Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-01-31
ECLI:NL:OGEAC:2025:317
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,012 tokens
Volledig
ECLI:NL:OGEAC:2025:317 text/xml public 2026-03-13T11:02:30 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 2025-01-31 500.00252/24 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Strafrecht Rechtspraak.nl CFN 2026/18 met annotatie van - http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2025:317 text/html public 2026-03-09T09:28:48 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEAC:2025:317 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 31-01-2025 / 500.00252/24 Schending ambtsgeheim Parketnummer : 500.00252/24 Uitspraak : 31 januari 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboorteplaats] 1969 te [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], [adres 1]. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsman, mr. S.C. Larmonie, advocaat in Curaçao. De officier van justitie, mr. E. van der Zee, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Haar vordering behelst voorts de oplegging van de bijkomende voorwaardelijke straf, te weten de ontzetting van de verdachte uit het recht tot het bekleden van het ambt van belastingambtenaar, voor de duur van 3 jaar, met een proeftijd van 3 jaren. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken dan wel zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft hij een strafmaatverweer gevoerd. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij op een of meer tijdstippen op omstreeks 21 november 2018 en/of op omstreeks 26 oktober 2020 en/of op omstreeks 14 januari 2022 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere geheimen waarvan zij, verdachte, als ambtenaar van de Belastingdienst Curaçao, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij, verdachte, uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift te weten als overheidsambtenaar en/of artikel 62 van Landsverordening van de 8ste december 1964 houdende regelen van materieelrechtelijke aard betreffende de rechtstoestand van de landsdienaren van de Nederlandse Antillen en van de ambtenaren in dienst der eilandgebieden (P.B. 1964, 159) en/of artikel 50 van de Landsverordening van de 3de augustus 2001 houdende algemene bepalingen van formeel belastingrecht (Algemene landsverordening Landsbelastingen), verplicht was dat/die/het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door aan [betrokkene 1] telefonisch en/of mondeling en/of via WhatsApp-berichten geheime gegevens mede te delen, in elk geval in een of meerdere contact(en) met [betrokkene 1] geheime gegevens te openbaren aan die [betrokkene 1], te weten persoonsgegevens en/of belastinggegevens van ene [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], althans de bewoners van het perceel [adres 2], en/of persoonsgegevens en/of belastinggegevens van [betrokkene 4], althans de bewoners van het perceel [adres 3], in elk geval een of meer geheime gegevens, terwijl die [betrokkene 1] tot kennisneming daarvan op dat moment onbevoegd was; (Artikel 2:232 Wetboek van Strafrecht) Subsidiair zij op een of meer tijdstippen op omstreeks 21 november 2018 en/of op omstreeks 26 oktober 2020 en/of op omstreeks 14 januari 2022 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) (telkens) opzettelijk met misbruik van haar functie als Administratief Medewerker iets heeft gedaan of nagelaten iets te doen, immers heeft verdachte meermalen informatie doorgegeven aan [betrokkene 1] inzake persoonsgegevens en/of belastinggegevens ten einde enig voordeel voor haar of een ander te verkrijgen. (Artikel 