Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-11-17
ECLI:NL:OGEAC:2025:232
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,304 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202302638
Vonnis van 17 november 2025
inzake
STICHTING JOHANNES BOSCO,
gevestigd te Curaçao,
eiseres,
gemachtigden: mrs. S.J.C. Anthonio en M.F. Murray,
tegen
HET LAND
Curaçao,
gevestigd te Curaçao,
gedaagde,
gevolmachtigden: mrs. G.N. Hollander en E.A.M.J. van den Berg.
Partijen worden hierna SJB en het Land genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit:
het tussenvonnis van 24 februari 2025;
de aktes uitlating van partijen van 26 mei 2025;
de akte uitlating producties van SJB van 23 juni 2025.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
De aan partijen gestelde vragen
2.1.
Bij het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld de daarin opgenomen vragen te beantwoorden. Hun antwoorden zijn hieronder samengevat weergegeven:
- in hoeverre is uitvoering gegeven aan het tegen [waterkavelhuurder 2] gewezen vonnis van het Hof van 23 april 2024 (zie hiervoor onder 6.4)?
SJB: [waterkavelhuurder 2] heeft de meeste boten en pieren verwijderd, maar niet pilaren van de pieren, de erfafscheiding, de betonnen vloer en de sceptic tank. Hij blijft terrein van SJB gebruiken, ook om naar en van zijn waterkavel te gaan. Dwangsommen zijn verbeurd maar niet te verhalen.
Land: De drijvende pier is door [waterkavelhuurder 2] verwijderd. De rest staat er nog.
- in hoeverre is door [waterkavelhuurder 1] gevolg gegeven aan de brief van het Land van 2 februari 2024 (zie hiervoor onder 6.5)?
SJB: Het Land heeft bevestigd dat [waterkavelhuurder 1] geen gehoor heeft gegeven aan de sommatie.
Land: Er is geen uitvoering gegeven aan de brief. De illegaal opgerichte opstallen op de illegaal geoccupeerde percelen staan er nog steeds.
- wat zijn de definitieve conclusies van het Land ten aanzien van de geoorloofdheid van de aanwezigheid en/of de wijze van gebruik per bouwwerk genoemd in het overzicht (zie hiervoor onder 6.6)?
SJB: Het Land is al jaren terug in kennis gesteld van de onrechtmatige situatie. Het Land heeft tijd genoeg gehad voor onderzoek, maar heeft dat nagelaten.
Land: Er zijn nog geen definitieve conclusies. Er is nog geen beleidskader voor de bestemming Water inzake het EOP. Het Land moet voldoen aan de wet en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- welke maatregelen heeft het Land (verder) getroffen om hinder door zijn huurders aan SJB weg te nemen?
SJB: Het Land heeft geen maatregelen getroffen.
Land: Vooralsnog geen.
- welke maatregelen is het Land voornemens te treffen om hinder door zijn huurders aan SJB weg te nemen, en binnen welke termijn?
SJB: In zijn brief van 22 september 2022 heeft het Land geschreven pas in actie te zullen komen als het Gerecht heeft vastgesteld dat het Land onrechtmatig jegens SJB handelt door niet op te treden.
Land: Er moet eerst een beleidskader komen, ook om te bepalen wat onder overmatige hinder wordt verstaan als bedoeld in art. 13 EOP. De situatie is complexer dan aanvankelijk ingeschat. Er zijn (drone)foto’s gemaakt en gebouwen opgemeten, in het kader van nader onderzoek om de impact voor de omgeving te kunnen inschatten en beoordelen. Daarvoor zijn nog drie maanden nodig.
[foto]
(door het Land overgelegde luchtfoto van de huidige situatie)
Het belang van SJB bij haar vordering
2.2.
Uit de in het tussenvonnis onder 2.4 opgenomen uitspraken van dit gerecht en van het Hof, blijkt dat al decennia sprake is van hinder en onrechtmatig handelen door de huurders van de waterkavels jegens SJB. Het betreft onder meer a) het ongeoorloofd (laten) betreden van het terrein van SJB, het ongeoorloofd bebouwen, opvullen en anderszins gebruiken van de dijk van SJB en c) het zonder bouwvergunning bouwen op en buiten de waterkavels.
