Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-05-27
ECLI:NL:OGEAC:2025:186
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,219 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202500911
Beschikking d.d. 27 mei 2025
inzake
de naamloze vennootschap
VEHIA N.V.,
gevestigd in Curaçao,
verzoekster,
verweerster in het zelfstandig verzoek,
gemachtigde: mr. K.D. Keizer,
tegen
[Verweerder],
wonende in [woonplaats],
verweerder,
verzoeker in het zelfstandig verzoek,
gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers.
Partijen zullen hierna Vehia en [verweerder] worden genoemd.
1Het procesverloop
Inzake de verzoeken van Vehia en [verweerder]
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 18 maart 2025, met de daarbij overgelegde
producties;
- de aanvullende producties zijdens Vehia;
- het verweerschrift houdende zelfstandig verzoek;
- de mondelinge behandeling gehouden op 29 april 2025.
1.2.
De uitspraak is bepaald op heden.
Feiten
Inzake de verzoeken van Vehia en [verweerder]
2.1. [
verweerder], thans 57 jaar, is sinds 1 oktober 1991 in dienst van Vehia, laatstelijk als “Chief Operations Officer”, tegen een basis brutoloon van Cg 28.048,- per maand, exclusief emolumenten.
2.2.
Vehia is, vanwege financiële problemen, sinds juli 2018 op grond van artikel 60 lid 1 van de Landsverordening toezicht verzekeraars onder de noodregeling gebracht. Sinds de noodregeling oefent de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS) bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders, de commissarissen en de vertegenwoordigers van Vehia uit.
2.3.
Na verschillende pogingen om Vehia in haar huidige vorm voort te zetten hebben de CBCS en de regeringen van de landen Curaçao en Sint Maarten besloten om over te gaan tot herstructurering en uiteindelijk afwikkeling van Vehia. In de loop van 2024 is de beslissing tot herstructurering definitief gemaakt. Daarbij is het primaire doel geweest het veiligstellen van de pensioenen van afgerond 30.000 polishouders en pensioengerechtigden in Curaçao en Sint Maarten.
2.4.
Deze herstructurering is mogelijk doordat de Landen Curaçao en Sint Maarten, evenals de CBCS, aanzienlijke leningen daartoe hebben verstrekt en jaarlijks leningen zullen blijven verstrekken via het overeengekomen “Hoofdlijnen akkoord”. Daarin is in artikel 8.1. afgesproken dat er voor de komende 30 jaar jaarlijks een bedrag van meer dan Cg 47 miljoen wordt gefinancierd ten behoeve van de verzekeringsverplichtingen van Vehia.
2.5.
Tijdens een vergadering op 21 oktober 2024 zijn de werknemers van Vehia geïnformeerd dat Vehia zou worden afgewikkeld en over de procedure die geldt voor wat betreft het mogelijk in dienst kunnen treden bij Ennia Nieuw (hierna: Ennia). Vervolgens hebben alle werknemers vanaf 23 oktober 2024 een brief ontvangen met een formele uitnodiging om te solliciteren bij Ennia.
2.6.
Met vrijwel alle voormalige werknemers van Vehia zijn de arbeidsovereenkomsten beëindigd in overeenstemming met een, na overleg niet door de betrokken vakbond ondertekend, door Vehia opgesteld protocol, waarin onderscheid werd gemaakt tussen drie categorieën werknemers, waaronder die van werknemers die geen baan aangeboden hebben gekregen bij Ennia.
2.7.
Met een zevental werknemers is het niet gelukt om tot een beëindiging met wederzijdse goedvinding te komen. [verweerder] is één daarvan. Hij was vanaf 18 oktober 2024 tot en met 8 januari 2025 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt.
2.8.
Bij e-mailbericht van 17 januari 2025 heeft Vehia, voor zover hier relevant, het volgende aan [verweerder] medegedeeld:
“ Zoals u wellicht bekend zijn de verzekeringswerkzaamheden voor alle werknemers binnen ENNIA Caribe Holding N.V. (thans Vehia N.V.) en haar dochtervennootschappen tot een einde gekomen. Het gevolg hiervan is dat (ook) uw arbeidsovereenkomst moet worden beëindigd. Werknemers die geen functie is aangeboden bij ENNIA Nieuw (ENNIA Holding N.V. ), komen in aanmerking voor een beëindigingspakket.