2:354 Wetboek van Strafrecht) Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Partiële vrijspraak Ten aanzien van het verwijt dat de verdachte persoonsgegevens en/of belastinggegevens met betrekking tot [betrokkene 2] aan een derde, zijnde [betrokkene 1], zou hebben verstrekt, is het Gerecht met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, zodat de verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: zij op een of meer tijdstippen op omstreeks 21 november 2018 en/of op omstreeks 26 oktober 2020 en /of op omstreeks 14 januari 2022 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere geheimen waarvan zij, verdachte, als ambtenaar van de Belastingdienst Curaçao, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij, verdachte, uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift te weten als overheidsambtenaar en/of artikel 62 van Landsverordening van de 8ste december 1964 houdende regelen van materieelrechtelijke aard betreffende de rechtstoestand van de landsdienaren van de Nederlandse Antillen en van de ambtenaren in dienst der eilandgebieden (P.B. 1964, 159) en/of artikel 50 van de Landsverordening van de 3de augustus 2001 houdende algemene bepalingen van formeel belastingrecht (Algemene landsverordening Landsbelastingen), verplicht was dat/ die /het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door aan [betrokkene 1] telefonisch en/of mondeling en/of via WhatsApp-berichten geheime gegevens mede te delen, in elk geval in een of meerdere contact(en) met [betrokkene 1] geheime gegevens te openbaren aan die [betrokkene 1], te weten : persoonsgegevens en/of belastinggegevens van ene [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], althans de bewoners van het perceel [adres 2], en /of persoonsgegevens en/of belastinggegevens van [betrokkene 4], althans de bewoners van het perceel [adres 3], in elk geval een of meer geheime gegevens, terwijl die [betrokkene 1] tot kennisneming daarvan op dat moment onbevoegd was. ; Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao. 1. Onder leiding van het Openbaar Ministerie loopt sinds het eerste kwartaal van 2022, binnen het Korps Politie Curaçao, een strafrechtelijk onderzoek onder de naam “Golf” tegen de politieambtenaren (…) en [betrokkene 1] ingedeeld bij de Unit Bijzondere Wetten (UBW). De verbalisant [verbalisant 1] heeft naar aanleiding van dat onderzoek – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) [verdachte] Tevens is uit onderzoeksbevindingen gebleken dat (…) de verdachte [betrokkene 1] door onder andere de medewerker van de Belastingdienst Curaçao, genaamd [verdachte] werd geholpen. Op verzoek van de verdachte [betrokkene 1] verstrekt [verdachte] belasting-, inkomsten- en persoonsgegevens aan haar (de verdachte [betrokkene 1]) (…). (…)” 2. De op 15 maart 2022 inbeslaggenomen telefoons van [betrokkene 1] werden uitgelezen.
Volledig
In de mobiele telefoon met gsm-kaartnummer [telefoonnummer] zijn de volgende voor het onderhavige onderzoek relevante WhatsApp-gesprekken tussen [betrokkene 1] en de verdachte aangetroffen: “(…) Spreker Datum/tijd Papiaments Vrije vertaling verbalisant [betrokkene 1] 10/26/2020 8:24:52 AM [betrokkene 4] [betrokkene 4] [betrokkene 1] 10/26/2020 8:24:59 AM Gegevens Gegevens [verdachte] 10/26/2020 8:29:36 AM [adres 3] [nummer] [verdachte] [nummer] [adres 3] [nummer] [verdachte] [nummer] (…) [betrokkene 1] 10/26/2020 8:34:15 AM Nomber meimei di e jong Midden naam van de jongste [verdachte] 10/26/2020 8:35:45 AM [betrokkene 4] [betrokkene 4] [betrokkene 1] 1/13/2022 10:14:13 AM Hey ma bo por manda pami nomber kompleto di [betrokkene 4] Hey ma, kan je