Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-05-26
ECLI:NL:OGEAC:2025:195
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,491 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202302650
Vonnis van 26 mei 2025
in de zaak van
RAGING RHINO N.V.
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna: Raging Rhino,
gemachtigde: mr. R.F. van den Heuvel en mr. N. Blokland,
tegen
[gedaagde]
wonende in [stad] ([land]),
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde mr. R.E.F.A. Bijkerk,
1Het procesverloop
1.1
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 18 augustus 2023, met producties,
- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie van
11 december 2023, met producties,
- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in
reconventie, met producties, van 20 mei 2024,
- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie van
7 oktober 2024, ,
- conclusie van dupliek in reconventie van 3 februari 2025 met producties,
- akte uitlating producties van 10 maart 2025.
1.2
Vonnis is bepaald op vandaag.
2Waar gaat deze procedure over?
2.1
Raging Rhino is in Oostenrijk bij vonnis, dat in hoger beroep is bekrachtigd, jegens [gedaagde] veroordeeld tot terugbetaling van de inleggelden van [gedaagde] bij een online casino van Raging Rhino, omdat Raging Rhino in Oostenrijk niet over de voor het aanbieden van gokdiensten benodigde vergunning beschikt en de met de speler gesloten kansspelovereenkomsten daarom nietig zijn.
2.2
In deze zaak speelt de vraag of deze Oostenrijkse vonnissen in Curaçao kunnen worden erkend. Geoordeeld wordt dat dat kan, omdat -anders dan Raging Rhino stelt - is voldaan aan het in het Gazprombank-arrest geformuleerde vereiste dat de erkenning van de Oostenrijkse vonnissen niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde. Het gerecht oordeelt daarmee gelijkluidend als in eerdere vonnissen in soortgelijke zaken.
Feiten
3.1
Raging Rhino exploiteert een online casino in Curaçao onder de licentie van een vergunninghouder in Curaçao.
3.2 [
gedaagde] heeft in een online casino van Raging Rhino in Oostenrijk gespeeld. Nadat hem is gebleken dat het casino in Oostenrijk niet over de voor het aanbieden van gokdiensten benodigde vergunning beschikt, is hij in Oostenrijk een procedure gestart tegen Raging Rhino om het geld dat hij heeft ingelegd terug te vorderen.
3.3
In een vonnis van het Landesgericht Innsbruck van 10 maart 2023 is de vordering van [gedaagde] toegewezen en is Raging Rhino veroordeeld om aan [gedaagde] zijn verliezen te betalen van in totaal € 464.460 met rente en kosten. Het Landesgericht heeft daartoe overwogen dat de met de speler gesloten kansspelovereenkomsten nietig zijn omdat Raging Rhino niet over de benodigde vergunning beschikt en de betalingen door de speler daarom aan de speler moeten worden terugbetaald.
3.4
Het Oberlandesgericht Innsbruck heeft het door Raging Rhino ingestelde hoger beroep op 4 mei 2023 verworpen en Raging Rhino veroordeeld in de proceskosten van de speler van € 4.467,12.
4De vorderingen in conventie en in reconventie
4.1
Raging Rhino vordert in conventie dat het gerecht voor recht verklaart dat dat het vonnis van het Landesgericht Innsbruck met nummer [nummer] van 10 maart 2023 en het vonnis van het Oberlandesgericht Innsbruck met nummer [nummer] van 4 mei 2023 (hierna samen: de Oostenrijkse vonnissen) zich hier te lande niet voor erkenning lenen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2 [
gedaagde] vordert in reconventie primair dat het gerecht Raging Rhino op de voet van artikel 431 lid 2 Rv veroordeelt al hetgeen waartoe zij in de Oostenrijkse vonnissen is veroordeeld aan hem te betalen, en subsidiair voor recht te verklaren dat Raging Rhino onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde], en Raging Rhino te veroordelen om aan [gedaagde] te betalen € 464.460, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2022 tot aan de dag van algehele betaling en Raging Rhino te veroordelen om aan [gedaagde] te verstrekken alle correspondentie tussen Raging Rhino en [gedaagde] vanaf de datum van het openen van zijn account bij Luckydays.com tot het moment van sluiten van zijn account, en een kopie te verstrekken van zijn betting- en transaction history over deze periode op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Beoordeling
5.1
In deze zaak is aan de orde de vraag of de vorderingen uit de Oostenrijkse vonnissen kunnen worden erkend in Curaçao. Daartoe geldt het bepaalde in artikel 431 lid 2 Rv.
