Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2026-05-06
ECLI:NL:OGEAC:2026:65
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bodemzaak
14,987 tokens
Volledig
ECLI:NL:OGEAC:2026:65 text/xml public 2026-05-20T15:52:39 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 2026-05-06 CUR202501570 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2026:65 text/html public 2026-05-20T15:50:42 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEAC:2026:65 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 06-05-2026 / CUR202501570 De beroepsgrond dat de minister het bouwplan had moeten toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust slaagt. Eiseres heeft verder beroepsgronden aangevoerd over kort gezegd het ontbreken van een deugdelijk waterafvoerplan, ontsiering van en hinder voor de omgeving als gevolg van het bouwplan en de vereisten betreffende de weg en het verkeer. Deze gronden slagen niet. De bouwvergunning zal worden vernietigd. De minister zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bouwaanvraag met inachtneming van het verkavelingsplan. GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: [eiseres], eiseres, wonende te Curaçao, en de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP), verweerder, gemachtigde: mr. A.C. van Hoof, met als derde belanghebbende: [vergunninghouder], vergunninghouder. Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres, de minister en de vergunninghouder genoemd. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de bouwvergunning met nummer 389-2024 voor het bouwen van een opslagloods. 1.1 De minister heeft deze bouwvergunning verleend bij beschikking, voorzien van een stempel van 26 maart 2025 (de bestreden beschikking). 1.2 Eiseres heeft op 13 mei 2025 pro forma beroep ingesteld tegen deze bouwvergunning. Op dat moment had eiseres nog niet de beschikking over de bouwvergunning met bijbehorende stukken. 1.3 Op 12 juni 2025 heeft het Gerecht de minister in kennis gesteld van het ingestelde beroep en hem verzocht om binnen twee weken alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Omdat een reactie van de minister uitbleef, is een nieuwe termijn gesteld. Op 19 augustus 2025 mailt mr. Van Hoof dat hij zich stelt als gemachtigde voor de minister. Het Gerecht bepaalt daarop wederom een nieuwe termijn voor het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Op 19 september 2025 en aanvullend op 24 september 2025 heeft de minister de bestreden beschikking met bijbehorende bouwtekeningen en overige stukken opgestuurd. 1.4 Op 22 oktober 2025 heeft het Gerecht een regiezitting gehouden. Eiseres is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. E.A.M.J. van den Berg. De vergunninghouder is verschenen, vergezeld van [eigenaar bouwperceel]. Op de zitting heeft het Gerecht afspraken met partijen gemaakt over het controleren van de door de minister ingediende stukken op compleetheid en vervolgens het indienen van aanvullende gronden door eiseres, een verweerschrift van de minister en een schriftelijke zienswijze van de vergunninghouder. 1.5 Eiseres heeft op 2 december 2025 aanvullende gronden ingediend. Op 12 december 2025 heeft de vergunninghouder een schriftelijke zienswijze ingediend. De minister heeft op 22 december 2025 een verweerschrift ingediend. 1.6 Het Gerecht heeft het beroep op 4 maart 2026 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De vergunninghouder is verschenen, vergezeld van [eigenaar bouwperceel] die de zitting via een videoconference verbinding heeft bijgewoond. Na afloop van de behandeling heeft de vergunninghouder op verzoek van het Gerecht een bouwtekening van de bij de bouwvergunning 389-2024 vergunde loods ingediend waaruit de bouwhoogte blijkt. Beoordeling door het Gerecht 2.1 Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 2.2 Het beroep is ontvankelijk omdat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. De beroepsgrond dat de minister het bouwplan had moeten toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust slaagt. Eiseres heeft verder beroepsgronden aangevoerd over kort gezegd het ontbreken van een deugdelijk waterafvoerplan, ontsiering van en hinder voor de omgeving als gevolg van het bouwplan en de vereisten betreffende de weg en het verkeer. Deze gronden slagen niet. De bouwvergunning zal worden vernietigd. De minister zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bouwaanvraag met inachtneming van het verkavelingsplan. 2.3 Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het beroep van eiseres ontvankelijk? 3.1 Het Gerecht staat ambtshalve stil bij de vraag of het beroep ontvankelijk is. 3.2 Artikel 16, eerste lid, van de Lar bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven. Artikel 16, tweede lid, van de Lar bepaalt dat de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt geldt als de dag waarop deze is gegeven. Volgens het vierde lid van artikel 16 van de Lar blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege, wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. 3.3 De beschikking is gestempeld op 26 maart 2025. Onduidelijk is of de beschikking op die datum is verzonden of uitgereikt als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Lar. Ook als het Gerecht ervan uit zou gaan dat dit de datum van verzending of uitreiking is, is het beroep ontvankelijk omdat in dat geval naar het oordeel van het Gerecht sprake is van een verschoonbare termijn. Het Gerecht stelt vast dat de beroepstermijn dan is aangevangen op 27 maart 2025 en liep tot en met 7 mei 2025. Het Gerecht stelt verder vast dat eiseres een beroepschrift heeft ingediend op 13 mei 2025, na afloop van de beroepstermijn. Eiseres heeft onweersproken aangevoerd dat zij pas op 13 mei 2025 heeft vernomen dat een bouwvergunning met aanvraagnummer 389/2024 is verleend voor het bouwen van een loods op het perceel ten westen van haar perceel. Eiseres heeft op diezelfde dag, op 13 mei 2025, pro forma beroep ingesteld. Van andere aanwijzingen dat eiseres op een eerder moment kennis had kunnen nemen van de bouwvergunning is het Gerecht niet gebleken. Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat eiseres de beroepstermijn verschoonbaar heeft overschreden en dat haar beroep ontvankelijk is. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 4.1 Bouwvergunning 389-2024 is verleend voor het bouwen van een opslagloods op het perceel aan de Saturnusstraat [nummer] (het bouwperceel). Deze opslagloods is inmiddels gerealiseerd en behoort bij een showroom ten behoeve van horeca-apparatuur. De showroom is op basis van een eerdere bouwvergunning (273-2023) gebouwd op een aan het bouwperceel grenzend perceel, gelegen aan de Caracasbaaiweg. 4.2 Het perceel van eiseres grenst direct aan de westzijde van het bouwperceel. Waarom heeft de minister de bouwvergunning verleend? 5. De minister heeft zich bij het nemen van de bestreden beschikking gebaseerd op het advies van de Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning (UO ROP) van 18 maart 2025 en het advies van de Brandweer Curaçao (brandweer) van 17 februari 2025. UO ROP concludeert mede op het advies van de brandweer dat geen van de weigeringsgronden van artikel 22 van de Bouw- en woningverordening (Bwv) zich voordoet. Dat betekent volgens de minister dat hij de bouwvergunning moest verlenen. Wat voert eiseres aan en wat vindt het Gerecht daarvan? 6.
