Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-04-25
ECLI:NL:OGEAC:2025:169
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,636 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202500815
Vonnis in kort geding van 25 april 2025
in de zaak van
[Eiser],
wonend in [woonplaats], eiser, gemachtigden: mr. D.M. Wildeman en mr. D.M. van Voorst,
tegen
[Gedaagde] q.q.,
wonend in [woonplaats], gedaagde, gemachtigden: mr. L.F.F. Drissen en mr. H.N. Kirpalani.
Partijen worden hierna [eiser] en de curator genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift, ingekomen op 11 maart 2025,
de producties van de curator van 28 maart 2025,
de producties van de curator van 4 april 2025,
de conclusie van antwoord,
de nadere producties van [eiser] van 10 april 2025,
de mondelinge behandeling van 11 april 2025,
de pleitnotities van partijen.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Bij vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 24 april 2024 (hierna: het vonnis) heeft het gerecht [eiser] veroordeeld tot betaling aan de curator van een bedrag van USD 301.878 aan onverschuldigde betalingen, en [eiser] veroordeeld in de kosten van dat geding, tot aan dat geding begroot op USD 12.000, vermeerderd met nakosten. Het gerecht heeft die veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen het vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld.
2.2.
De curator heeft het vonnis op 19 februari 2025 aan [eiser] doen betekenen en vervolgens op 26 februari 2025 executoriaal beslag doen leggen op onroerende zaken van [eiser] in Curaçao.
2.3.
Bij verzoekschrift van 10 maart 2025 heeft [eiser] het Hof verzocht de executie van het vonnis te schorsen totdat onherroepelijk op het hoger beroep is beslist en de curator te verbieden het vonnis (verder) ten uitvoer te leggen.
2.4.
Bij vonnis van 4 april 2025 heeft het Hof de vordering van [eiser] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis afgewezen.
3De vordering en de standpunten van partijen
3.1. [
eiser] vordert – samengevat – dat het gerecht het gelegde executoriaal beslag per ommegaande opheft, de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst, de curator verbiedt het vonnis verder ten uitvoer te leggen en de curator veroordeelt in de proceskosten.
3.2. [
eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat sprake is van onevenredigheid tussen het belang van de curator bij de uitoefening van de executie en het belang van [eiser] dat daardoor wordt geschaad, zodat sprake is van misbruik van bevoegdheid.
3.3.
De curator heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling
4.1.
De curator heeft als meest verstrekkend verweer gevoerd, dat gelet op het vonnis van het Hof van 4 april 2025 en de ter zake geldende beoordelingsmaatstaven, het gerecht in deze procedure geen ruimte heeft om tot een andere beslissing dan het Hof te komen.
4.2.
Het gerecht overweegt als volgt. Aan [eiser], als geëxecuteerde, komt het recht toe om op de voet van artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te vorderen. Eveneens komt hem het recht toe om in kort geding een vordering tot schorsing van de executie in te stellen op grond van artikel 438 lid 2 Rv.
4.3.
Met HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 heeft de Hoge Raad ten aanzien van de maatstaf die de rechter moet hanteren bij de beoordeling van een vordering om de tenuitvoerlegging te schorsen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, voor zover hier van belang de volgende lijn uitgezet. Ingeval omtrent de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in het desbetreffende vonnis geen gemotiveerde beslissing is gegeven en tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangewend, geldt ten aanzien van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging in kort geding op grond van artikel 438 lid 2 Rv dezelfde beoordelingsmaatstaf als ten aanzien van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 272 Rv.
4.4.
Zoals hiervoor onder 2.4. is vermeld, heeft het Hof bij vonnis van 4 april 2025 de artikel 272 Rv-vordering van [eiser] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis afgewezen. Aan de, daags na die vordering ingediende, vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis in deze procedure heeft [eiser] geen feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd, die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. Beide vorderingen zijn gebaseerd op dezelfde argumenten. Dat, zoals [eiser] ter zitting heeft gesteld, het Hof bij zijn beoordeling te beperkt naar de zijdens [eiser] gestelde belangen heeft gekeken, is geen feit of omstandigheid in vorenbedoelde zin. [eiser] heeft geen aanleiding gezien de vordering in deze procedure in te trekken. Daarmee legt hij aan het gerecht een vordering ter beoordeling voor, die dezelfde strekking heeft en voor de beoordeling waarvan dezelfde maatstaf geldt als de vordering die door het Hof is afgewezen, zonder daaraan feiten en omstandigheden ten grondslag te leggen die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. Onder deze omstandigheden ziet het gerecht geen gronden om af te wijken van de beslissing van het Hof. Reeds hierom komt het gerecht niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de vordering en zal het de vordering, in overeenstemming met de beslissing van het Hof, afwijzen.
4.5.
Omdat [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten. De kosten van de curator worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de curator van Cg 1.500.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.