Rechtspraak 2026-06-08
ECLI:NL:OGEAC:2026:92
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202601546 Vonnis in kort geding van 8 juni 2026 in de zaak van [Eiser] , wonende op [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. L.F. Delfgauw, tegen 1 [Gedaagde 1], 2. [Gedaagde 2] , beiden wonende op [woonplaats], gedaagden. Partijen worden hierna “[eiser]” en “[gedaagden]” genoemd. 1 Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 7 mei 2026 en de producties 1 t/m 13, de akte aanvulling eis van 21 mei 2026, de pleitnotitie van mr. Delfgaauw, de spreekaantekeningen van [gedaagden] en de ter zitting bekeken foto’s, de mondelinge behandeling van 25 mei 2026. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [ eiser] en [gedaagden] zijn buren. 2.2. Op het perceel van [gedaagden] is een (gedeeltelijk) bouwwerk opgericht. 2.3. Op 22 november 2025 verstuurt [eiser] aan [gedaagden] een e-mail waarin hij bezwaar maakt tegen de bouw. In de brief staat: “Goedemiddag, Ik ben weer terug op Curacao en ben bijzonder onaangenaam verrast. Jullie hadden gezegd een klein appartement te bouwen waarvan ik mag verwachten dat dit conform de bouwvoorschriften gebeurd. De afstand van het bouwwerk tov de erfgrens dient een aantal meters te zijn. Het huidige bouwwerk staat echter op 60 resp 120 cm vanaf onze erfgrens. Waar nog een verdieping bovenop komt. Hiermee ben ik niet akkoord. Ik adviseer jullie om het werk te stoppen om niet onnodig meer kosten te maken aangezien ik eea neergelegd heb bij “handhaving” en indien verkeerd ik afbraak eis. Begrijp ook niet dat jullie dit zonder overleg doen, daarbij wordt de scheidingsmuur nu gebruikt voor bouwondersteuning en is op diverse plaatsen door spijkers al beschadigd. Denk dat het goed is dat jullie weten van mijn bezwaar voordat jullie beton gaan storten. Nu is eventuele afbraak nog simpel. (….)” 2.4. Op 26 november 2025, 30 november 2025, 8 december 2025, 29 januari 2026 en 7 april 2026 verstuurt [eiser] diverse e-mails aan [gedaagden] waarin hij onder meer schrijft dat hij bezwaar heeft gemaakt bij de afdeling Ruimtelijke Ordening en Planning van het ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: ROP) en [gedaagden] verzoekt om niet verder te gaan met de bouw totdat het ROP met een uitspraak komt. [gedaagden] reageert niet op deze brieven. 2.5. Op 30 november 2025 schrijft [gedaagden] een brief aan het ROP en daarin staat: “Beste heer [belanghebbende 1], Door een misbegrip van de gegevens op de goedgekeurde bouwtekening en van de voorwaarden die in de bouwvergunning brief staan, is het gebouw reeds over de rioolijn uitgezet en gebouwd. Uw medewerkers hebben daarom de bouw stop gezet. Hiervoor willen we onze gemeende excuses aanbieden en wensen graag de mogelijkheid tot dispensatie voor het afwijken van de rioolijn. Graag vernemen wij van u de evt. procedure voor deze aanvraag. “ 2.6. Op 21 mei 2026 schijft het ROP een brief aan [gedaagden] en daarin staat: “(….) Op de situatietekening die onderdeel uitmaakt van deze bouwvergunning zijn een voorgevelrooilijn van 5 meter en een zijgevelrooilijn van 2 meter aangegeven, waarbinnen gebouwd diende te worden. Bij controle is echter gebleken dat voor beide rooilijnen een afstand van ongeveer 1,20 meter is aangehouden. Hierdoor is in afwijking van de verleende bouwvergunning gebouwd. Artikel 12 van de Bouw- en Woningverordening (BWV) stelt uitsluitend eisen aan gevels van een woning dien niet aan de weg zijn gelegen. Daarbij geldt dat de afstand tussen de zij- of achtergevels en aangrenzende gebouwen ten minste gelijk moet zijn aan de helft van de hoogte van de aangrenzende gevel, met een minimum van 2,5 meter. Voor gevelzijden die aan de weg zijn gelegen, geldt deze eis niet, conform artikel 13, onder a, van de BWV. (….) De afstand tussen de zijgevel en de aangrenzende woning aan [adres 1] bedraagt circa 4,60 meter. Deze afstand is groter dan de helft van de bouwhoogte van 7 meter, waardoor wordt voldaan aan artikel 12 van de BWV. Om die reden kan eveneens worden i