Volledig
ECLI:NL:OGEAC:2026:65 text/xml public 2026-05-20T15:52:39 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 2026-05-06 CUR202501570 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2026:65 text/html public 2026-05-20T15:50:42 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEAC:2026:65 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 06-05-2026 / CUR202501570 De beroepsgrond dat de minister het bouwplan had moeten toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust slaagt. Eiseres heeft verder beroepsgronden aangevoerd over kort gezegd het ontbreken van een deugdelijk waterafvoerplan, ontsiering van en hinder voor de omgeving als gevolg van het bouwplan en de vereisten betreffende de weg en het verkeer. Deze gronden slagen niet. De bouwvergunning zal worden vernietigd. De minister zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bouwaanvraag met inachtneming van het verkavelingsplan. GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: [eiseres], eiseres, wonende te Curaçao, en de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP), verweerder, gemachtigde: mr. A.C. van Hoof, met als derde belanghebbende: [vergunninghouder], vergunninghouder. Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres, de minister en de vergunninghouder genoemd. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de bouwvergunning met nummer 389-2024 voor het bouwen van een opslagloods. 1.1 De minister heeft deze bouwvergunning verleend bij beschikking, voorzien van een stempel van 26 maart 2025 (de bestreden beschikking). 1.2 Eiseres heeft op 13 mei 2025 pro forma beroep ingesteld tegen deze bouwvergunning. Op dat moment had eiseres nog niet de beschikking over de bouwvergunning met bijbehorende stukken. 1.3 Op 12 juni 2025 heeft het Gerecht de minister in kennis gesteld van het ingestelde beroep en hem verzocht om binnen twee weken alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Omdat een reactie van de minister uitbleef, is een nieuwe termijn gesteld. Op 19 augustus 2025 mailt mr. Van Hoof dat hij zich stelt als gemachtigde voor de minister. Het Gerecht bepaalt daarop wederom een nieuwe termijn voor het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Op 19 september 2025 en aanvullend op 24 september 2025 heeft de minister de bestreden beschikking met bijbehorende bouwtekeningen en overige stukken opgestuurd. 1.4 Op 22 oktober 2025 heeft het Gerecht een regiezitting gehouden. Eiseres is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. E.A.M.J. van den Berg. De vergunninghouder is verschenen, vergezeld van [eigenaar bouwperceel]. Op de zitting heeft het Gerecht afspraken met partijen gemaakt over het controleren van de door de minister ingediende stukken op compleetheid en vervolgens het indienen van aanvullende gronden door eiseres, een verweerschrift van de minister en een schriftelijke zienswijze van de vergunninghouder. 1.5 Eiseres heeft op 2 december 2025 aanvullende gronden ingediend. Op 12 december 2025 heeft de vergunninghouder een schriftelijke zienswijze ingediend. De minister heeft op 22 december 2025 een verweerschrift ingediend. 1.6 Het Gerecht heeft het beroep op 4 maart 2026 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De vergunninghouder is verschenen, vergezeld van [eigenaar bouwperceel] die de zitting via een videoconference verbinding heeft bijgewoond. Na afloop van de behandeling heeft de vergunninghouder op verzoek van het Gerecht een bouwtekening van de bij de bouwvergunning 389-2024 vergunde loods ingediend waaruit de bouwhoogte blijkt. Beoordeling door het Gerecht 2.1 Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 2.2 Het beroep is ontvankelijk omdat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. De beroepsgrond dat de minister het bouwplan had moeten toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust slaagt. Eiseres heeft verder beroepsgronden aangevoerd over kort gezegd het ontbreken van een deugdelijk waterafvoerplan, ontsiering van en hinder voor de omgeving als gevolg van het bouwplan en de vereisten betreffende de weg en het verkeer. Deze gronden slagen niet. De bouwvergunning zal worden vernietigd. De minister zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bouwaanvraag met inachtneming van het verkavelingsplan. 2.3 Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het beroep van eiseres ontvankelijk? 3.1 Het Gerecht staat ambtshalve stil bij de vraag of het beroep ontvankelijk is. 3.2 Artikel 16, eerste lid, van de Lar bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven. Artikel 16, tweede lid, van de Lar bepaalt dat de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt geldt als de dag waarop deze is gegeven. Volgens het vierde lid van artikel 16 van de Lar blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege, wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. 3.3 De beschikking is gestempeld op 26 maart 2025. Onduidelijk is of de beschikking op die datum is verzonden of uitgereikt als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Lar. Ook als het Gerecht ervan uit zou gaan dat dit de datum van verzending of uitreiking is, is het beroep ontvankelijk omdat in dat geval naar het oordeel van het Gerecht sprake is van een verschoonbare termijn. Het Gerecht stelt vast dat de beroepstermijn dan is aangevangen op 27 maart 2025 en liep tot en met 7 mei 2025. Het Gerecht stelt verder vast dat eiseres een beroepschrift heeft ingediend op 13 mei 2025, na afloop van de beroepstermijn. Eiseres heeft onweersproken aangevoerd dat zij pas op 13 mei 2025 heeft vernomen dat een bouwvergunning met aanvraagnummer 389/2024 is verleend voor het bouwen van een loods op het perceel ten westen van haar perceel. Eiseres heeft op diezelfde dag, op 13 mei 2025, pro forma beroep ingesteld. Van andere aanwijzingen dat eiseres op een eerder moment kennis had kunnen nemen van de bouwvergunning is het Gerecht niet gebleken. Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat eiseres de beroepstermijn verschoonbaar heeft overschreden en dat haar beroep ontvankelijk is. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 4.1 Bouwvergunning 389-2024 is verleend voor het bouwen van een opslagloods op het perceel aan de Saturnusstraat [nummer] (het bouwperceel). Deze opslagloods is inmiddels gerealiseerd en behoort bij een showroom ten behoeve van horeca-apparatuur. De showroom is op basis van een eerdere bouwvergunning (273-2023) gebouwd op een aan het bouwperceel grenzend perceel, gelegen aan de Caracasbaaiweg. 4.2 Het perceel van eiseres grenst direct aan de westzijde van het bouwperceel. Waarom heeft de minister de bouwvergunning verleend? 5. De minister heeft zich bij het nemen van de bestreden beschikking gebaseerd op het advies van de Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning (UO ROP) van 18 maart 2025 en het advies van de Brandweer Curaçao (brandweer) van 17 februari 2025. UO ROP concludeert mede op het advies van de brandweer dat geen van de weigeringsgronden van artikel 22 van de Bouw- en woningverordening (Bwv) zich voordoet. Dat betekent volgens de minister dat hij de bouwvergunning moest verlenen. Wat voert eiseres aan en wat vindt het Gerecht daarvan? 6.
