Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-02-03
ECLI:NL:OGEAC:2025:92
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,134 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202301555
Vonnis van 3 februari 2025
in de zaak van
[Eiser], pro se en in de hoedanigheid van erfgenaam van [belanghebbende 1],wonende in [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. M.T.J. Cicilia,
tegen
[Gedaagde],
wonende in [stad], [land],
gedaagde, vertegenwoordigd met schriftelijke volmacht door [belanghebbende 2] (zoon van gedaagde).
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
Samenvatting
Deze zaak gaat over de medewerking aan het leveren van een erfpachtrecht dat door [gedaagde] aan [belanghebbende 1] op 3 februari 1992 is verkocht. Partijen zijn het erover eens dat het erfpachtrecht moet worden geleverd. Omdat [gedaagde] thans 90 jaar oud is en in [land] woont, zal het gerecht om praktische redenen aan [eiser] vervangende toestemming verlenen als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
1Het verdere procesverloop
1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit:
het tussenvonnis van 11 maart 2024,
de akte van 8 april 2024 met producties van [eiser],
de akte van 15 april 2024 van [eiser],
de verbeterde betekende oproeping van [gedaagde] met producties van 10 juni 2024;
de conclusie van antwoord met producties van 26 augustus 2024;
de akte uitlating met een productie van 26 augustus 2024 van [eiser],
mondelinge behandeling van 29 oktober 2024,
de akte uitlating van 16 december 2024 van [eiser].
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2De vordering
2.1. [
eiser] heeft bij akte van 16 december 2024 (opnieuw) zijn eis gewijzigd en vordert dat de rechter bij vonnis de medewerking van [gedaagde] overbodig maakt.
2.1.
Hij legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] en [belanghebbende 1] op 3 februari 1992 een overeenkomst zijn aangegaan, waarbij [gedaagde] aan [belanghebbende 1] heeft verkocht het erfpachtrecht met al hetgeen daarop is gebouwd, bekend als [woning 1] van het verkavelingsplan [verkavelingsplan 1], nader omschreven in meetbrief 1975/38 tegen de prijs van NAf 2.000. In de overeenkomst heeft [gedaagde] verklaard dit bedrag te hebben ontvangen en hebben partijen zich verbonden zorg te dragen voor de verdere afwikkelingen van de overdracht van het erfpachtrecht. Van dit laatste is het tot op heden niet gekomen. [gedaagde] is thans 90 jaar en woont in Nederland.
Beoordeling
3.1.
Het gerecht beschouwt de vordering als een beroep op artikel 3:300 lid 2 BW en dat [eiser] bedoelt dat het gerecht zal bepalen dat het vonnis in de plaats van de leveringsakte of een deel daarvan treedt. Tegen deze (laatste) eiswijziging heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. [gedaagde] heeft zich ervan vergewist dat de familie (en erfgenamen) van [belanghebbende 1], voor zover nodig, akkoord zijn met de levering van het erfpachtrecht aan [eiser].Nu [gedaagde] in de stukken en ter zitting (bij monde van [belanghebbende 2]) ondubbelzinnig ervan heeft blijk gegeven in te stemmen met de levering, zal het gerecht om praktische redenen de vordering toewijzen als na te melden.
3.2.
In de procedurele gang van zaken, waarbij [gedaagde] al in een vroeg stadium heeft laten weten te zullen meewerken aan de levering en verweer heeft gevoerd tegen het rauwelijks dagvaarden, ziet het gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
Het gerecht:
4.1.
bepaalt dat dit vonnis de medewerking van [gedaagde] vervangt aan het leveren van het erfpachtrecht aan de enige erfgenaam van [belanghebbende 1] kavel 1975/38, zoals omschreven in rechtsoverweging 2.1;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.