(…) Het bovenstaande betekent voor u dat u niet meer op het werk hoeft te verschijnen aangezien er sinds 1 januari 20225 geen verzekeringswerkzaamheden meer worden verricht in ‘ENNIA Oud’ (Vehia N.V.). (…)”
2.9.
Bij brief van 17 januari 2025 heeft Vehia, voor zover hier relevant, het volgende aan [verweerder] medegedeeld:
“In het kader van een mogelijke werkrelatie met ENNIA Holding N.V. (EH) hebben wij ([belanghebbende 1] en [belanghebbende 2]) van EH met u een viertal gesprekken gevoerd. Deze gesprekken vonden plaats op 8 januari 2025, 9 januari 2025, 13 januari 2025 en 15 januari 2025.
Na een zorgvuldige afweging zijn wij tot de conclusie gekomen dat uw competenties op dit moment helaas niet in voldoende mate aansluiten bij de specifieke vereisten van EH en voor de functie van Director Operations binnen EH. Dit besluit is weloverwogen genomen op basis van een combinatie van factoren die momenteel het beste passen bij de functie en het team. (…)”
2.10.
Uit een brief van 12 februari 2025 van Ernst & Young Accountants, de externe accountant van Vehia, volgt op basis van de nog niet gecontroleerde beschikbaar gestelde jaarcijfers dat het enkelvoudig eigen vermogen van Vehia ultimo 2023 circa Cg 962 miljoen negatief is. Verder is daarin, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:
“(…)Echter, op basis van het tot op heden door VEHIA en de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten aan ons beschikbaar gestelde informatie kunnen wij reeds concluderen dat:
- VEHIA een significant negatieve vermogenspositie heeft waarbij onder de huidige omstandigheden op korte termijn geen zicht is op herstel vanwege het ontbreken aan activa welke voldoende toekomstige economische voordelen (inkomsten) voor VEHIA kunnen realiseren;
- VEHIA niet op eigen kracht in staat geacht wordt aan haar verplichtingen te kunnen voldoen en discontinuïteit van VEHIA enkel met medewerking van de landen Curaçao en Sint Maarten en de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten of de aandeelhouder voorkomen zou kunnen worden; Dit blijkt tevens uit het geaccordeerde “hoofdlijnen akkoord” tussen de landen Curaçao en Sint Maarten en de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten en Ennia.
Wij zien momenteel geen aanleiding om te veronderstellen dat voorgaande conclusies met betrekking tot de continuïteit wezenlijk zullen veranderen als wij onze controle werkzaamheden hebben afgerond en onze controleverklaring bij de jaarrekening kunnen verstrekken. (…)”
2.11.
Inmiddels hebben alle overgebleven werknemers van Vehia, op [verweerder] na, met Vehia een regeling bereikt tot beëindiging van hun arbeidsovereenkomst op basis van voormeld protocol.
Geschil
Inzake het verzoek van Vehia
3.1.
Vehia verzoekt het gerecht om bij beschikking de arbeidsovereenkomst tussen Vehia en [verweerder] te ontbinden en daarbij, rekening houdend met de financiële situatie van Vehia, aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen van maximaal de Cessantia conform artikel 3 lid 1 van de Landsverordening Cessantia, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
3.2.
Vehia legt - kort samengevat - aan haar verzoek ten grondslag dat er sprake is van gewichtige redenen zijnde veranderingen in de omstandigheden in de zin van een ernstig verslechterde bedrijfseconomische situatie waardoor de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen.
3.3. [
verweerder] verzet zich niet tegen de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst maar meent dat dit wel tegen een billijke vergoeding conform artikel 7A:1615 w lid 5 BW dient te geschieden.
Inzake het zelfstandig verzoek van [verweerder]
3.4. [
verweerder] verzoekt het gerecht om bij beschikking:
a. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden onder toekenning van een vergoeding van Cg 2.476.292,76;
b. Vehia te veroordelen tot betaling van de indexering over het loon van 2.26% over de maanden januari tot het einde van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW van 50%;
c. Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 444.587,- uit hoofde van de opgebouwde UKP rechter;
d. Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 439.049 voor de affinanciering van het pensioen;
e. Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 35.457,- wegens niet genoten vakantiedagen;
f. Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 263.720,- wegens gemiste toekomstige jubileumbonussen;
g. Vehia te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf 25 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening over de bedragen sub b, c, d, e en f;
h. Vehia te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de gemachtigde van [verweerder] en te bepalen dat over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd is vanaf 5 dagen na het geven van de deze beschikking.