Volledig
Eiseres voert meerdere beroepsgronden aan: het bouwplan is niet getoetst aan het verkavelingsplan Stadsrust; de afvoer van hemelwater is onvoldoende geregeld en de afwatering kan hinder veroorzaken; het bouwproject is ontsierend voor de omgeving en veroorzaakt hinder; de bouwhoogte is hoger dan 8 meter en een belangenafweging ontbreekt; het bouwplan is in strijd met de vereisten betreffende de weg en het verkeer. Gerecht zal deze gronden achtereenvolgens bespreken. Had de minister de bouwaanvraag moeten toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust? 7. Eiseres betoogt dat de minister heeft nagelaten het bouwplan te toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust (oosten Uranusstraat). 8. Deze grond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 8.1 Het Gerecht volgt de minister niet in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de bouwaanvraag niet getoetst hoeft te worden aan het verkavelingsplan, omdat het verkavelingsplan niet van toepassing is en het bovendien de vraag is of het nog zinvol is om aan een oud verkavelingsplan te toetsen. Het Gerecht is in lijn met de rechtspraak van het Hof van oordeel dat het verkavelingsplan Stadsrust rechtsgeldig is. Het Hof heeft in een uitspraak van 27 juli 2021 geoordeeld dat het bij brief van 18 januari 1960 goedgekeurd verkavelingsplan “Stadsrust (Saliña Ariba), B.A. Leon, P.A. 306, nr. 48713/7387a” een rechtsgeldig verkavelingsplan is als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan (EOP). In een uitspraak van 23 november 2022 heeft het Hof zich in het algemeen uitgelaten over wat onder een goedgekeurd verkavelingsplan wordt verstaan. Voor de vraag of een bouwaanvraag op grond van artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv aan een verkavelingsplan moet worden getoetst, is slechts van belang of er voor de bij de bouwaanvraag betrokken gronden een door het Bestuurscollege goedgekeurd verkavelingsplan is. Of een goedgekeurd verkavelingsplan op grond van de Bwv of de EROC tot stand is gekomen, doet niet ter zake. 8.2 Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast dat het bouwperceel deel uitmaakt van het verkavelingsplan Stadsrust. Het bouwperceel betreft één van de kavels die in de herziening van het verkavelingsplan van 19 september 1992, plantekening ADV 92-23, zijn vervangen voor kavels 20a t/m 20d, welke kavels bij de herziening zijn bestemd voor detailhandel- en dienstverleningsdoeleinden. Het Gerecht stelt verder vast dat dat het bouwplan niet op grond van artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv is getoetst aan het verkavelingsplan. Dit had de minister wel moeten doen. Artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv schrijft immers voor dat een bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan, dan wel met de voorschriften behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan waarin de bij de aanvraag betrokken grond is begrepen. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de minister het bouwplan ten onrechte niet heeft getoetst aan het verkavelingsplan. De bouwvergunning zal worden vernietigd. Tot welke gevolgen dit leidt legt het Gerecht uit na de bespreking van de overige beroepsgronden. Had de bouwvergunning geweigerd moeten worden omdat de afvoer van hemelwater onvoldoende is geregeld en de afwatering hinder kan veroorzaken? 9. Eiseres voert aan dat de afvoer van hemelwater onvoldoende is geregeld en dat zij daardoor het risico loopt op wateroverlast. Een deugdelijk afwateringsplan ontbreekt. De vergunninghouder heeft in de rooi tussen zijn bouwperceel en het perceel van eiseres een muurtje met een hek erop gebouwd en daarin buizen gelegd om het water rond zijn perceel af te voeren. Die buizen komen uit bij de linker achterhoek van het perceel van eiseres, waarna het water in de tuin van eiseres kan stromen. Verder is het perceel van de vergunninghouder opgehoogd en wordt het niet alleen bebouwd maar ook bestraat, waardoor nog meer water van hoger gelegen gebied richting het terrein van eiseres kan stromen. Er wordt voor elk bouwproject rondom het perceel van eiseres apart een waterafvoerplan bedacht, maar een integraal plan voor het gehele gebied ontbreekt. De minister heeft bovendien onzorgvuldig gehandeld door deze bouwvergunning te verlenen, terwijl hij kennis heeft van de bestaande waterafvoerproblematiek in de wijk en er al twee andere grote bouwprojecten in voorbereiding zijn. Volgens eiseres is er ook sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering waardoor de bouwvergunning niet verleend had mogen worden. Door de verlening van onder meer de onderhavige bouwvergunning is de waterloop gewijzigd waardoor eiseres meer risico loopt op overstroming van haar perceel. De minister moet onrechtmatige hinder voorkomen. Eiseres wijst in dit verband op artikel 5:39 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat bepaalt dat de eigenaar van een erf (volgens eiseres ook de overheid als eigenaar van de openbare ruimte) geen onrechtmatige hinder aan eigenaren van andere erven mag toebrengen door wijziging te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over zijn erf stromend water. De minister had om al deze redenen de bouwvergunning moeten weigeren, aldus eiseres. 10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 10.1 De minister heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de maatregelen die de vergunninghouder heeft genomen op verzoek van UOOW afdoende zijn gebleken om het water af te voeren. De minister is zich bewust van de waterproblematiek in het gebied en heeft die ook serieus betrokken bij de toetsing van het onderhavig bouwplan. Het waterafvoerplan dat in de bespreking van 17 april 2024 is afgesproken, betreft het graven van een geul en het aanleggen van een buis om het water naar lager gelegen gebied af te voeren. De vergunninghouder heeft ter zitting aan de hand van de situatieschets 24-11-S01 en de luchtfoto’s in het verweerschrift van de minister geduid hoe het water vanaf hoger gelegen gebied via een al bestaande buis onder de Saturnusstraat via de in de geul aangelegde buis tussen zijn bouwperceel en het perceel van eiseres zuidwaarts wordt afgevoerd. Volgens de minister is dit waterafvoerplan afgestemd op het integrale plan dat UOOW voor de waterafvoer van het gehele gebied heeft gemaakt. Het waterafvoerplan is anders dan bij bijvoorbeeld het project Stadsrust niet als eis opgenomen in de vergunning, omdat het onderhavige bouwproject kleinschaliger is. 10.2 Het Gerecht is van oordeel dat het regelen van afvoer van hemelwater niet valt onder één van de in artikel 22 van de Bwv genoemde weigeringsgronden. Artikel 22 van de Bwv bevat een limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden. Een bouwvergunning mag alleen op de in dat artikel genoemde gronden worden geweigerd en moet worden geweigerd indien één of meer van die gronden zich voordoen. Doet zich geen weigeringsgrond voor, dan moet de bouwvergunning worden verleend. Voor een belangenafweging is op dit punt geen ruimte. Naar het oordeel van het Gerecht betekent dit dat de minister bij het beoordelen van de bouwaanvraag niet gehouden is om te toetsen of afvoer van hemelwater afdoende is geregeld en dat het ontbreken van een waterafvoerplan geen grond is om de bouwvergunning te weigeren. Niettemin heeft de minister bij de toetsing van het onderhavige bouwplan oog gehad voor de al langer bestaande afwateringsproblematiek in de wijk en een waterafvoerplan laten maken die inmiddels door de vergunninghouder is uitgevoerd. Het Gerecht is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat de minister bij het verlenen van de bouwvergunning de belangen van eiseres heeft miskend en onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat de afwateringsproblemen de gehele wijk betreffen en een integrale aanpak vergen, die buiten het bestek van het onderhavige bouwplan valt. Het betoog slaagt niet. 10.3 Voor zover eiseres stelt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan verlening van de bouwvergunning in de weg staat, volgt het Gerecht die stelling niet.
