Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-10-24
ECLI:NL:OGEAC:2025:237
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
1,708 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202504220
Vonnis in kort geding van 24 oktober 2025
in de zaak van
[EISER],
te Curaçao,
eiser, hierna: ‘de vader’,
gemachtigde: mr. S.C. Larmonie,
tegen
[GEDAAGDE],
te Curaçao,
gedaagde, hierna: ‘de moeder’,
procederend in persoon.
1Het procesverloop
Op 17 oktober 2025 de vader een verzoekschrift in kort geding ingediend. De moeder is via e-mail opgeroepen. De moeder heeft een verweerschrift ingediend. De behandeling van het kort geding heeft hedenmorgen plaatsgehad. De rechter heeft aangezegd vandaag uitspraak te doen.
Feiten
2.1.
Partijen zijn de ouders van [het dochtertje], geboren te Curaçao op […] 2023. Zij hebben het gezamenlijk gezag. [Het dochtertje] woont bij de moeder.
2.2.
In juni 2025 is bij [het dochtertje] een huidaandoening geconstateerd. Partijen denken dat het gaat om het Gianotti Crosti-syndroom, een ongevaarlijke aandoening die normaalgesproken vanzelf weer over gaat. Partijen hebben met elkaar gesproken over de mogelijkheid om met [het dochtertje] naar Colombia te gaan om haar aldaar te laten onderzoeken op allergieën. De vader heeft vervolgens een afspraak gemaakt bij Fundación Neumologica Colombiana in Bogota voor een allergie-onderzoek op 27 oktober 2025. Hij heeft vliegtickets en een hotel geboekt voor hemzelf en [het dochtertje]. De verstandhouding en communicatie van partijen is deze maand echter in rap tempo verslechterd. De moeder heeft vragen gesteld bij de voorgenomen reis en heeft haar toestemming voor de reis niet willen geven. De vader heeft de moeder geblokkeerd op Whatsapp en is dit kort geding begonnen. De huiduitslag bij [het dochtertje] is minder geworden, maar is nog niet weg.
Beoordeling
3.1.
Omdat partijen gezamenlijk belast zijn met het gezag over de
[het dochtertje], hebben zij elkaars toestemming nodig voor reizen met [het dochtertje] naar het buitenland. De vader vordert in dit kort geding vervangende toestemming om aanstaande zondag met [het dochtertje] naar Bogota te reizen.
3.2.
De vader heeft een voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering. Daaraan staat niet in de weg dat niet is gebleken van een urgente medische noodzaak voor het voor aanstaande maandag geplande onderzoek. De vader heeft de reis voorbereid en heeft tickets en een hotel geboekt.
3.3.
De moeder heeft benadrukt dat ook zij de gezondheid van [het dochtertje] heel belangrijk vindt en dat zij er op zich voorstander van is dat een allergietest wordt gedaan. Zij wil daar zelf echter graag bij zijn, wat de komende tijd in verband met een wijziging in haar werkzaamheden en functie niet mogelijk is. Ook maakt zij zich zorgen over de veiligheid in Colombia.
3.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.5.
Zoals ter zitting besproken, is het van groot belang voor [het dochtertje] en partijen zelf dat partijen op een goede manier met elkaar over [het dochtertje] communiceren en ervoor zorgen dat conflicten over zaken als omgang en informatie zoveel mogelijk worden voorkomen. In beginsel moet het voor ieder van de ouders ook mogelijk zijn om met [het dochtertje] (vakantie)reisjes te maken, ook buiten Curacao, en mag de andere ouder de medewerking daaraan niet op onredelijke gronden onthouden. Als het partijen niet lukt om weer goed te gaan communiceren, zal het onderling vertrouwen afbrokkelen, met alle nadelige gevolgen van dien voor partijen en voor [het dochtertje].
3.6.
Over buitenlandse reizen en belangrijke beslissingen, ook over medische aangelegenheden, moeten partijen met elkaar overleggen. Dat leek in dit geval in het begin goed te gaan, maar nadat de tickets waren geboekt is het misgegaan. Een belangrijke factor daarbij lijkt te zijn geweest dat de vader onvoldoende duidelijk was geweest over de vraag of hij al dan niet in zijn eentje met [het dochtertje] zou reizen. Pas nadat de moeder haar verweerschrift had ingediend, heeft de vader laten zien dat ook zijn zus mee zal reizen naar Bogota om hem te helpen. Daarmee is, voor zover al nodig, tegemoetgekomen aan de twijfels van de moeder over de zorg en aandacht voor [het dochtertje] tijdens het verblijf in Bogota.
3.7.
Het gerecht acht het ook in het belang van [het dochtertje] dat de vader haar mee kan nemen naar Bogota voor het allergieonderzoek. De gevorderde vervangende machtiging zal dan ook worden verleend. Zoals ter zitting besproken, zal over eventuele medische vervolgstappen door partijen gezamenlijk worden beslist, na terugkeer van de vader en [het dochtertje] op 2 november 2025 in Curaçao.
3.8.
Zoals eveneens ter zitting besproken, is het van belang dat de vader de moeder tijdens de reis goed informeert. Daarover zal worden beslist als hierna omschreven.
Dictum
Het gerecht:
4.1.
verleent, ter vervanging van de toestemming van de moeder, toestemming
aan de vader om met de minderjarige [het dochtertje], geboren te Curaçao op […] 2023 op 26 oktober 2025 naar Bogota, Colombia te reizen, om vervolgens samen met de minderjarige weer op 2 november 2025 in Curaçao terug te keren;
4.2.
beveelt de vader:
- om de moeder tijdens het verblijf in Colombia via Whatsapp zo volledig en zo spoedig mogelijk te informeren over het allergieonderzoek en de uitslag daarvan;
- om de moeder tijdens het verblijf in Colombia via Whatsapp tweemaal per dag, in de ochtend ergens tussen 7:00 en 9:00 uur en in de middag ergens tussen 15:00 en 17:00 uur, een of meer foto’s van [het dochtertje] te sturen en om de moeder daarbij steeds op vriendelijke toon te informeren hoe het met [het dochtertje] gaat en wat ze gedaan heeft;
met bepaling dat de vader de moeder niet zal mogen blokkeren op Whatsapp;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, bijgestaan door
mr. H.M. Contermans, griffier, en in het openbaar uitgesproken.