Rechtspraak 2025-04-28
ECLI:NL:OGEAC:2025:345
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202403995 Vonnis d.d. 28 april 2025 In de zaak van [eiser] wonende in [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. M.A. Koendjbiharie, tegen 1. de naamloze vennootschap ASKA SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd in Curaçao , 2. [gedaagde 2] , wonende in [woonplaats], gedaagden, gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en S.M.A. Gonzales. Partijen worden hierna [eiser], Aska en [gedaagde 2] (gedaagden gezamenlijk: Aska c.s.) genoemd. 1 Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: het inleidend verzoekschrift met producties d.d. 24 oktober 2024; de conclusie van antwoord; de mondelinge behandeling gehouden op 17 maart 2025, alwaar [eiser] in persoon is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Namens Aska is [legal counsel] (Legal Counsel) verschenen, bijgestaan door de gemachtigden voornoemd. [gedaagde 2] is vertegenwoordigd door de gemachtigden voornoemd; het ter zitting door [eiser] ingediende “preliminaire verweer” met productie. 1.2. Vonnis is bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Op 9 februari 2019 is er op [adres] een verkeersongeval gebeurd waarbij de voertuigen van [eiser] en [gedaagde 2] betrokken waren. [gedaagde 2] is ingevolge de Landsverordening Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: LAM) verzekerd bij Aska. 2.2. Zowel [gedaagde 2] als Aska hebben de aansprakelijkheid voor de schade ten gevolge van het ongeval erkend. Aska heeft [eiser] in 2020 uitbetaald een bedrag van Cg 3.247,- voor de schade aan zijn voertuig en een bedrag van Cg 6.000,- aan gederfde inkomsten, bestaande uit 4 maanden minimumloon van Cg 1.500 per maand. 2.3. Op 11 juli 2019 heeft de fysiotherapeut van [eiser], M.M. van Wilgen, voor zover hier relevant, het volgende in zijn Fysiotherapeutische werkdiagnose en behandelplan verklaard: “(…) Diagnose verwijzer: Cervicale klachten agv auto ongeval/Whiplash Status Praesens: De patiënt heeft nog veel last van zijn CWK aan de belastbaarheid moet nog gewerkt worden. Daarnaast heeft de patiënt af en toe last van zijn lage rug en beperkt de patiënt in ADL/werkactiviteiten. Samenvattend onderzoek: Hypertonie nek schouder musculatuur (M Trapezius, M Scalenus) Mobileit CWK: zowel actief/passief beperkt /pijnlijk in alle richtingen vooral rotatie re en extensie Uitstraling re>li continu, lage belastbaarheid nek/schouder musculatuur Fysiotherapeutische werkdiagnose: Discopathie C5-C7, Chronische restklachten Whiplash en af toe lage rugklachten en uitstraling Lage belastbaarheid CWK/LWK (…)” 2.4. Bij e-mailbericht van 21 september 2020 heeft Aska, voor zover hier relevant, het volgende aan de gemachtigde van [eiser] bericht: “ Wij hebben uw cliënt gecompenseerd op basis van het minimumloon, omdat hij wel kon aantonen dat hij werkte, maar niet kon aantonen wat hij precies verdiende. Hij weigerde ons te voorzien van verdere informatie en stelde slechts dat hij verschillende jobs had en in 1 maand NAf. 56.000,- had misgelopen. Om over te gaan tot betaling van een bepaald bedrag, moet dat bedrag ook worden aangetoond. Vooralsnog ontbreekt informatie. Uw cliënt stelt verder dat hij 5 maanden A.O. zou zijn (en dus NAf. 280.000,- is misgelopen), maar er is geen enkele onderbouwing van een specialist hierover. Rapport [belanghebbende 1] van Haan Estate Agency is Estate Agent en Real estate Surveyor. [belanghebbende 1] heeft een rapport geschreven over uw cliënt. Hij wordt als een toegewijd werker omschreven, werkt netjes, correct en alleen. Hij voert projecten uit voor mensen die hij eerder bediende en ook herstelwerkzaamheden. Volgens [belanghebbende 1] maakt uw cliënt realistische en marktconforme offertes. Helaas staat er niets in zijn rapport over het inkomen van uw cliënt, terwijl dat juist het belangrijkste punt is. Er wordt door [belanghebbende 1] geen enkel bedrag genoemd. Er wordt ook niets omschreven dat aantoont wat het gemiddelde maandelijks inkomen is. Dit vinden wij