Volledig
Eiseres voert meerdere beroepsgronden aan: het bouwplan is niet getoetst aan het verkavelingsplan Stadsrust; de afvoer van hemelwater is onvoldoende geregeld en de afwatering kan hinder veroorzaken; het bouwproject is ontsierend voor de omgeving en veroorzaakt hinder; de bouwhoogte is hoger dan 8 meter en een belangenafweging ontbreekt; het bouwplan is in strijd met de vereisten betreffende de weg en het verkeer. Gerecht zal deze gronden achtereenvolgens bespreken. Had de minister de bouwaanvraag moeten toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust? 7. Eiseres betoogt dat de minister heeft nagelaten het bouwplan te toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust (oosten Uranusstraat). 8. Deze grond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 8.1 Het Gerecht volgt de minister niet in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de bouwaanvraag niet getoetst hoeft te worden aan het verkavelingsplan, omdat het verkavelingsplan niet van toepassing is en het bovendien de vraag is of het nog zinvol is om aan een oud verkavelingsplan te toetsen. Het Gerecht is in lijn met de rechtspraak van het Hof van oordeel dat het verkavelingsplan Stadsrust rechtsgeldig is. Het Hof heeft in een uitspraak van 27 juli 2021 geoordeeld dat het bij brief van 18 januari 1960 goedgekeurd verkavelingsplan “Stadsrust (Saliña Ariba), B.A. Leon, P.A. 306, nr. 48713/7387a” een rechtsgeldig verkavelingsplan is als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan (EOP). In een uitspraak van 23 november 2022 heeft het Hof zich in het algemeen uitgelaten over wat onder een goedgekeurd verkavelingsplan wordt verstaan. Voor de vraag of een bouwaanvraag op grond van artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv aan een verkavelingsplan moet worden getoetst, is slechts van belang of er voor de bij de bouwaanvraag betrokken gronden een door het Bestuurscollege goedgekeurd verkavelingsplan is. Of een goedgekeurd verkavelingsplan op grond van de Bwv of de EROC tot stand is gekomen, doet niet ter zake. 8.2 Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast dat het bouwperceel deel uitmaakt van het verkavelingsplan Stadsrust. Het bouwperceel betreft één van de kavels die in de herziening van het verkavelingsplan van 19 september 1992, plantekening ADV 92-23, zijn vervangen voor kavels 20a t/m 20d, welke kavels bij de herziening zijn bestemd voor detailhandel- en dienstverleningsdoeleinden. Het Gerecht stelt verder vast dat dat het bouwplan niet op grond van artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv is getoetst aan het verkavelingsplan. Dit had de minister wel moeten doen. Artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv schrijft immers voor dat een bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan, dan wel met de voorschriften behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan waarin de bij de aanvraag betrokken grond is begrepen. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de minister het bouwplan ten onrechte niet heeft getoetst aan het verkavelingsplan. De bouwvergunning zal worden vernietigd. Tot welke gevolgen dit leidt legt het Gerecht uit na de bespreking van de overige beroepsgronden. Had de bouwvergunning geweigerd moeten worden omdat de afvoer van hemelwater onvoldoende is geregeld en de afwatering hinder kan veroorzaken? 9. Eiseres voert aan dat de afvoer van hemelwater onvoldoende is geregeld en dat zij daardoor het risico loopt op wateroverlast. Een deugdelijk afwateringsplan ontbreekt. De vergunninghouder heeft in de rooi tussen zijn bouwperceel en het perceel van eiseres een muurtje met een hek erop gebouwd en daarin buizen gelegd om het water rond zijn perceel af te voeren. Die buizen komen uit bij de linker achterhoek van het perceel van eiseres, waarna het water in de tuin van eiseres kan stromen. Verder is het perceel van de vergunninghouder opgehoogd en wordt het niet alleen bebouwd maar ook bestraat, waardoor nog meer water van hoger gelegen gebied richting het terrein van eiseres kan stromen. Er wordt voor elk bouwproject rondom het perceel van eiseres apart een waterafvoerplan bedacht, maar een integraal plan voor het gehele gebied ontbreekt. De minister heeft bovendien onzorgvuldig gehandeld door deze bouwvergunning te verlenen, terwijl hij kennis heeft van de bestaande waterafvoerproblematiek in de wijk en er al twee andere grote bouwprojecten in voorbereiding zijn. Volgens eiseres is er ook sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering waardoor de bouwvergunning niet verleend had mogen worden. Door de verlening van onder meer de onderhavige bouwvergunning is de waterloop gewijzigd waardoor eiseres meer risico loopt op overstroming van haar perceel. De minister moet onrechtmatige hinder voorkomen. Eiseres wijst in dit verband op artikel 5:39 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat bepaalt dat de eigenaar van een erf (volgens eiseres ook de overheid als eigenaar van de openbare ruimte) geen onrechtmatige hinder aan eigenaren van andere erven mag toebrengen door wijziging te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over zijn erf stromend water. De minister had om al deze redenen de bouwvergunning moeten weigeren, aldus eiseres. 10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 10.1 De minister heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de maatregelen die de vergunninghouder heeft genomen op verzoek van UOOW afdoende zijn gebleken om het water af te voeren. De minister is zich bewust van de waterproblematiek in het gebied en heeft die ook serieus betrokken bij de toetsing van het onderhavig bouwplan. Het waterafvoerplan dat in de bespreking van 17 april 2024 is afgesproken, betreft het graven van een geul en het aanleggen van een buis om het water naar lager gelegen gebied af te voeren. De vergunninghouder heeft ter zitting aan de hand van de situatieschets 24-11-S01 en de luchtfoto’s in het verweerschrift van de minister geduid hoe het water vanaf hoger gelegen gebied via een al bestaande buis onder de Saturnusstraat via de in de geul aangelegde buis tussen zijn bouwperceel en het perceel van eiseres zuidwaarts wordt afgevoerd. Volgens de minister is dit waterafvoerplan afgestemd op het integrale plan dat UOOW voor de waterafvoer van het gehele gebied heeft gemaakt. Het waterafvoerplan is anders dan bij bijvoorbeeld het project Stadsrust niet als eis opgenomen in de vergunning, omdat het onderhavige bouwproject kleinschaliger is. 10.2 Het Gerecht is van oordeel dat het regelen van afvoer van hemelwater niet valt onder één van de in artikel 22 van de Bwv genoemde weigeringsgronden. Artikel 22 van de Bwv bevat een limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden. Een bouwvergunning mag alleen op de in dat artikel genoemde gronden worden geweigerd en moet worden geweigerd indien één of meer van die gronden zich voordoen. Doet zich geen weigeringsgrond voor, dan moet de bouwvergunning worden verleend. Voor een belangenafweging is op dit punt geen ruimte. Naar het oordeel van het Gerecht betekent dit dat de minister bij het beoordelen van de bouwaanvraag niet gehouden is om te toetsen of afvoer van hemelwater afdoende is geregeld en dat het ontbreken van een waterafvoerplan geen grond is om de bouwvergunning te weigeren. Niettemin heeft de minister bij de toetsing van het onderhavige bouwplan oog gehad voor de al langer bestaande afwateringsproblematiek in de wijk en een waterafvoerplan laten maken die inmiddels door de vergunninghouder is uitgevoerd. Het Gerecht is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat de minister bij het verlenen van de bouwvergunning de belangen van eiseres heeft miskend en onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat de afwateringsproblemen de gehele wijk betreffen en een integrale aanpak vergen, die buiten het bestek van het onderhavige bouwplan valt. Het betoog slaagt niet. 10.3 Voor zover eiseres stelt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan verlening van de bouwvergunning in de weg staat, volgt het Gerecht die stelling niet.