de volledige naam van [betrokkene 4] voor mij sturen? [verdachte] 1/13/2022 10:16:20 AM Ok Ok [verdachte] 1/13/2022 10:21:30 AM [betrokkene 4] [nummer] [betrokkene 4] [nummer] Opmerking verbalisant Uit bovenvermeld WhatsApp-gesprek is onder anderen redelijk aan te nemen dat: de vrouw bijgenaamd “[verdachte]” een ambtenaar is, die bij de Belastingdienst Curaçao werkzaam is; de vrouw bijgenaamd “[verdachte]”, officieel [verdachte] genaamd is; de verdachte [betrokkene 1] aan haar contact bijgenaamd “[verdachte]” naar belastinginformatie/gegevens van [betrokkene 4] vraagt; [verdachte] belastinginformatie/gegevens op verzoek aan de verdachte [betrokkene 1] verstrekt. 3. De op 15 maart 2022 inbeslaggenomen telefoons van [betrokkene 1] werden uitgelezen. In de mobiele telefoon met gsm-kaartnummer [telefoonnummer] zijn de volgende voor het onderhavige onderzoek relevante WhatsApp-gesprekken tussen [betrokkene 1] en de verdachte aangetroffen: “(…) Spreker Datum/tijd Papiaments Vrije vertaling verbalisant [betrokkene 1] 1/14/2022 2:09:10 PM [nummer] [nummer] [betrokkene 1] 1/14/2022 2:09:15 PM Audio: Mami wak e adres ey pa mi, [adres 2]. Bo por skirbi nomber di e hende hombernan ku ta biba ey nan pa mi. Mi mester di nan gegevensnan, na [adres 2]. Audio: Mami bekijk/zoek dat adres voor me op, [adres 2]. Kan je de namen van de mannelijke bewoners die daar wonen voor mij opschrijven. Ik heb hun gegevens nodig, [adres 2]. [verdachte] 1/14/2022 2:11:58 PM [betrokkene 3] [geboortedatum] [betrokkene 3] [geboortedatum] [verdachte] 1/14/2022 2:12:01 PM 1 so 1 alleen [betrokkene 1] 1/14/2022 2:12:31 PM Audio: Mami check e nomber di mei mei tambe, mi ta puntra…ta wak ku ta esey Audio: Mami, kijk ook voor de middelnaam. Ik vraag….om te kijken of hij het is [verdachte] 1/14/2022 2:14:21 PM [betrokkene 3] [betrokkene 3] (…) Opmerking verbalisant Uit bovenvermelde Whatsapp-gesprekken is onder anderen redelijk aan te nemen dat: (…) de vrouw bijgenaamd “[verdachte]” een ambtenaar is, die bij de Belastingdienst Curaçao werkzaam is; de vrouw bijgenaamd “[verdachte]”, officieel [verdachte] genaamd is; (…)” 4. [betrokkene 4] deed op 22 juni 2023 aangifte van schending van het ambtsgeheim en misbruik van functie. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “Ik ben commissaris van politie en tevens lid van het managementteam van het Korps Politie Curaçao. Ik doe hierbij aangifte van het opzettelijk schenden van het ambtsgeheim en misbruik van functie (…) gepleegd door de ambtenaar van de Belastingdienst Curaçao, genaamd [verdachte]. (…) Mevrouw [verdachte] heeft op verzoek van (…) [betrokkene 1] (…) mijn persoonsgegevens en die van mijn vader in het systeem van de Belastingdienst Curaçao opgezocht, zonder dat dit voor de uitoefening van haar functie noodzakelijk was. Voorts blijkt dat zij mijn (…) gegevens en die van mijn vader met de verdachte [betrokkene 1] over de WhatsApp heeft gedeeld, die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. (…) Ik vind het een kwalijke zaak dat mijn gegevens en die van mijn vader in handen van (een) onbevoegde(n) zijn gekomen. (…) Ik wens derhalve dat een strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld. (…)” 5. De verdachte werd op 24 november 2023 omstreeks 09:00 uur door de Landsrecherche verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Wat is uw roep/bijnaam? A: [verdachte]. (…) V: Wat is uw functie bij de belastingdienst? A: Administratief medewerkster. (…) V: Hebt u te maken met vertrouwelijke informatie in uw werk? A: Ja. V: Kunt u toelichten wat u onder vertrouwelijke informatie verstaat? A: Dit is informatie die ik niet aan derden