2.3.
Uit de beantwoording van de bij het tussenvonnis aan partijen voorgelegde vragen blijkt dat SJB nog belang heeft bij haar vordering. De huurders hebben niet voldaan aan de tegen hen uitgesproken veroordelingen en er is nog geen sprake van ingrijpen door het Land, noch in zijn hoedanigheid van verhuurder van de waterkavels, noch als handhaver voor wat betreft het zonder vergunning op en buiten die waterkavels gebouwde.
Het Land moet optreden als verhuurder
2.4.
Naar het oordeel van het gerecht kan inmiddels van het Land gevergd worden dat het Land optreedt tegen zijn huurders. Op de uitspraak van het gerecht uit 1998 waarbij de vorderingen van SJB tegen (de rechtsvoorganger van) het Land werden afgewezen, is een trits aan rechterlijke beslissingen gevolgd waarbij het onrechtmatig handelen van de huurders jegens SJB is vastgesteld en de huurders jegens SJB zijn veroordeeld dat handelen te staken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken. Tussen partijen staat vast dat de huurders niet of nauwelijks aan die beslissingen hebben voldaan en dat het onrechtmatig handelen jegens SJB voortduurt. Gesteld noch gebleken is dat SJB zelf nog civielrechtelijke (rechts)middelen tot haar beschikking heeft die zij in redelijkheid moet benutten alvorens zij zich tot het Land als verhuurder wendt. Bij die stand van zaken bestaat voor het Land als verhuurder jegens SJB als buur op grond van hetgeen maatschappelijk betaamt de verplichting alles te doen wat redelijkerwijze in zijn vermogen ligt de stoornis te beëindigen. Een effectieve wijze van beëindiging is, zoals SJB mede vordert, de beëindiging van de huurovereenkomsten op grond van tekortkomingen van de huurder jegens de verhuurder, gevolgd door ontruiming.
2.5.
Onder c) van haar petitum heeft SJB een zeer ruim gebod aan het Land geformuleerd, op straffe van dwangsommen. Het gerecht zal het Land gebieden in een gerechtelijke procedure de beëindiging/ontbinding van de huur van de betreffende waterkavels en de ontruiming te vorderen. Een dergelijke procedure zal eraan bijdragen dat voor alle betrokkenen, SJB ingegrepen, duidelijkheid ontstaat over het al dan niet rechtens voortduren van de huurrelatie, rechtszekerheid die niet verkregen wordt als het Land zou worden opgedragen de overeenkomsten eenzijdig buiten rechte te beëindigen.
Het Land als handhavende overheid
2.6.
Voor zover SJB aan haar vordering mede ten grondslag legt dat het Land onrechtmatig jegens haar handelt doordat het Land geen gebruik maakt van zijn bestuursrechtelijke bevoegdheden tot handhaving op grond van de Bouw- en Woningverordening, kan zij in die vordering niet worden ontvangen. Bij weigering door het Land (de Minister) van een verzoek om handhaving, staat voor SJB immers beroep open op de bestuursrechter.
Conclusie
2.10.
Op grond van het voorgaande zal worden beslist als hierna omschreven.
2.11.
Aangenomen wordt dat het Land gevolg zal geven aan het te geven gebod. Het gerecht ziet daarom geen aanleiding om aan het gebod een dwangsom te verbinden.
2.12.
Omdat partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
Dictum
Het gerecht:
3.1.
gebiedt het Land om binnen zes maanden na deze uitspraak in een gerechtelijke procedure tegen de huurders van de betreffende waterkavels de beëindiging/ontbinding van de huur van die kavels en de ontruiming daarvan te vorderen;
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst af het meer of anders gevorderde;
3.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en op 17 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Zie overweging 6.1 van het tussenvonnis.
Zie de opsomming onder 2.4 van het tussenvonnis.
Hoge Raad 16 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0719 […]), aangehaald in overweging 6.3 van het tussenvonnis.
Weergegeven onder 3.1 van het tussenvonnis.
Brief van 2 februari 2024, zie overweging 6.5 van het tussenvonnis.