Volledig
Voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan een vergunningplicht in de weg staat, bestaat slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan een vergunningplicht. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het project in verband met privaatrechtelijke belemmeringen niet kan worden gerealiseerd. Het Gerecht is van oordeel dat in casu van een evidente privaatrechtelijke belemmering in de vorm van onrechtmatige hinder geen sprake is, alleen al omdat de enkele vrees die eiseres heeft voor mogelijke wateroverlast (nog) geen hinder oplevert. Ook dit betoog slaagt niet. Is het bouwproject ontsierend voor de omgeving en veroorzaakt het hinder? Hoe zit het met de bouwhoogte? 11. Eiseres betoogt dat het bouwproject ontsierend is en hinder veroorzaakt. Volgens eiseres doet de loods afbreuk aan de ruimtelijke samenhang van de buurt. Ook is de loods te groot, te hoog en op te korte afstand van haar perceel gelegen. Daardoor veroorzaakt de loods hinder voor eiseres. Wat betreft de afstand stelt eiseres dat de loods op maar 2,5 meter van de erfgrens van haar perceel staat. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat dit een geschatte afstand is, maar ook als de afstand 3 meter of meer zou zijn zoals de vergunninghouder stelt, is dat hinderlijk. Bovendien verstoort de loods de wind en de lichtinval. De bouwvergunning had daarom geweigerd moeten worden op grond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv. Eiseres voert bovendien aan dat de vergunde loods hoger is dan 8 meter en dat de minister heeft verzuimd conform artikel 3, onder d, van het EOP een belangenafweging over de bouwhoogte hoger dan 8 meter te maken. 12. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 12.1 Het Gerecht stelt allereerst vast op grond van de na de zitting overgelegde bouwtekening dat de bouwhoogte van de loods 7,801 meter is. De minister heeft dus terecht afgezien van een belangenafweging, die volgens artikel 3, onder d, van het EOP bij een bouwhoogte hoger dan 8 meter is vereist. Het betoog van eiseres slaagt niet. 12.2 Eiseres beroept zich verder op artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv. Dat artikel bepaalt, voor zover hier relevant, dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving zal ontsieren of hinderlijk voor de omgeving zal zijn. 12.3 UO ROP heeft in zijn advies getoetst of het bouwplan qua ligging en bouwwijze ontsierend zal zijn voor de directe omgeving. Ten noorden en ten westen van het bouwplan bevinden zich een aantal woningen en een nog te bebouwen kavel. Ten oosten bevindt zich de showroom voor horeca-apparatuur. Ten zuiden is de Caracasbaaiweg met aan de overkant van de weg twee commerciële panden. Er zijn geen historische gebouwen, architectonisch interessante gebouwen, bijzondere open ruimtes met groen en verblijfsplekken in de omgeving. UO ROP concludeert dat het bouwplan qua ligging geen afbreuk doet aan de ruimtelijke samenhang en dus niet ontsierend is. Ook zijn volgens UO ROP de constructie en de verschijningsvorm van het gebouw passend bij andere gebouwen in de omgeving. Verder heeft UO ROP gekeken naar mogelijke hinder die het gebouw voor de omgeving kan veroorzaken. Door de oriëntatie en de ligging van de loods en door de relatief grote afstanden van de loods tot de omliggende gebouwen, variërend van 5 tot 20 meter, zijn de effecten van het gebouw voor licht en lucht niet van dien aard dat de bouwvergunning geweigerd moet worden. Ten behoeve van beperkte inkijk wordt bij de bouwvergunning vereist dat het bouwwerk binnen de gestelde rooilijnen van 3 meter en 7,5 meter wordt gebouwd. De kortste afstand van de gevel van de loods tot aan de erfgrenzen van de aangrenzende percelen is meer dan 2 meter. Daarom is volgens UO ROP geen sprake van onrechtmatige hinder die aan verlening van de bouwvergunning in de weg staat. 12.4 Het Gerecht is van oordeel dat de minister heeft kunnen oordelen dat de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv zich niet voordoet. Het advies van UO ROP is voldoende gemotiveerd om het standpunt van de minister te kunnen dragen. Wat betreft mogelijke ontsiering heeft UO ROP gekeken naar de mix van woningen en commerciële panden in de directe omgeving van de loods en geconcludeerd dat de loods daarin niet misstaat. Verder leveren de gevolgen voor licht, lucht en inkijk volgens UO ROP geen onaanvaardbare hinder op, vooral gelet op de grote afstanden tussen de loods en de omliggende gebouwen en de minimale afstand van 3 meter tussen de loods en de erfgrenzen. Het Gerecht heeft ter zitting vastgesteld dat de afstand tussen de loods en de woning van eiseres ongeveer 16 meter bedraagt en de afstand tussen de loods en de erfgrens van het perceel van eiseres ongeveer 3,10 meter. 12.5 Eiseres heeft daarentegen niet onderbouwd waarom volgens haar sprake is van onaanvaardbare hinder of ontsiering voor de omgeving. De enkele stelling dat de loods gigantisch groot en hoog is, te dicht bij haar perceelsgrens en niet past in de ruimtelijke samenhang van de buurt, is tegenover het gemotiveerde advies van UO ROP onvoldoende voor het oordeel dat de minister de bouwvergunning op grond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv had moeten weigeren. Eiseres gaat er bovendien aan voorbij dat het EOP in stedelijk woongebied sowieso een bouwhoogte van 8 meter toestaat en dat daarmee enige hinder voor omwonenden een gegeven is, vooral als voorheen sprake was van een onbebouwd terrein. Het Gerecht betrekt daarbij dat volgens vaste rechtspraak een recht op blijvend vrij uitzicht niet bestaat. Het betoog slaagt niet. Is het bouwplan in strijd met de vereisten betreffende de weg en het verkeer? 