Het gerecht in Curaçao is bevoegd en Curaçaos recht is van toepassing
5.2
Artikel 431 lid 2 Rv schept in beginsel rechtsmacht voor de Curaçaose rechter. Daaruit volgt immers dat het geding dat ten overstaan van de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Curaçaose rechter kan worden behandeld en afgedaan. Dit geldt ongeacht of de Curaçaose rechter aanleiding ziet tot een inhoudelijke herbeoordeling van het geschil dan wel beoordeelt of aan een beslissing van een buitenlandse rechter gezag toekomt en zich in dat verband beperkt tot een toets aan de vereisten zoals door de Hoge Raad uiteen gezet in het zogenoemde Gazprombankarrest. In zijn algemeenheid geldt hierop als uitzondering het geval waarin de eisende partij met het voorleggen van de desbetreffende vordering aan de Curaçaose rechter op de voet van artikel 431 lid 2 Rv misbruik van procesrecht maakt. Dat daar in dit geval sprake van zou zijn, is niet gesteld of gebleken. Het gerecht is dus bevoegd om van de vorderingen van [gedaagde] kennis te nemen.
5.3
Niet in geschil is dat de vraag naar de erkenning van de Oostenrijkse vonnissen een procesrechtelijke vraag is die naar Curaçaos recht wordt beoordeeld.
De Oostenrijkse vonnissen zijn niet in strijd met de Gazprombank-vereisten
5.4
Een Oostenrijks vonnis kan in Curaçao niet worden erkend en/of ten uitvoer gelegd op grond van een bepaling in een Curaçao bindend verdrag, omdat tussen Curaçao en Oostenrijk geen verdrag geldt waarin de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen is geregeld.
5.5
Bij de beoordeling of aan een beslissing van de Oostenrijkse rechter gezag toekomt, moet daarom worden getoetst of aan de vereisten zoals door de Hoge Raad uiteen gezet in het Gazprombankarrest is voldaan. Als uitgangspunt geldt dat
een buitenlandse beslissing in Curaçao in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing tot is stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Curaçaose rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Curaçao vatbaar is
Wanneer is voldaan aan de vier hiervoor vermelde voorwaarden, kan het buitenlandse vonnis worden erkend en komt aan die beslissing gezag toe, in die zin dat de gebondenheid van partijen aan die buitenlandse beslissing tot uitgangspunt moet worden genomen.
5.6
In deze zaak is uitsluitend in geschil of is voldaan aan het vereiste als hiervoor vermeld onder (iii), namelijk of de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde. Volgens Raging Rhino zijn de Oostenrijkse vonnissen in strijd met de Curaçaose openbare orde, omdat de daarin toegewezen vorderingen in Curaçao onder de regeling van artikel 7A:1807 en 7A:1810 BW vallen en die regeling, gelet op het dwingende karakter daarvan ex artikel 7A:1809 BW, van openbare orde is.
5.7
In artikel 7A:1807 BW is bepaald dat de wet geen rechtsvordering toestaat ter zake van een schuld uit spel of uit weddingschap voortgesproten. Artikel 7A:1809 bepaalt dat artikel 7A:1807 BW van dwingend recht is. In artikel 7A:1810 BW is bepaald dat hij die het verlorene vrijwillig betaald heeft, in geen geval hetzelfde kan terugeisen, tenware van de kant van degene die gewonnen heeft, bedrog, list of oplichting hebbe plaatsgehad.
5.8
Bij de beoordeling of het erkennen van een buitenlands vonnis in strijd is met de Curaçaose (materiële) openbare orde moet de rechter zeer terughoudend zijn. Niet snel zal sprake zijn van strijd met de openbare orde. Er moeten bijzondere omstandigheden zijn die de conclusie rechtvaardigen dat erkenning in het betreffende geval achterwege moet blijven. De openbare orde is alleen in het geding als de erkenning en tenuitvoerlegging in strijd komen met rechtsbeginselen die voor fundamenteel moeten worden gehouden in de Curaçaose rechtsorde.