bekend mag stellen. (…) O: Tijdens het onderzoek tegen de verdachte [betrokkene 1] is bekend geworden dat [betrokkene 1] u rechtstreeks naar informatie van de Belastingdienst heeft gevraagd. V: Wat kunt u hierover verklaren? A: Ja, dit klopt. (…) V: Wat doet u na het verzoek naar informatie van [betrokkene 1]? A: Ik raadpleeg het computersysteem in het programma inkomensbelasting waarmee ik mijn werkzaamheden verricht. (…) V: Op welke wijze heeft [betrokkene 1] u om informatie gevraagd? A: (…) zo nu en dan via WhatsApp. (…) V: Wat hebt u al die keren gedaan toen [betrokkene 1] u om informatie vroeg? A: Soms als ik het druk heb, laat ik haar (…) de informatie op een later tijdstip weten. V: Was u bevoegd om informatie van de Belastingdienst over personen aan [betrokkene 1] te verschaffen? A: Nee. (…) 6. De verdachte werd op 24 november 2023 omstreeks 12:00 uur door de Landsrecherche verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) O: Uit onderzoek blijkt dat u informatie ten aanzien van de bewoner van [adres 2] aan [betrokkene 1] heeft verstrekt. Thans wordt de verdachte met de WhatsApp-gesprekken over het adres [adres 2] geconfronteerd. (…) V: Herkent u deze chatgesprekken? A: Ja. (…) V: Met wie onderhield u hier dit chatgesprek? A: Met [betrokkene 1]. (…) V: Hebt u aan [betrokkene 1] de gevraagde informatie over [betrokkene 3] verstrekt? (…) A: Ja (…) O: Uit onderzoek blijkt dat u informatie ten aanzien van de heer [betrokkene 4] aan [betrokkene 1] hebt verstrekt. Thans wordt de verdachte met de WhatsApp-gesprekken over [betrokkene 4] geconfronteerd. (…) V: Herkent u deze chatgesprekken? A: Ja. (…) V: Met wie onderhield u hier dit chatgesprek? A: Met [betrokkene 1]. (…) V: Hebt u aan [betrokkene 1] de gevraagde informatie over [betrokkene 4] verstrekt? A: Ja, zoals in het chatbericht is opgenomen. (…) V: Bent u bevoegd om persoonsinformatie van derden aan [betrokkene 1] te verstrekken? A: Nee. V: Waarom heeft u bedoelde informatie aan [betrokkene 1] verstrekt? A: Ik ben fout geweest. (…) V: Heeft u uit hoofde van uw ambt, beroep of een wettelijk voorschrift een geheimhoudingsplicht? A: Ja. V: Zo ja, waar is deze geheimhoudingsplicht opgenomen? A: Bij mijn beëdiging heb ik dit gezworen en heb ik deze geheimhoudingsplicht in de Landsverordening materieel ambtenarenrecht vernomen. (…)” 7. De getuige [getuige] werd op 9 oktober 2024 door de Landsrecherche verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Geldt er een geheimhoudingsplicht voor belastingmedewerkers? A: Ja, bij binnenkomst in vaste dienst. Feitelijk heeft al het personeel een geheimhoudingsplicht en dient zij een ambtseed af te leggen.(…)” 8. De getuige [betrokkene 1] werd op 28 februari 2024 door de Landsrecherche verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Hebt u op uw verzoek om informatie met betrekking tot (…) [betrokkene 3] antwoord van mw.[verdachte] gekregen? (…) A: Ik heb de verzochte informatie met betrekking tot (…) [betrokkene 3] wel doorgekregen van [verdachte] (…) O: Op 22 juni 2023 werd door de heer [betrokkene 4] (politiechef) aangifte gedaan bij het Bureau Interne Zaken (BIZ), dat u gegevens zou hebben aangevraagd bij de Belastingdienst bij uw vriendin [verdachte]. Genoemde gegevens waren met betrekking tot zijn vader en zijn persoon. V: Wat kunt u hierover verklaren? A: Dat is waar. (…) C: Thans wordt de getuige [betrokkene 1] met het WhatsApp-gesprek over [betrokkene 4] geconfronteerd. (…) V: Herkent u dit chatgesprek? A: Ja. V: Kunt u aangeven/uitleggen waarover dit chatgesprek gaat? A: Ik heb in principe informatie aan [verdachte] gevraagd over [betrokkene 4].