13. Eiseres betoogt dat de weg waaraan het bouwperceel is gelegen niet voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 22, aanhef en onder 6, van de Bwv. Eiseres voert daartoe aan dat de Saturnusstraat te smal is voor de vrachtwagens die naar de loodsen moeten rijden. Ook is niet aangetoond dat de brandweer op de weg kan keren of door het toegangshek kan rijden. Verder beroept eiseres zich op artikel 22, aanhef en onder 7, van de Bwv. Volgens eiseres voldoet het aantal parkeerplaatsen (13) niet gezien de grootte en functie van het vergunde gebouw. Het gaat om grootschalige detailhandel. Ook samen met de 23 parkeerplaatsen van de showroom wordt het vereiste aantal niet gehaald. Ook het volgens het bouwplan beoogd aantal parkeerplaatsen (41) is te weinig. Het verkeer op de doorgaande weg Saturnusstraat ondervindt hinder door het af- en aanrijden van grote vrachtwagens met zeecontainers. Tot slot is de horecaloods verkeersaantrekkend, waardoor ook sprake is van strijd met artikel 3, tweede lid, onder g1 en g2, van het EOP omdat de loods (tezamen met de showroom) door haar publieks- en verkeersaantrekkend karakter hinder oplevert voor de woonbuurt Saturnusstraat. Daarbij deugt de toetsing aan artikel 3, tweede lid, onder g1 en g2, van het EOP niet omdat UO ROP ten onrechte ervan uit gaat dat de buurt geen woonbuurt is, aldus eiseres. 14. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 14.1 Artikel 22, aanhef en onder 6, van de Bwv bepaalt dat een bouwvergunning wordt geweigerd als de weg, waaraan de woning zal komen te liggen, niet voldoet aan de eisen, welke betreffende het tracé, de breedte en de constructie daarvan gesteld worden, rekening houdend met de aard der woning en de eis van begaanbaarheid van de weg voor de gouvernementsdiensten. 14.2 UO ROP heeft in haar advies beschreven dat het bouwplan direct aan de Caracasbaaiweg en aan de Saturnusstraat ligt en ontsloten wordt via de Saturnusstraat. Beide wegen voldoen aan de gestelde eisen betreffende het tracé, de breedte en de constructie. Eiseres heeft haar stellingen over de ongeschiktheid van de weg niet onderbouwd. Wat eiseres aanvoert, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de minister de bouwvergunning op grond van artikel 22, aanhef en onder 6, van de Bwv had moeten weigeren.
Volledig
Voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan een vergunningplicht in de weg staat, bestaat slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan een vergunningplicht. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het project in verband met privaatrechtelijke belemmeringen niet kan worden gerealiseerd. Het Gerecht is van oordeel dat in casu van een evidente privaatrechtelijke belemmering in de vorm van onrechtmatige hinder geen sprake is, alleen al omdat de enkele vrees die eiseres heeft voor mogelijke wateroverlast (nog) geen hinder oplevert. Ook dit betoog slaagt niet. Is het bouwproject ontsierend voor de omgeving en veroorzaakt het hinder? Hoe zit het met de bouwhoogte? 11. Eiseres betoogt dat het bouwproject ontsierend is en hinder veroorzaakt. Volgens eiseres doet de loods afbreuk aan de ruimtelijke samenhang van de buurt. Ook is de loods te groot, te hoog en op te korte afstand van haar perceel gelegen. Daardoor veroorzaakt de loods hinder voor eiseres. Wat betreft de afstand stelt eiseres dat de loods op maar 2,5 meter van de erfgrens van haar perceel staat. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat dit een geschatte afstand is, maar ook als de afstand 3 meter of meer zou zijn zoals de vergunninghouder stelt, is dat hinderlijk. Bovendien verstoort de loods de wind en de lichtinval. De bouwvergunning had daarom geweigerd moeten worden op grond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv. Eiseres voert bovendien aan dat de vergunde loods hoger is dan 8 meter en dat de minister heeft verzuimd conform artikel 3, onder d, van het EOP een belangenafweging over de bouwhoogte hoger dan 8 meter te maken. 12. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 12.1 Het Gerecht stelt allereerst vast op grond van de na de zitting overgelegde bouwtekening dat de bouwhoogte van de loods 7,801 meter is. De minister heeft dus terecht afgezien van een belangenafweging, die volgens artikel 3, onder d, van het EOP bij een bouwhoogte hoger dan 8 meter is vereist. Het betoog van eiseres slaagt niet. 12.2 Eiseres beroept zich verder op artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv. Dat artikel bepaalt, voor zover hier relevant, dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving zal ontsieren of hinderlijk voor de omgeving zal zijn. 12.3 UO ROP heeft in zijn advies getoetst of het bouwplan qua ligging en bouwwijze ontsierend zal zijn voor de directe omgeving. Ten noorden en ten westen van het bouwplan bevinden zich een aantal woningen en een nog te bebouwen kavel. Ten oosten bevindt zich de showroom voor horeca-apparatuur. Ten zuiden is de Caracasbaaiweg met aan de overkant van de weg twee commerciële panden. Er zijn geen historische gebouwen, architectonisch interessante gebouwen, bijzondere open ruimtes met groen en verblijfsplekken in de omgeving. UO ROP concludeert dat het bouwplan qua ligging geen afbreuk doet aan de ruimtelijke samenhang en dus niet ontsierend is. Ook zijn volgens UO ROP de constructie en de verschijningsvorm van het gebouw passend bij andere gebouwen in de omgeving. Verder heeft UO ROP gekeken naar mogelijke hinder die het gebouw voor de omgeving kan veroorzaken. Door de oriëntatie en de ligging van de loods en door de relatief grote afstanden van de loods tot de omliggende gebouwen, variërend van 5 tot 20 meter, zijn de effecten van het gebouw voor licht en lucht niet van dien aard dat de bouwvergunning geweigerd moet worden. Ten behoeve van beperkte inkijk wordt bij de bouwvergunning vereist dat het bouwwerk binnen de gestelde rooilijnen van 3 meter en 7,5 meter wordt gebouwd. De kortste afstand van de gevel van de loods tot aan de erfgrenzen van de aangrenzende percelen is meer dan 2 meter. Daarom is volgens UO ROP geen sprake van onrechtmatige hinder die aan verlening van de bouwvergunning in de weg staat. 12.4 Het Gerecht is van oordeel dat de minister heeft kunnen oordelen dat de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv zich niet voordoet. Het advies van UO ROP is voldoende gemotiveerd om het standpunt van de minister te kunnen dragen. Wat betreft mogelijke ontsiering heeft UO ROP gekeken naar de mix van woningen en commerciële panden in de directe omgeving van de loods en geconcludeerd dat de loods daarin niet misstaat. Verder leveren de gevolgen voor licht, lucht en inkijk volgens UO ROP geen onaanvaardbare hinder op, vooral gelet op de grote afstanden tussen de loods en de omliggende gebouwen en de minimale afstand van 3 meter tussen de loods en de erfgrenzen. Het Gerecht heeft ter zitting vastgesteld dat de afstand tussen de loods en de woning van eiseres ongeveer 16 meter bedraagt en de afstand tussen de loods en de erfgrens van het perceel van eiseres ongeveer 3,10 meter. 