3.5.
Vehia heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.6.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover voor de te nemen beslissing van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Ontbinding
4.1.
Uitgangspunt bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek is dat de werkgever ingevolge artikel 7A:1615w lid 1 BW te allen tijden bevoegd is zich wegens gewichtige redenen tot de rechter te wenden met het schriftelijk verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Als gewichtige redenen worden beschouwd omstandigheden, welke een dringende reden, als bedoeld in artikel 7A:1615o eerste lid BW zouden hebben opgeleverd, alsook veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
4.2.
Vehia legt aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag dat er sprake is van veranderingen in de omstandigheden. Deze veranderde omstandigheden zijn volgens Vehia dat er sprake is van een ernstig verslechterde bedrijfseconomische situatie. De ontstane situatie is van dien aard dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, aldus Vehia.
4.3.
In zijn processtukken en ter zitting heeft [verweerder] eveneens te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst te willen ontbinden. Nu beide partijen erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden, zal het gerecht die wens respecteren en tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaan. Het verzoek tot ontbinding op grond van verandering in de omstandigheden zal dan ook worden toegewezen. De arbeidsovereenkomst zal per 4 juni 2025 door het gerecht worden ontbonden.
Billijke vergoeding
4.4.
Vervolgens staat ter beoordeling de vraag of met het oog op de omstandigheden van het geval het billijk voorkomt dat aan [verweerder] op grond van artikel 7A:1615w lid 5 BW een vergoeding wordt toegekend, en zo ja, wat de hoogte van die vergoeding zal moeten zijn.
4.5.
Vehia erkent dat de reden van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in haar risicosfeer ligt en dat het betalen van een beëindigingsvergoeding om die reden in beginsel billijk zou zijn. Daarbij merkt Vehia echter op dat bij de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst [verweerder] wettelijk gezien slechts recht zou hebben op Cessantia. Ook bij faillietverklaring van Vehia zou hij slechts recht hebben op Cessantia. Vehia heeft reeds bij het doen van haar eerste aanbod, maar ook zeker bij haar laatste aanvullende aanbod aan [verweerder], ondanks het feit dat er daar geen financiële ruimte voor is, alsnog een extra vergoeding aangeboden, één en ander zoals uitgewerkt in het protocol. Nu Vehia op dit moment geen inkomen genereert, slinkt hetgeen zij aan [verweerder] kan betalen alleen maar. Bovendien zal [verweerder] tegen de tijd dat er in deze zaak een beschikking zal worden gegeven nog vijf maanden als enige in dienst van Vehia zijn geweest. Al die maanden is zijn salaris (met emolumenten meer dan Cg 40.000 per maand) doorbetaald. Vehia is dan ook van mening dat het gerecht bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening dient te houden met het feit dat [verweerder] na januari 2025 nog 5 maanden salaris zal hebben ontvangen tot de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst door het gerecht, zonder dat daar enige arbeid tegenover stond, terwijl de overige werknemers wel al eerder hebben ingestemd met de aangeboden regeling.
4.6. [
verweerder] heeft het gerecht verzocht om, in geval van ontbinding, een geldelijke vergoeding toe te kennen die conform de kantonrechtersformule wordt vastgesteld, met toepassing van correctiefactor C=1,5. Volgens [verweerder] is het niet ongebruikelijk dat een correctiefactor 1,5 wordt toegewezen bij een ontbinding wegens slechte financiële omstandigheden. Vooral in gevallen zoals deze waarbij de werkgever onvoldoende heeft gedaan om de werknemer elders in de organisatie of bij een andere organisatie een baan aan te bieden. Volgens [verweerder] zou hij gewoon werk bij Vehia kunnen verrichten. Vehia heeft nog verzekeringen lopen, moet nog uitkeringen doen en administreren en heeft meer winstmakende ondernemingen in eigendom. Verder is het naar de mening van [verweerder] zo dat enkel Vehia het ertoe heeft geleid dat hij niet mee is overgegaan naar Ennia. Haar bestuurders hebben immers de sollicitatieprocedure in Ennia gedaan en zonder overleg met [verweerder], in strijd met de privacy wetgeving, informatie aan Ennia verstrekt en vice versa. Hij heeft in de sollicitatieprocedure dus geen eerlijke kans gehad. Voorts heeft [verweerder] aangevoerd dat hij al 57 jaar oud is, dat hij 34 jaar bij Vehia heeft gewerkt en altijd goed heeft gefunctioneerd. Volgens [verweerder] is het verder een feit van algemene bekendheid dat er op Curaçao vrijwel geen functies bestaan op het salarisniveau van [verweerder]. Ook heeft hij betoogd dat zijn kennis heel branchespecifiek is, hetgeen maakt dat hij moeilijk aan een andere baan zal komen. Ten slotte heeft [verweerder] nog aangevoerd dat het op Curaçao breed bekend is dat hij te kampen heeft (gehad) met gezondheidsproblemen. Deze recente gezondheidsgeschiedenis zal het voor hem in combinatie met zijn leeftijd, moelijker maken om werk te vinden, aldus [verweerder].
