ECLI:NL:OGEAM:2017:80
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
S T R A F V O N N I S
in de zaak tegen de verdachte:
[VERDACHTE],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
thans alhier gedetineerd UAH.
1 Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Hart.
De officier van justitie, mr. D. Hazejager, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van feit 1 primair, feit 2 en feit 3 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd, strekkende tot vrijspraak.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Feit 1
dat hij op of omstreeks 28 december 2015, in Sint Maarten,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen althans eenmaal, met een mes, althans een schep en/of puntig voorwerp, in/op/tegen het hoofd en/of rug en/of de nek en/of de arm, in elk geval in/op tegen het lichaam van die [slachtoffer 1], heeft gestoken en/of gesneden zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf niet voltooid;
(artikel 2:259 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair
hij op of omstreeks 28 december 2015 te Sint Maarten, [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (snijwond(en) aan het hoofd en/of de rug en/of de nek en/of de arm en/of de pols, te weten een beperking in het gebruik en gevoel in de hand), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de nek en/of de arm, in elk geval in/op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1], te steken en/of te snijden;
(artikel 2:275 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair
hij op of omstreeks 28 december 2015 te Sint Maarten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de nek en/of de arm en/of de pols, in elk geval in/op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(artikel 2:275/276 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)
meest subsidiair
dat hij op of omstreeks 28 december 2015, in Sint Maarten, opzettelijk mishandelend, met gebruikmaking van een wapen, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, te weten een mes en/of een puntig voorwerp, [slachtoffer 1] opzettelijk meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de nek en/of de arm en/of de pols, in elk geval in/op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,
tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
(artikel 2:273/274 Wetboek van Strafrecht)
Feit 2
hij op of omstreeks 28 december 2015 te Sint Maarten, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk genoemde [slachtoffer 2] (van achteren) bij de nek vastgegrepen en/of een mes bij haar keel en/of hals heeft gehouden en/of dreigend de woorden toegevoegd:
” oh all you trying to kill me, I gone kill you first”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking geuit;
(2:273 Wetboek van Strafrecht)
Feit 3
dat hij op of omstreeks 28 december 2015, in Sint Maarten, op de openbare weg, te weten Backstreet, een wapen in de zin van de Wapenverordening, te weten een mes, althans een schep en/of puntig voorwerp, bij zich heeft gehad;(artikel 1 jo 11 van de Wapenverordening)
3 Voorvragen
3A. Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.
3B. Bevoegdheid van het Gerecht
Krachtens de wettelijke bepalingen is het Gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
3C. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
3D. Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.
4 Bewijsbeslissing - vrijspraak
Het Gerecht heeft niet de overtuiging bekomen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe is het volgende redengevend.
Uit het dossier volgt dat aangeefster [slachtoffer 1] het slachtoffer is geworden van een afschuwelijke aanval. Een man is haar woning binnengedrongen en heeft haar, kennelijk zonder aanleiding, levensgevaarlijk verwond door haar meermalen te steken met een mes. De dader heeft daarnaast aangeefster en haar dochter met de dood bedreigd. De vraag die het Gerecht dient te beantwoorden is of verdachte de dader van deze feiten is.
Het dossier bevat enkele aanwijzingen dat verdachte dader is. Zoals de officier van justitie heeft betoogd heeft de dader DNA achtergelaten, dat matcht met het DNA van verdachte. Daarnaast heeft de dochter van aangeefster verdachte herkend in een fotobewijsconfrontatie. Er zijn gelijkenissen tussen het signalement dat getuigen geven van de dader en het postuur van verdachte. En de feiten passen volgens de officier van justitie in zekere zin in het patroon, dat verdachte bij het plegen van eerdere misdrijven heeft vertoond.
Bij nadere beschouwing van deze aanwijzingen blijkt echter dat zij noch op zichzelf, noch in samenhang bezien dragend kunnen zijn voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
Het voornaamste bewijsmiddel is de DNA-match. Dit betreft niet een zogenaamde autosomale DNA-match, maar een Y-chromosomale match. Het NFI-rapport vermeldt: “Voor het vaststellen van de bewijskracht van de aangetroffen Y-chromosomale matches met het Y-chromosomale DNA-profiel van [verdachte] is het van belang om te weten hoe zeldzaam de matchende Y-chromosomale DNA-kenmerken zijn. Hoe zeldzamer de matchende Y-chromosomale DNA-profielen, hoe groter de bewijskracht van de match. (...) Dit betekent dat dit Y-chromosomale DNA-profiel wereldwijd zeldzaam is, maar sluit niet uit dat het regionaal vaker voor kan komen.” De conclusie van het rapport is vervolgens dat het zeer veel waarschijnlijker is dat het mannelijk celmateriaal afkomstig is van (verdachte), of van een in de mannelijke lijn aan (verdachte) verwante man, dan dat dit niet het geval is.
In de toelichting op het rapport is nog vermeld: “ In tegenstelling tot autosomale DNA-kenmerken erven Y-chromosomale DNA-kenmerken in principe onveranderd over van vader op zoon.
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte als feit 1, 2 en 3 tenlastegelegd is en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D. Gruijters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 6 september 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.