12.5 Eiseres heeft daarentegen niet onderbouwd waarom volgens haar sprake is van onaanvaardbare hinder of ontsiering voor de omgeving. De enkele stelling dat de loods gigantisch groot en hoog is, te dicht bij haar perceelsgrens en niet past in de ruimtelijke samenhang van de buurt, is tegenover het gemotiveerde advies van UO ROP onvoldoende voor het oordeel dat de minister de bouwvergunning op grond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv had moeten weigeren. Eiseres gaat er bovendien aan voorbij dat het EOP in stedelijk woongebied sowieso een bouwhoogte van 8 meter toestaat en dat daarmee enige hinder voor omwonenden een gegeven is, vooral als voorheen sprake was van een onbebouwd terrein. Het Gerecht betrekt daarbij dat volgens vaste rechtspraak een recht op blijvend vrij uitzicht niet bestaat. Het betoog slaagt niet. Is het bouwplan in strijd met de vereisten betreffende de weg en het verkeer? 13. Eiseres betoogt dat de weg waaraan het bouwperceel is gelegen niet voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 22, aanhef en onder 6, van de Bwv. Eiseres voert daartoe aan dat de Saturnusstraat te smal is voor de vrachtwagens die naar de loodsen moeten rijden. Ook is niet aangetoond dat de brandweer op de weg kan keren of door het toegangshek kan rijden. Verder beroept eiseres zich op artikel 22, aanhef en onder 7, van de Bwv. Volgens eiseres voldoet het aantal parkeerplaatsen (13) niet gezien de grootte en functie van het vergunde gebouw. Het gaat om grootschalige detailhandel. Ook samen met de 23 parkeerplaatsen van de showroom wordt het vereiste aantal niet gehaald. Ook het volgens het bouwplan beoogd aantal parkeerplaatsen (41) is te weinig. Het verkeer op de doorgaande weg Saturnusstraat ondervindt hinder door het af- en aanrijden van grote vrachtwagens met zeecontainers. Tot slot is de horecaloods verkeersaantrekkend, waardoor ook sprake is van strijd met artikel 3, tweede lid, onder g1 en g2, van het EOP omdat de loods (tezamen met de showroom) door haar publieks- en verkeersaantrekkend karakter hinder oplevert voor de woonbuurt Saturnusstraat. Daarbij deugt de toetsing aan artikel 3, tweede lid, onder g1 en g2, van het EOP niet omdat UO ROP ten onrechte ervan uit gaat dat de buurt geen woonbuurt is, aldus eiseres. 14. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 14.1 Artikel 22, aanhef en onder 6, van de Bwv bepaalt dat een bouwvergunning wordt geweigerd als de weg, waaraan de woning zal komen te liggen, niet voldoet aan de eisen, welke betreffende het tracé, de breedte en de constructie daarvan gesteld worden, rekening houdend met de aard der woning en de eis van begaanbaarheid van de weg voor de gouvernementsdiensten. 14.2 UO ROP heeft in haar advies beschreven dat het bouwplan direct aan de Caracasbaaiweg en aan de Saturnusstraat ligt en ontsloten wordt via de Saturnusstraat. Beide wegen voldoen aan de gestelde eisen betreffende het tracé, de breedte en de constructie. Eiseres heeft haar stellingen over de ongeschiktheid van de weg niet onderbouwd. Wat eiseres aanvoert, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de minister de bouwvergunning op grond van artikel 22, aanhef en onder 6, van de Bwv had moeten weigeren.
Volledig
Het betoog slaagt niet. 14.3 Artikel 22, aanhef en onder 7, van de Bwv bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebruik van het gebouw gevaar zal opleveren voor de veiligheid van het verkeer, de vrije loop van het verkeer zal hinderen, de bereikbaarheid van de bebouwing in de omgeving zal verminderen of door haar verkeersaantrekkend karakter de omgeving overlast zal bezorgen. Artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv bepaalt dat een bouwplan niet in strijd mag zijn met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan. Artikel 3, tweede lid, onder g1, van het EOP bepaalt dat in woonbuurten functies worden geweerd die op grond van te verwachten activiteiten aantoonbaar hinder opleveren, waaraan door maatregelen onvoldoende kan worden tegemoetgekomen. In artikel 3, tweede lid onder g2, van het EOP wordt weergegeven wat in ieder geval onder hinder als bedoeld in g1 wordt verstaan, waaronder, kort gezegd: f. overmatige overlast voortkomend uit conflicten tussen verkeersdeelnemers; g. overmatige overlast door parkeren op de openbare weg; h. extra spitsuurbelasting die leidt tot verkeerscongestie in de omgeving; i. een anderszins onaanvaardbare verhoging van de verkeersdruk in omgeving. 14.4 UO ROP heeft in haar advies geconstateerd dat de loods 13 parkeerplaatsen genereert bovenop de 23 parkeerplaatsen van de showroom. In totaal zijn 36 parkeerplaatsen nodig. In de bouwplannen van de loods en de showroom tezamen staan in totaal 41 parkeerplaatsen geprojecteerd. Het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de norm. Daarom concludeert UO ROP dat de vrije loop van het verkeer niet wordt gehinderd en de bereikbaarheid van de omgeving niet wordt verminderd. Verder verwacht UO ROP niet dat de loods verkeer zal aantrekken. Bij de toetsing aan artikel 3, tweede lid, onder g1 en g2, van het EOP geeft het UO ROP aan dat de loods voor opslag is bestemd en dat de doelgroep uit horecaondernemers bestaat die in de showroom producten kunnen bekijken. Daarvoor zijn er voldoende parkeerplaatsen bij de showroom en zijn de parkeerplaatsen bij de loods eigenlijk niet nodig. Omdat activiteiten over de gehele dag plaatsvinden is geen sprake van een extra belasting van verkeer in de spitsuren. 14.5 De vergunninghouder heeft in zijn schriftelijke zienswijze en ter zitting bevestigd dat er geen parkeerproblemen te verwachten zijn en dat er geen sprake is van hinder als gevolg van (extra) verkeer. Het bedrijf ontvangt gemiddeld vijf bezoekers per dag en in de afgelopen twaalf maanden zijn ongeveer negen zeecontainers aangekomen. De minister heeft ter zitting nog toegevoegd dat de loods er al geruime tijd staat en dat er tot op heden geen verkeersinfarct is ontstaan. 