5.9
Voor de vraag of de Oostenrijkse vonnissen in Curaçao kunnen worden erkend, is niet relevant hoe het recht in Curaçao luidt. Erkenning van een buitenlandse beslissing wordt niet onthouden als de Curaçaose rechter, op grond van Curaçaos recht, anders zou hebben beslist. Ook wanneer naar Curaçaos recht zou moeten worden geoordeeld dat de artikelen 7A:1807-1810 BW dwingendrechtelijk van toepassing zijn en ambtshalve moeten worden toegepast door de rechter, en, anders dan naar Oostenrijks recht, een kansspelovereenkomst niet nietig is als niet over de voor het aanbieden van gokdiensten benodigde vergunning wordt beschikt, betekent dat niet dat sprake is van strijd met de openbare orde van Curaçao die aan erkenning van de Oostenrijkse vonnissen in de weg staat. Dat naar het recht van een ander land een spelovereenkomst nietig is als de organisator van het gokspel niet over de vereiste vergunning beschikt, is immers niet aan te merken als in strijd met enig rechtsbeginsel dat in Curaçao voor fundamenteel valt te houden. Niet valt in te zien dat de artikelen 7A:1807-7A:1810 BW zelf van openbare orde zijn. Te meer niet, nu door het Curaçaose Gemeenschappelijke Hof van Justitie naar Curaçaos recht is geoordeeld, en door de Hoge Raad is bevestigd, dat de regulering van gokdiensten door de Landsverordeningen Hazardspelen meebrengt dat de artikelen 7A:1807 en 7A:1810 BW buiten toepassing moeten worden gelaten, dat een spelovereenkomst ook naar het recht van Curaçao nietig is als de organisator geen vergunning heeft voor het aanbieden van de gokdiensten en dat de vordering uit onverschuldigde betaling van de speler, die van deze nietigheid het gevolg is, niet onder de artikelen 7A:1807- en 7A:1810 BW valt. Ook de invoering door de wetgever van een nieuwe Landsverordening op kansspelen heeft hierin geen wijziging gebracht, omdat deze niet het openbare orde aspect van de betreffende artikelen raakt.
5.9
Overigens mag hierbij niet uit het oog worden verloren dat Raging Rhino een gokverbod heeft overtreden door gokdiensten in Oostenrijk aan te bieden zonder in Oostenrijk over de daarvoor benodigde vergunning te beschikken. Het niet kunnen terugvorderen van de inzet bij een illegaal opererend casino zou in strijd zijn met het doel van het gokverbod. Eventuele verstrekkende gevolgen van de erkenning van de Oostenrijkse vonnissen in die zin dat spelers dan ‘gratis’ kunnen spelen, waarvoor Raging Rhino stelt bang te zijn, kan zij voorkomen door niet zonder een in het buitenland vereiste vergunning, en dus legaal, gokspelen aan te bieden.
Conclusie
5.10
Het voorgaande brengt mee dat de vordering in conventie wordt afgewezen en de vordering in reconventie wordt toegewezen.
5.11
Omdat Raging Rhino zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij in beide procedures veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [gedaagde]
worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 3.000 in conventie en Cg 1.875 in reconventie.
Dictum
Het gerecht:
in conventie
6.1.
wijst de vordering af;
6.2
veroordeelt Raging Rhino in de proceskosten van [gedaagde] van NAf 3.000;
in reconventie
6.3
veroordeelt Raging Rhino tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 464.460 te vermeerderen met 4% rente vanaf 15 augustus 2022 en € 17.651,64 en € 4.467,12, althans het equivalent van al deze bedragen in Antilliaanse guldens;
6.4
veroordeelt Raging Rhino in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op NAf 1.875;
6.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Tubben, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
ECLI:NL:HR:2014:2838
vlg. ECLI:NL:OGHACMB:2023:68, ECLI:NL:HR:2024:295 +6
P.B. 2024, no 157.