voor Caribische partijen praktisch onmogelijk is om te ontsnappen aan het Amerikaanse rechtssysteem en dat leidt tot onrechtvaardige uitkomsten, zoals blijkt in deze zaak.
4.5.
Deze argumenten worden door [A] betwist.
De inhoudelijke overwegingen van het Gerecht
4.6.
Voorop wordt gesteld dat de Hoge Raad in het Gazprom-arrest in beginsel vindt dat als aan de vier vereisten is voldaan het buitenlandse vonnis op grond van artikel 431 lid 2 Rv kan “worden overgenomen” en de zaak op Sint Maarten niet opnieuw inhoudelijk behoeft te worden behandeld. Het Gerecht zal daarom de vier gronden doornemen.
4.7.
Het Gerecht overweegt dat partijen het erover eens zijn dat de d-grond van het Gazprom-arrest niet van belang is voor de beoordeling van deze kwestie; er is geen andere procedure.
4.8.
Anders dan [B] en [C] betogen is wel voldaan aan de a-grond. De forumclausule is rechtsgeldig overeengekomen in de leaseovereenkomsten. Dat is een internationaal algemeen aanvaarde bevoegdheidsgrond (zie ECLI:NL:HR:1993:ZC1183 en ECLI:NL:HR:1993:ZC1184). [B] en [C] betogen nog, als het ware in een moeite door, dat het Amerikaanse recht niet rechtsgeldig is overeengekomen. Daarover wordt geoordeeld dat in deze fase van de procedure dit geen onderwerp van debat kan zijn. Nu gaat het er alleen over of het Amerikaanse vonnis wordt erkend op grond van de regels uit het Gazprom-arrest. Daar heeft de rechtskeuze van partijen niets mee van doen.
4.9.
Wat betreft de b-grond treffen de argumenten van [B] en [C] wél doel. Het Gerecht overweegt daarover het volgende. Uit het vonnis van 3 augustus 2018, waarin de Amerikaanse rechter besluit tot een summary judgment, blijkt niet dat daarin de argumenten van [B] zijn betrokken betreffende het uitschrijven uit het Amerikaanse register en het inschrijven in het Sint Maartense luchtvaartregister. Uit de verklaring d.d. 1 augustus 2017 van de heer [D], namens de Sint Maartense luchtvaartautoriteit, die aan de Amerikaanse rechter is voorgelegd, blijkt dat het volgende schortte aan de prestaties van [A]:
de leaseovereenkomsten waren niet ondertekend door beide partijen (met name de “Affidavit of Delivery and Acceptance”);
de deregistration documentatie ontbrak;
“As you may know SMCAA (= Sint Maarten Civil Aviation Authority, GEA) was unable to control the necessary approved parts stock due to the non-delivery from the lessor”;
“As required by Sint Maarten laws and regulations any operator operating an aircraft must have the proper tools per type of aircraft to maintain the aircraft. As per your lease (Article 95) the Lessor were to provide …… (handelsnaam van [B], GEA) the equipment and tools.
Dictum
verwijst de zaak naar de civiele rolzitting van 15 juni 2021 voor conclusie na tussenvonnis zijdens [A],
bepaalt dat daarna [B] en [C] een antwoordconclusie na tussenvonnis mogen indienen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 20 april 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.