Volledig
[verdachte] heeft mij in eerste instantie de naam van de vader van [betrokkene 4] toegestuurd. Ik had de gegevens van de vader van [betrokkene 4] niet aan [verdachte] gevraagd. Vandaar dat ik in het gesprek vroeg: “middelnaam van de jongste”. Ik wilde alleen de volledige naam van [betrokkene 4] hebben. (…) V: Hebt u op uw verzoek om informatie met betrekking tot [betrokkene 4] antwoord van mw. [verdachte] gekregen? (…) A: Ja, ik heb informatie met betrekking tot [betrokkene 4] van mw. [verdachte] gekregen. (…) Bewijsoverwegingen De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – kort en samengevat – aangevoerd dat de door de verdachte verstrekte informatie van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] geenszins beschermde persoonsgegevens en/of belastinggegevens betreft. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen ‘gewone’- en ‘bijzondere’ persoonsgegevens, nu ingevolge de Algemene verordening persoonsgegevens de bescherming gericht is op de bijzondere persoonsgegevens. Daar vallen de adresgegevens niet onder. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde artikel 2:232 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is van het tweede lid nooit sprake geweest: het misdrijf is allereerst tegen niemand gepleegd. Voorts is er ook geen klacht ingediend tegen de verdachte. De gesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 1] zijn in de strafzaak contra [betrokkene 1] aangetroffen. Het betrof dus ambtshalve verrichtingen van de Landsrecherche in een andere strafzaak die tot verdachtmaking en vervolgens vervolging van de verdachte hebben geleid. Indien er sprake zou zijn van een schending (uitwisselen van bijzondere persoons- of belastinggegevens) gericht tegen een bepaalde persoon – quod non – dan zou die persoon tegen de verdachte een klacht moeten hebben ingediend. Er is nooit en door niemand een klacht in dat kader ingediend, zodat gelet op het bepaalde in artikel 2:232, tweede lid, Sr vervolging achterwege had moeten blijven. Voorts ontbreekt het bestanddeel ‘opzet’ in de onderhavige zaak. De verdachte heeft geen opzet gehad op het schenden van haar geheimhoudingsplicht. Immers heeft zij nooit geheimen welke zij uit hoofde van haar beroep als belastingambtenaar te weten is gekomen, met derden gedeeld. Ten aanzien van het subsidiaire ten laste gelegde artikel 2:354 Sr wordt ook niet aan de bestanddelen voldaan. Het zijn immers geen bijzondere persoonsgegevens hetgeen de verdachte met [betrokkene 1] heeft gedeeld, aldus nog steeds de raadsman. Het Gerecht overweegt als volgt. De verdachte wordt verweten dat zij haar ambtsgeheim heeft geschonden door vertrouwelijke informatie/gegevens met betrekking tot [betrokkene 3] en [betrokkene 4] aan een derde, [betrokkene 1], te verstrekken. Bij de beoordeling of sprake is van “een geheim” als bedoeld in artikel 2:232 Sr moet gekeken worden naar de aard van de informatie en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis heeft gekregen. De aard van de informatie Op grond van artikel 1:196 Sr wordt onder gegevens verstaan iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken. Op grond van artikel 1 van de Landsverordening bescherming persoonsgegevens (hierna: Lvbp) wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen onder persoonsgegeven verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het Gerecht vast dat de door de verdachte aan [betrokkene 1] verstrekte informatie persoonsgegevens van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] betreft. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, vallen daar niet alleen persoonsgegevens, maar ook adresgegevens onder. De hoedanigheid waarin de verdachte de informatie kreeg Beoordeeld dient vervolgens te worden of de door de verdachte via WhatsApp-bericht aan [betrokkene 1] verstrekte informatie met betrekking tot [betrokkene 3] en [betrokkene 4], gezien haar inhoud, als geheim moet worden bestempeld. Op grond van de Algemene landsverordening Landsbelastingen Curaçao (hierna: de AlL) heeft de Belastingdienst de bevoegdheid om gegevens van de belastingplichtigen te verzamelen en te verwerken. Op grond van artikel 50, eerste lid, AlL is een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de belastingverordening en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, verplicht tot geheimhouding van die gegevens behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (hierna: de LMA) is de ambtenaar verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn ambt is ter kennis gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd. Het Gerecht stelt vast dat de verdachte de door haar verstrekte gegevens in het kader van de uitoefening van haar functie als belastingambtenaar heeft verkregen en waarop een wettelijke geheimhoudingsplicht rust, zoals vastgelegd in artikel 50 AlL en artikel 62 LMA. Niet is gebleken dat zij op enigerlei wijze bevoegd of genoodzaakt was tot het delen van de desbetreffende persoonsgegevens. Dat de informatie door een (destijds) politieambtenaar werd opgevraagd, doet aan dit oordeel niet af, nu een eventuele bevraging via de officiële kanalen had moeten plaatsvinden en niet op basis van de vriendschappelijke relatie tussen de verdachte en [betrokkene 1]. Door deze gegevens onrechtmatig te hebben verstrekt, heeft de verdachte gehandeld in strijd met haar wettelijke plicht tot geheimhouding en aldus haar ambtsgeheim geschonden. Klachtvereiste De vraag die vervolgens ter beoordeling voorligt, is of in de onderhavige zaak vereist is dat een klacht wordt ingediend. Het Gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend. Op grond van artikel 2:232, tweede lid, Sr is een klacht vereist wanneer het misdrijf is gepleegd tegen een bepaald persoon. Op grond van artikel 50, zesde lid, AlL wordt vervolging inzake schending van de geheimhouding slechts ingesteld op klacht van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden. Klachtgerechtigd is dus degene wiens geheim is meegedeeld. In de jurisprudentie is echter een uitzondering geaccepteerd op grond van artikel 272, tweede lid, SrNL, waaraan artikel 2:232, tweede lid, Sr vrijwel gelijkluidend is. Deze uitzondering houdt in dat geen klacht vereist is wanneer de openbaarmaking van het geheim tevens een publiek belang schaadt. Dit doet zich voor in gevallen waarin de geheimhoudingsplicht niet alleen ziet op de schending van privacy van een individuele persoon, maar ook in dienst staat van het publieke belang. Op grond van de jurisprudentie geldt dat in dergelijke gevallen de integriteit van de overheid in het geding is, waardoor vervolging niet afhankelijk mag worden gesteld van een klacht. Het openbaar belang speelt ook een rol bij de geheimhoudingsplicht van artikel 50 AlL, nu deze plicht mede ten doel heeft dat eenieder erop mag vertrouwen dat door de Belastingdienst bijeengebrachte gegevens, waaronder persoonsgegevens, vertrouwelijk worden behandeld. Dit publieke belang gaat verder dan de individuele privacybelangen van belastingplichtigen en kan dus niet afhankelijk van de klacht van een individuele benadeelde worden gesteld. Derhalve is er geen klachtvereiste in gevallen waarin de geheimhoudingsplicht een publiek belang behartigt. Gelet op het voorgaande is in de onderhavige zaak de vervolging niet afhankelijk van een klacht. Dit betekent dat de verdachte voor de openbaarmaking van zowel de persoonsgegevens van [betrokkene 3] als die van [betrokkene 4] kan worden vervolgd, zonder dat daarvoor een klacht noodzakelijk is.