4.7.
Het gerecht overweegt hieromtrent als volgt. Voor de beslissing omtrent de toekenning van een ontbindingsvergoeding zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Uitgangspunt is dat een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden in de risicosfeer van de werkgever ligt. Dat geldt hier ook waardoor het gerecht een vergoeding aan [verweerder] zal toekennen. Deze zal in verhouding tot het door [verweerder] verzochte bedrag (correctiefactor 1,5) echter fors beperkter in omvang zijn. Redengevend daarvoor is in de eerste plaats de context waarbinnen tot herstructurering van Vehia is overgegaan. Zoals hiervoor in 2.3 en 2.4. vermeld, zijn de Landen Curaçao en Sint Maarten en de CBCS onder verstrekking van aanzienlijke leningen tot herstructurering van Vehia overgegaan, opdat ongeveer 30.000 polishouders en pensioengerechtigden, die in veel gevallen afhankelijk zijn van een aanvullende pensioenuitkering, dat pensioen behouden. Voorts blijkt uit de door Vehia verstrekte cijfers dat Vehia thans een onverminderd negatief eigen vermogen van circa Cg 962 miljoen heeft en dat daarin, vanwege een gebrek aan substantiële activiteiten, geen fundamentele verandering zal komen. Weliswaar zijn deze cijfers nog niet volledig gecontroleerd maar de externe accountant van Vehia heeft te kennen gegeven dat niet aannemelijk is dat de volledig gecontroleerde cijfers hiervan zullen afwijken. Wat [verweerder] daartegenover aan mogelijke inkomsten stelt, staat in geen verhouding tot voormeld bedrag van Cg 962 miljoen.
4.8.
Hoewel aan [verweerder] kan worden meegegeven dat het gerecht bij de bepaling van de vergoeding rekening dient te houden met de omstandigheden dat [verweerder] 57 jaar oud is, dat hij 34 jaar lang tot volle tevredenheid van Vehia de opgedragen werkzaamheden heeft verricht en dat zijn vooruitzichten op een dienstbetrekking met eenzelfde loon gezien de arbeidsmarkt op Curaçao minder gunstig zijn, zijn deze omstandigheden voor het gerecht niet doorslaggevend, vooral gelet op voormelde bredere context waarbinnen deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet worden bezien, te weten de afwikkeling van Vehia als gevolg van voormelde herstructurering. Voor het bepalen van de billijke vergoeding zal het gerecht dan ook aansluiting zoeken bij het door Vehia met het oog op deze afwikkeling opgestelde protocol. Weliswaar heeft de betrokken vakbond daar niet mee ingestemd maar het overgrote deel van de werknemers wel. Hieruit kan worden afgeleid dat het protocol voldoende draagvlak binnen Vehia heeft. Op basis van het protocol zou [verweerder] aanspraak maken op een bedrag gelijk aan zijn opzegtermijn plus Cessantia vergoeding en 4 additionele maandsalarissen.
Dictum
Het Gerecht:
Inzake het verzoek van Vehia
5.1.
stelt partijen in kennis van haar voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 4 juni 2025 te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden, onder toekenning van na te melden billijke vergoeding ten laste van Vehia;
5.2.
stelt Vehia in de gelegenheid om schriftelijk, uiterlijk dinsdag 3 juni 2025, tegenover [verweerder] het verzoek in te trekken en daarvan aan de griffier van het gerecht mededeling te doen;
5.3.
veroordeelt Vehia voor zover zij haar verzoek intrekt, in de proceskosten, die aan de zijde van [verweerder] die tot op heden worden begroot op Cg 1.500,-;
en, voor het geval dat Vehia niet vóór 3 juni 2025 tot intrekking van het ontbindingsverzoek zal overgaan:
5.4.
