Rechtspraak 2025-07-01
ECLI:NL:OGEAC:2025:308
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: CARIN CARES HOLDING B.V., eiseres, gemachtigde: mr. A.C. van Hoof, advocaat, en de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning verweerder, gemachtigden: mrs. G.N. Hollander en L.J. Reenis, met als derde-belanghebbende: LYRA PROJECTS B.V. vergunninghoudster, gemachtigde: mr. H.M. Weijand. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van verweerder om aan vergunninghoudster een bouwvergunning te verlenen ter legalisering van een gebouwde keermuur. 1.1 Verweerder heeft deze beslissing genomen bij beschikking van 4 september 2024 (de bestreden beschikking). 1.2 Eiseres heeft een beroepschrift en een aanvullend beroepschrift met producties tegen de bestreden beschikking ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift met producties ingediend. De vergunninghoudster heeft een schriftuur met producties ingediend. 1.3 Het Gerecht heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [naam directeur], bijgestaan door haar gemachtigde. Ook de echtgenote van de directeur van eiseres is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam projectleider] (projectleider) en [naam architect] (architect), bijgestaan door haar gemachtigde. 1.4 Het Gerecht heeft dit beroep gelijktijdig behandeld met twee andere beroepen van eiseres, geregistreerd onder de nummers CUR202403824 en CUR202500414. Ook op het beroep met nummer CUR202403824 – dat betrekking heeft op een verzoek om handhavend op te treden tegen de door vergunninghoudster gebouwde keermuur – wordt vandaag uitspraak gedaan. In de zaak CUR202500414, die ziet op het uitblijven van een beslissing van verweerder op een verzoek om handhaving wegens bouwen in afwijking van de verleende vergunning voor flatgebouwen, heeft verweerder inmiddels alsnog een beslissing genomen. In dat verband heeft het Gerecht aan eiseres de vraag voorgelegd of haar beroep mede is gericht tegen deze (reële) beschikking. In die zaak wordt vandaag dus nog geen uitspraak gedaan. Beoordeling door het Gerecht 2. Het Gerecht beoordeelt de beslissing van verweerder om aan vergunninghoudster een bouwvergunning te verlenen ter legalisering van een gebouwde keermuur aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 2.1 Het Gerecht komt tot het oordeel dat verweerder de bouwvergunning terecht heeft verleend. Geen van de door eiseres genoemde weigeringsgronden uit artikel 22 van de Bouw- en woningverordening (Bwv) doet zich voor. 2.2 Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit en welke gevolgen dit oordeel heeft. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 3.1 Het Gerecht verwijst voor de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak naar de uitspraak die het Gerecht in de zaak CUR202401358 (ECLI:NL:OGEAC:2024:175) tussen partijen heeft gedaan. Daaraan voegt het Gerecht het volgende toe. 3.2 Op 2 maart 2024 hebben toezichthouders van verweerder een controle uitgevoerd bij de keermuur, die is gebouwd tussen de percelen van eiseres en vergunninghoudster. Naar aanleiding van die controle is een inspectierapport opgesteld. Daarin staat, voor zover hier relevant en kort samengevat, het volgende vermeld: uit terreincontrole en gelet op de situatietekening en de kadastrale grenzen staat de keermuur volledig op eigendomsgrond van vergunninghoudster, op ongeveer 50 – 70 cm afstand van de erfgrens; de keermuur fungeert als een grond kerende constructie voor het perceel van vergunninghoudster; er was een vergunning verleend voor een keermuur (met nummer [nummer vergunning][nummer vergunning 1]) met een bouwhoogte van 2 meter. Uit hoogtemetingen volgt dat de keermuur op sommige punten hoger is dan 2 meter. Het hoogst gemeten punt is 2.60 meter. 