Volledig
Ten overvloede geldt dat [betrokkene 4] wel aangifte heeft gedaan tegen de verdachte en daarbij in ondubbelzinnige bewoordingen te kennen heeft gegeven dat hij wenst dat een strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld. Opzet Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte bewust persoonsgegevens uit het computersysteem van de Belastingdienst aan [betrokkene 1] verstrekte, waarvan zij wist dat zij uit hoofde van haar ambt verplicht was deze geheim te houden. Daarmee is het opzet van de verdachte gegeven. Conclusie De verweren worden verworpen. Het bewijs van het primair ten laste gelegde is geleverd. Verweren ten aanzien van de strafbaarheid Het Gerecht overweegt dat de conclusie van de raadsman strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging niet is onderbouwd. Bij gebrek aan nadere toelichting zal het Gerecht hieraan voorbijgaan. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:232 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd: Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Oplegging van straf Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdachte heeft zich als belastingambtenaar schuldig gemaakt aan herhaalde opzettelijke schending van haar ambtsgeheim door aan een derde, haar goede vriendin, uit het computersysteem van de Belastingdienst van Curaçao, persoonsgegevens van anderen te verstrekken. De verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van haar positie als ambtenaar en heeft het in haar gestelde vertrouwen geschonden. Van een (belasting)ambtenaar wordt volledige integriteit en onkreukbaarheid verwacht. Daarbij heeft de verdachte met haar handelwijze schade toegebracht aan het imago van de Belastingdienst van Curaçao. Het Gerecht heeft acht geslagen op de documentatie van de verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het Gerecht is van oordeel dat het voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van verbodsbepalingen, waaronder het verbod op schending van de geheimhoudingsplicht, essentieel is dat overtreding van die verbodsbepaling niet vrijblijvend is en dat daaraan gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te geschieden. In het onderhavige geval neemt het Gerecht echter in aanmerking dat de bewezenverklaarde feiten van 2020 en 2022 dateren. Er is sindsdien geruime tijd verstreken. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte is niet gebleken dat zij zich nadien schuldig heeft gemaakt aan het onbevoegd verstrekken aan derden van informatie waarover zij uit hoofde van haar ambt beschikt en waarvan zij het geheim diende te bewaren. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting maakt het Gerecht bovendien op dat de verdachte inziet dat zij een grote fout heeft gemaakt en daar oprecht spijt van heeft. De verdachte heeft kennelijk een verder onberispelijke staat van dienst en zij is nog altijd werkzaam bij de Belastingdienst. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht het Gerecht in dit geval de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf niet passend. Het Gerecht is van oordeel dat een voorwaardelijke taakstraf passend en geboden is. Van deze straf gaat een ernstige waarschuwing uit naar de verdachte en deze zal bewerkstelligen dat de verdachte zich in de toekomst niet meer schuldig zal maken aan het als (belasting)ambtenaar informatie die geheim moet blijven met derden te delen. In de omstandigheden van het geval ziet het Gerecht geen aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke straf en de bijkomende straf van voorwaardelijke ontzetting uit het ambt van belastingambtenaar op te leggen. Het Gerecht acht, alles afwegende, oplegging van na te noemen voorwaardelijke taakstraf passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het Gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen vervangende hechtenis ; bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, zittingsgriffier, en op 31 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van de Landsrecherche d.d. 9 september 2024, geregistreerd onder zaaknummer LrC-2325 “Idesk” en de onderzoeksnaam “Mantel”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 92. Proces-verbaal restinformatie d.d. 8 februari 2023, geregistreerd onder PVnummer 100120230742, dossierpagina’s 12 – 14. Proces-verbaal bevinding inzake Whatsapp gesprekken tussen verdachte [betrokkene 1] en “[verdachte]” d.d. 14 juni 2022, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 202206140800.AMB, dossierpagina’s 18-20. Proces-verbaal bevinding inzake Whatsapp gesprekken tussen verdachte [betrokkene 1] en [verdachte] m.b.t. [betrokkene 2] d.d. 13 juni 2022, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 202206130800.AMB, dossierpagina’s 15 -17. Aangifte ter zake van schending van het ambtsgeheim en misbruik van functie d.d. 22 juni 2023, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 202306220830.AG, dossierpagina’s 25 - 27. Proces-verbaal eerste verhoor verdachte[verdachte] d.d. 24 november 2023, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2325231124.0900-VDT-01, dossierpagina’s 57 - 62. Proces-verbaal tweede verhoor verdachte [verdachte] d.d. 24 november 2023, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2325231124.1200-VDT-01, dossierpagina’s 65 – 72. Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 9 oktober 2024, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 2325-20241009.0900-GTG. Proces-verbaal eerste verhoor getuige [betrokkene 1] d.d. 28 februari 2024, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2325240228.0930-GTG-02, dossierpagina’s 80 – 92.