ontbindt de tussen Vehia en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 4 juni 2025;
5.5.
kent terzake van die ontbinding aan [verweerder] ten laste van Vehia een vergoeding toe van Cg 470.000,- bruto, waarop een eventueel toe te kennen cessantia-uitkering in mindering strekt;
5.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
5.7.
verklaart deze beschikking, voor wat betreft de beslissing onder 5.5. uitvoerbaar bij voorraad;
Inzake het zelfstandig verzoek van [verweerder]
5.8.
veroordeelt Vehia tot betaling van de 13 opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen aan [verweerder], te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
5.9.
wijst de verzoeken van [verweerder] voor het overige af;
5.10.
compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
5.11.
verklaart deze beschikking, voor wat betreft de beslissing onder 5.8. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en op 27 mei 2025 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
Beoordeling
Gelet hierop, en in aanmerking genomen het tijdsverloop waardoor de arbeidsovereenkomst van [verweerder] mogelijk eerst per 4 juni 2025 zal worden ontbonden, waardoor [verweerder] gedurende 5 maanden sinds het staken van de werkzaamheden van Vehia loon doorbetaald heeft gekregen, acht het gerecht een billijke vergoeding ten bedrage van Cg 470.000,- bruto aangewezen.
4.9.
Nu aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden, zal Vehia, gelet op artikel 7A:1615w lid 6 BW, in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.
Proceskosten
4.10.
Indien Vehia haar ontbindingsverzoek intrekt zal zij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verweerder], die tot aan deze uitspraak worden begroot op Cg 1.500,-. Als Vehia haar ontbindingsverzoek niet intrekt, brengt de uitkomst van deze procedure met zich dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Inzake het zelfstandig verzoek van [verweerder]
Indexering
4.11. [
verweerder] verzoekt betaling van de indexering over het jaar 2025. Volgens [verweerder] moet Vehia op basis van artikel 22 lid 1 van de CAO overgaan tot betaling van 2.26% aan indexering over de maanden januari tot en met mei 2025. Nu de indexering niet is betaald vordert [verweerder] daarover ook de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW.
4.12.
Het gerecht zal het verzoek tot betaling van de indexering over de maanden januari tot en met mei 2025 afwijzen. Artikel 22 van de CAO bepaalt duidelijk dat er alleen in het geval de financiële resultaten van Vehia positief zijn een verplichting bestaat om over te gaan tot betaling van de jaarlijkse indexering. Dat is niet het geval.
UKP rechten, Pensioen affinanciering en Jubileumbonussen
4.13.
De verzoeken van [verweerder] tot betaling van de UKP rechten en de jubileumbonussen zullen, bij gebrek aan een (wettelijke) grondslag, door het gerecht worden verworpen. Het enkele feit dat [verweerder] tijdens zijn dienstverband UKP rechten heeft betaald of dat hij volgend jaar 35 jaar of 5 jaar daarna 40 jaar in dienst van Vehia zou zijn, is daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor het verzoek ten aanzien van de affinanciering van zijn pensioen. Dat in het hooflijnenakkoord is opgenomen dat Vehia zich zou inspannen om de rechten van de medewerkers die niet meegaan naar Ennia zoveel mogelijk te waarborgen, betekent niet dat er een verplichting van de zijde van Vehia is ontstaan tot doorbetaling van het pensioen van [verweerder] tot zijn 65ste levensjaar. Inherent aan het tot een einde komen van een arbeidsovereenkomst, is het tot een einde komen van de daaruit over en weer voortvloeiende aanspraken en verplichtingen. [verweerder] heeft niet nader toegelicht op grond waarvan Vehia niettemin gehouden is tot doorbetaling van hetgeen waar hij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst aanspraak op heeft.
Niet genoten vakantiedagen
4.14. [
verweerder] heeft daarnaast aanspraak gemaakt op uitbetaling van de door hem opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen. Vehia heeft erkend dat de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen niet zijn uitbetaald en toegezegd dat deze bij de eindafrekening zullen worden betaald. Door Vehia zijn de opgebouwde niet-genoten vakantierechten vastgesteld op 13 dagen. [verweerder] heeft het voorgaande niet betwist, zodat in rechte uitgegaan wordt van de juistheid daarvan. De verzochte uitbetaling van de niet-genoten vakantiedagen wordt dan ook zoals hierna vermeld toegewezen.
Proceskosten
4.10.
Het gerecht zal, gelet op de uitkomst van de procedure, de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.