erg jammer, aangezien wij hier meerdere malen om hebben verzocht. De offerte Het meest verstrekkende verweer van Aska c.s. is dat de vordering van [eiser] is verjaard. Zij voeren daarbij aan dat omdat de laatste correspondentie tussen partijen op 6 oktober 2020 is geweest en er daarna geen stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden, de vordering op grond van artikel 9 lid 1 LAM op 7 oktober 2023 is verjaard. Nu [eiser] deze procedure pas op 24 oktober 2024 heeft aanhangig heeft gemaakt, moet hij volgens Aska c.s. niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen. 4.3. [ eiser] betwist dat er sprake is van verjaring. Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser] aangevoerd dat Aska c.s. beaamd hebben dat [gedaagde 2] de veroorzaker is van het ongeval en Aska de schade aan het voertuig en ook nog een deel van de gederfde inkomsten heeft vergoed. Volgens [eiser] hebben partijen de onderhandelingen betreffende de resterende schade nimmer afgebroken. Verder heeft [eiser] nimmer een deurwaardersexploot of aangetekende brief van Aska ter zake ontvangen. 4.4. Het gerecht overweegt als volgt. In een reeks van arresten heeft het BeneluxGerechtshof (9 juli 1981, NJ 1982, 253; 5 juli 1985, NJ 1986/2, m.nt. G; 20 oktober 1989, NJ 1990/660 m.nt. CJHB) zich uitgelaten over de strekking van de werking van de (Nederlandse) equivalente bepaling, art. 10 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM). Op basis van deze arresten is bepalend dát onderhandelingen plaatsvonden en dat een verzekeraar ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven die af te breken. Alleen indien de verzekeraar op een schademelding van de benadeelde in het geheel niet reageert of daarop ondubbelzinnig in volstrekt afwijzende zin aan de benadeelde bericht, dient de laatste binnen drie jaar na het ongeval tegen de verzekeraar een rechtsvordering tot vergoeding van de geleden schade in te stellen, wil hij zijn eigen recht ex art. 6 WAM jegens de verzekeraar niet verspelen. Elke andere reactie van de WAM-verzekeraar heeft tot gevolg, dat de verjaringstermijn ex art. 10, eerste lid wordt gestuit en dat een nieuwe termijn van drie jaar eerst begint te lopen vanaf het moment waarop de verzekeraar aan de benadeelde op de in art. 10, derde lid aangegeven wijze kennis heeft gegeven, dat hij de onderhandelingen afbreekt. De Curaçaose regeling wijkt inhoudelijk niet af van deze Nederlandse bepaling. Ook daarin is opgenomen dat de verjaring door onderhandelingen tussen partijen wordt gestuit en dat: “ Een nieuwe termijn van drie jaar begint te lopen, te rekenen van het ogenblik waarop een van de partijen bij deurwaardersexploot of aangetekende brief aan de andere partij heeft kennisgegeven dat zij de onderhandelingen afbreekt” (vergelijk: ECLI:NL:OGEAA:2017:194). 4.5. In het onderhavige geschil heeft Aska zich niet op het standpunt gesteld dat zij niet tot (verdere) schadevergoeding is gehouden én dat zij dit op de in art. 9 lid 3 LAM voorgeschreven wijze aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt. Er is slechts sprake geweest van een langdurig stilzitten aan de zijde van [eiser]. Het enkele feit dat het wellicht langer dan drie jaren heeft geduurd voordat [eiser] (opnieuw) in actie is gekomen is echter onvoldoende om te kunnen concluderen tot verjaring. (Hierbij wijst het Gerecht erop dat in de uitspraak die leidde tot BenGH 5 juli 1985 de benadeelde vier jaren liet verstrijken voordat hij reageerde op een brief van de verzekeraar.) Indien een verzekeraar de verjaringstermijn een aanvang wil doen nemen, dient zij dit te doen door de onderhandelingen af te breken en zulks expliciet op de voorgeschreven wijze mee te delen. Nu Aska dit niet heeft gedaan, is de vordering van [eiser] niet verjaard. Aansprakelijkheid 4.6. Aska c.s. hebben de aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] ten gevolge van het hiervoor vermelde verkeersongeval erkend. Nu de aansprakelijkheid door Aska c.s. is erkend, spitst het geschil zich toe op de afwikkeling van de schade die [eiser] stelt te hebben als gevolg van het ongeval. Gederfde inkomsten 4.7. [ eiser] heeft gesteld dat zijn materiël Voor het bepalen van de door hem geleden schade als gevolg van verlies van verdienvermogen is evenwel niet zijn omzet bepalend maar welk inkomen [eiser] na het doorlopen van het fiscale traject en na aftrek van kosten als netto inkomen heeft overgehouden. Aan de hand van de door [eiser] overgelegde stukken kan dit evenwel niet nauwkeurig worden vastgesteld. Van hem had mogen worden verwacht dat hij ten minste zijn jaarcijfers, belastingaanslagen of belastingaangiften zou overleggen. Dat heeft hij nagelaten. Over de regelmaat van de opdrachten valt uit die verklaringen voorts weinig af te leiden, maar het gerecht gaat, mede op basis van het rapport van Haan Estate Agency en de stellingen van [eiser] ter zake, ervanuit dat [eiser] minimaal 1 à 2 opdrachten per maand zou hebben gehad. Aan de hand van voormelde stukken acht het gerecht het dan ook aannemelijk dat [eiser] in die periode een gemiddeld netto maandinkomen van Cg 5.000,- zou hebben gehad. Uit de door [eiser] overgelegde verklaringen van dr. M. de Vos van Sentro Mediko Muizenberg blijkt voorts dat [eiser] van 9 februari tot 8 juli 2019 arbeidsongeschikt is geweest. Dat alles brengt met zich dat het gerecht de gederfde inkomsten van [eiser] als gevolg van het verkeersongeval schat op een bedrag van (5 x Cg 5.000,-) Cg 25.000,-. Immateriële schade 4.12. [ eiser] maakt verder aanspraak op een bedrag van Cg 7.500,- aan immateriële schade. Ter onderbouwing daarvan heeft hij gesteld dat hij door het verkeersongeval whiplashlaesie heeft opgelopen. Dit blijkt volgens [eiser] uit het feit dat hij meerdere malen door een fysiotherapeut voor zijn aanhoudende pijnklachten moest worden behandeld. Verder heeft hij ter onderbouwing hiervan ook een X-Ray rapportage van een chiropractor en een werkdiagnose en behandelplan van zijn fysiotherapeut overgelegd. 4.13. Aska c.s. betwisten dat deze schadepost toegeschreven kan worden aan het verkeersongeval. Naar de mening van Aska c.s. heeft [eiser] het causaal verband tussen het ongeval en de hiervoor genoemde whiplash klachten onvoldoende onderbouwd. Een bezoek aan de chiropractor en de overgelegde arbeidsongeschiktheidsverklaringen zijn volgens Aska c.s. onvoldoende om dit causaal verband aan te tonen. De behandeling door de chiropractor is gebaseerd op de klachten van de patiënt, maar biedt op zichzelf geen bewijs dat deze klachten direct het gevolg zijn van het ongeval, aldus Aska c.s. 4.14. Het gerecht acht het, anders dan Aska c.s., voldoende aannemelijk dat [eiser] immateriële schade heeft geleden. Hij is betrokken geweest bij een verkeersongeval waarbij zijn voertuig “total loss” is verklaard. Uit de overgelegde fysiotherapeutische werkdiagnose en het behandelplan kan verder worden opgemaakt dat [eiser] relatief kort na het ongeval last had van zijn cervicale wervelkolom en af en toe last had van zijn lage rug. Hij is gediagnostiseerd met chronische restklachten whiplash en af en toe lage rugklachten. Het gerecht begroot, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, de naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade dan ook op een bedrag van Cg 3.000,-. Overige schadeposten 4.15. Ten slotte heeft [eiser] aanspraak gemaakt op vergoeding van een aantal andere kosten die hij heeft moeten maken om zijn schade te kunnen verhalen. Hij heeft een bedrag van Cg 300,- aan buitengerechtelijke (advocaten)kosten gemaakt. Verder heeft hij transportkosten van Cg 410,- moeten maken gedurende de reparatieperiode van zijn auto. Hij heeft Cg 850,- betaald voor het financieel rapport van Haan Estate Agency en hij heeft Cg 75,- betaald voor de intake bij Posture Ray. 4.16. Het gerecht zal de buitengerechtelijke advocatenkosten afwijzen omdat deze geacht worden te zijn inbegrepen bij de proceskostenveroordeling. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten daarnaast (conform artikel 6:69 lid 2 BW) heeft [eiser] onvoldoende aangevoerd. De transportkosten van Cg 410,