14.6 Gelet op het voorgaande ziet het Gerecht in het betoog van eiseres geen grond voor het oordeel dat de minister de bouwvergunning had moeten weigeren op grond van artikel 22, aanhef en onder 7 en/of 8, van de Bwv. Ook bij deze beroepsgrond heeft eiseres volstaan met een enkele niet onderbouwde stelling dat sprake is van grootschalige detailhandel, dat daarom het aantal parkeerplaatsen onvoldoende is en dat er voortdurend grote vrachtwagens met zeecontainers af- en aanrijden. Eiseres heeft ook ter zitting geen nadere onderbouwing gegeven, nadat zij is geconfronteerd met de bevindingen van de vergunninghouder over het aantal bezoekers en zeecontainers. Overigens merkt het Gerecht nog op dat het feit dat UO ROP bij de toetsing aan artikel 3, tweede lid, onder g1 en g2, van het EOP de omgeving van de Saturnusstraat kwalificeert als een ‘niet typische woonbuurt’, niets afdoet aan het door het UO ROP gegeven advies. Conclusie en gevolgen 15. De beroepsgrond van eiseres over het verkavelingsplan slaagt. Het beroep is daarom gegrond. Dat betekent dat de bouwvergunning zal worden vernietigd. De minister zal het bouwplan moeten toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust. Daarom zal het Gerecht de minister opdragen binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op de bouwaanvraag met inachtneming van de voorschriften van het verkavelingsplan Stadsrust. 16. Omdat het beroep gegrond is, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden. Beslissing Het Gerecht: verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking gegrond; vernietigt de bestreden beschikking; draagt de minister op binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak opnieuw op de bouwaanvraag 389-2024 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend. Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd. ECLI:NL:OGHACMB:2021:142 ECLI:NL:OGHACMB:2022:128 Hof 19 januari 2022 ECLI:NL:OGHACMB:2022:2
Volledig
Het betoog slaagt niet. 14.3 Artikel 22, aanhef en onder 7, van de Bwv bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebruik van het gebouw gevaar zal opleveren voor de veiligheid van het verkeer, de vrije loop van het verkeer zal hinderen, de bereikbaarheid van de bebouwing in de omgeving zal verminderen of door haar verkeersaantrekkend karakter de omgeving overlast zal bezorgen. Artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv bepaalt dat een bouwplan niet in strijd mag zijn met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan. Artikel 3, tweede lid, onder g1, van het EOP bepaalt dat in woonbuurten functies worden geweerd die op grond van te verwachten activiteiten aantoonbaar hinder opleveren, waaraan door maatregelen onvoldoende kan worden tegemoetgekomen. In artikel 3, tweede lid onder g2, van het EOP wordt weergegeven wat in ieder geval onder hinder als bedoeld in g1 wordt verstaan, waaronder, kort gezegd: f. overmatige overlast voortkomend uit conflicten tussen verkeersdeelnemers; g. overmatige overlast door parkeren op de openbare weg; h. extra spitsuurbelasting die leidt tot verkeerscongestie in de omgeving; i. een anderszins onaanvaardbare verhoging van de verkeersdruk in omgeving. 14.4 UO ROP heeft in haar advies geconstateerd dat de loods 13 parkeerplaatsen genereert bovenop de 23 parkeerplaatsen van de showroom. In totaal zijn 36 parkeerplaatsen nodig. In de bouwplannen van de loods en de showroom tezamen staan in totaal 41 parkeerplaatsen geprojecteerd. Het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de norm. Daarom concludeert UO ROP dat de vrije loop van het verkeer niet wordt gehinderd en de bereikbaarheid van de omgeving niet wordt verminderd. Verder verwacht UO ROP niet dat de loods verkeer zal aantrekken. Bij de toetsing aan artikel 3, tweede lid, onder g1 en g2, van het EOP geeft het UO ROP aan dat de loods voor opslag is bestemd en dat de doelgroep uit horecaondernemers bestaat die in de showroom producten kunnen bekijken. Daarvoor zijn er voldoende parkeerplaatsen bij de showroom en zijn de parkeerplaatsen bij de loods eigenlijk niet nodig. Omdat activiteiten over de gehele dag plaatsvinden is geen sprake van een extra belasting van verkeer in de spitsuren. 14.5 De vergunninghouder heeft in zijn schriftelijke zienswijze en ter zitting bevestigd dat er geen parkeerproblemen te verwachten zijn en dat er geen sprake is van hinder als gevolg van (extra) verkeer. Het bedrijf ontvangt gemiddeld vijf bezoekers per dag en in de afgelopen twaalf maanden zijn ongeveer negen zeecontainers aangekomen. De minister heeft ter zitting nog toegevoegd dat de loods er al geruime tijd staat en dat er tot op heden geen verkeersinfarct is ontstaan. 14.6 Gelet op het voorgaande ziet het Gerecht in het betoog van eiseres geen grond voor het oordeel dat de minister de bouwvergunning had moeten weigeren op grond van artikel 22, aanhef en onder 7 en/of 8, van de Bwv. Ook bij deze beroepsgrond heeft eiseres volstaan met een enkele niet onderbouwde stelling dat sprake is van grootschalige detailhandel, dat daarom het aantal parkeerplaatsen onvoldoende is en dat er voortdurend grote vrachtwagens met zeecontainers af- en aanrijden. Eiseres heeft ook ter zitting geen nadere onderbouwing gegeven, nadat zij is geconfronteerd met de bevindingen van de vergunninghouder over het aantal bezoekers en zeecontainers. Overigens merkt het Gerecht nog op dat het feit dat UO ROP bij de toetsing aan artikel 3, tweede lid, onder g1 en g2, van het EOP de omgeving van de Saturnusstraat kwalificeert als een ‘niet typische woonbuurt’, niets afdoet aan het door het UO ROP gegeven advies. Conclusie en gevolgen 15. De beroepsgrond van eiseres over het verkavelingsplan slaagt. Het beroep is daarom gegrond. Dat betekent dat de bouwvergunning zal worden vernietigd. De minister zal het bouwplan moeten toetsen aan het verkavelingsplan Stadsrust. Daarom zal het Gerecht de minister opdragen binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op de bouwaanvraag met inachtneming van de voorschriften van het verkavelingsplan Stadsrust. 16. Omdat het beroep gegrond is, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden. Beslissing Het Gerecht: verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking gegrond; vernietigt de bestreden beschikking; draagt de minister op binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak opnieuw op de bouwaanvraag 389-2024 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend. Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd. ECLI:NL:OGHACMB:2021:142 ECLI:NL:OGHACMB:2022:128 Hof 19 januari 2022 ECLI:NL:OGHACMB:2022:2