3.3 Op 11 april 2024 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het bouwen van een keermuur. Dat Dat betekent dat de beroepen die betrekking hebben op de keermuur afzonderlijk kunnen worden behandeld en beoordeeld, los van de beroepen die zien op de bouw van de flatgebouwen. 8.3 Eiseres heeft ter zitting verzocht om aanhouding van dit beroep en van een ander beroep van haar, met zaaknummer CUR20240824, dat ziet op een handhavingsverzoek met betrekking tot de keermuur. Volgens eiseres kunnen de bouw van de keermuur en de bouw van de flatgebouwen niet los van elkaar worden gezien. Zij wil daarom dat haar beroepen over de keermuur gelijktijdig worden behandeld met de beroepen die zij naar verwachting nog zal instellen tegen beschikkingen die verweerder nog moet nemen over de flatgebouwen. Ten aanzien van de flatgebouwen moet verweerder nog beslissen op het verzoek om handhavend op te treden tegen bouwen in afwijking van de verleende vergunning. Daarnaast zal verweerder mogelijk een gewijzigde bouwvergunning verlenen voor de flatgebouwen. 8.4 Wat het Gerecht in 8.1 en 8.2 heeft overwogen, is aanleiding geweest voor het Gerecht om in raadkamer te beslissen om dit beroep en het beroep met nummer CUR202403824 niet aan te houden en daarin uitspraak te doen. 9. Eiseres voert verder aan dat de muur ontsierend is. Voor de bouw van de keermuur liepen haar perceel en dat van vergunninghoudster naadloos in elkaar over. Dat beeld is nu doorbroken door de aanwezigheid van een keermuur van 3,5 meter hoog. Daarnaast is sprake van hinder. De wind had voor de bouw van de keermuur vrij spel en er was een mooi uitzicht. Dat is er nu niet meer. 10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 10.1 Artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving zal ontsieren of hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zal zijn. 10.2 Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het advies van UO ROP van 30 augustus 2024 op het standpunt gesteld dat deze weigeringsgrond zich niet voordoet. In het ROP-advies staat het volgende vermeld. Het gaat om een keermuur om de hoger gelegen grond tegen te houden. Het bouwplan is geprojecteerd op een kavel die bestemd is voor woondoeleinden in de wijk Girouette. Er zijn geen historische gebouwen of architectonisch interessante gebouwen in de omgeving. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een ontsierend effect door de ligging. De bouwwijze laat zich kenmerken als traditionele bouwmethode. Een fundering, een muur met gewapende ringbalken en gewapende steunberen. De muur is qua bouwwijze niet ontsierend voor de omgeving. Het terrein waarop de keermuur staat heeft een hoogteverschil van bijna 9 meter. De woning op het perceel [adres] zou enige hinder kunnen ondervinden van de keermuur. De kavel van deze woning ligt lager dan de omliggende kavels. Ter hoogte van de [straatnaam] is een hoogteverschil van ca 4.20 meter. De kortste afstand van de keermuur tot de woning [adres] is ruim 2 meter. De hoogte van de keermuur aldaar is ca. 2.90 meter gemeten vanuit de kavel van [adres]. Hierdoor wordt enige wind en zicht van de bewoners van deze woning ontnomen. De hoogte van de keermuur aldaar, gemeten vanuit de andere kant van de keermuur, de kavel waarop de keermuur staat, is circa 10 cm. De keermuur is vanuit bouwkundig oogpunt noodzakelijk om het terrein te egaliseren en om de grond tegen te houden. De keermuur is juist ook opgericht voor de veiligheid van de omliggende woningen. In dit opzicht weegt de veiligheid van de omliggende woningen zwaarder dan de geringe ontneming van wind en zicht. Het bouwplan vormt vanwege de ligging geen hinder voor de omgeving. In dit geval is sprake van traditionele bouwmaterialen, gewapend beton die niet reflecteren en ook geen andere bekende vorm van hinder opleveren. De keermuur is vlak en is geheel gebouwd op de eigen kavel. Het gebouw is qua bouwwijze niet hinderlijk voor de omgeving. 10.3 Het Gerecht is van oordeel dat verw