Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-02-11
ECLI:NL:OGEAC:2025:125
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,905 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Afdeling civiel
Zaaknummer: CUR202404508
Vonnis in kort geding d.d. 11 februari 2025
inzake
[eiseres],
wonend in [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. P. van Dort,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.F. Bonapart.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 28 november 2024, met producties;
- de producties van [gedaagde] van 23 januari 2025;
- de nadere producties van [eiseres] van 27 januari 2025;
- de mondelinge behandeling gehouden op 28 januari 2025 waarbij partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen;
- de pleitnotities van partijen.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1. [
gedaagde] was sinds 2 januari 2008 gehuwd met de moeder van [eiseres], [moeder van eiseres]. Dit huwelijk is geëindigd door het overlijden van [moeder van eiseres] op 16 september 2024.
2.2. [
eiseres] heeft op 18 januari 2024 het perceel [het perceel] met de daarop gebouwde woning (hierna: het perceel en de woning) gekocht. Het perceel is op 8 april 2024 aan [eiseres] geleverd.
2.3.
Gedurende een periode voorafgaand aan de levering, van 18 maart 2024 tot 8 april 2024, heeft [eiseres] de woning gehuurd van de verkopers.
2.4. [
moeder van eiseres] en [gedaagde] hebben de woning op 18 maart 2024 in gebruik genomen.
2.5.
Blijkens een akte van 3 april 2024 heeft [eiseres] ten overstaan van de Afdeling Publieke Zaken van de Sector Publieke Dienstverlening van het ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening als eigenaar van de woning aan [moeder van eiseres] toestemming gegeven om zich op het adres van de woning in te schrijven. Op die akte is onder “overige bewoners” vermeld [gedaagde].
2.6.
Bij brief van 18 oktober 2024 heeft [eiseres] [gedaagde] aangeschreven de woning per 10 januari 2025 te ontruimen. Daarbij heeft [eiseres] te kennen gegeven dat voor zover [gedaagde] als medegebruiker van de woning heeft te gelden, de bruikleenovereenkomst tegen 10 januari 2025 wordt opgezegd. [eiseres] heeft [gedaagde] tevens verzocht binnen bepaalde termijn te kennen te geven of aan de aanschrijving zal worden voldaan. Bij e-mailbericht van 5 november 2024 heeft [eiseres] dit verzoek herhaald.
2.7.
Op 11 december 2024 heeft [gedaagde] een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij dit gerecht, waarin hij het gerecht onder meer vordert – kort gezegd – voor recht te verklaren dat [eiseres] niet tot beëindiging van zijn woongenot ten aanzien van de woning kan overgaan.
2.8. [
gedaagde] heeft geen gevolg gegeven aan de aanschrijving van [eiseres]. Hij woont nog altijd in de woning.
Geschil
3.1. [
eiseres] vordert dat het gerecht bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- [ gedaagde] beveelt om uiterlijk op 10 januari 2025, althans een door het gerecht te bepalen termijn, de woning te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen, met machtiging dat de deurwaarder bij het niet opvolgen van dit bevel bevoegd is de sterke arm in te roepen;
- [ eiseres] veroordeelt in de proceskosten.
3.2. [
eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] de woning zonder recht of titel om niet gebruikt, en zij als eigenaar vrijelijk over de woning wenst te beschikken.
3.3. [
gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Toetsingskader in kort geding
4.1.
De vordering van [eiseres] is in dit kort geding toewijsbaar, als voldoende aannemelijk is dat het gerecht deze in een eventuele bodemprocedure ook zou toewijzen en van [eiseres] niet kan worden gevergd de uitkomst van zo’n procedure af te wachten. Daarvan is in de regel sprake, indien voldoende aannemelijk is geworden dat zonder recht of titel in de woning wordt verbleven.
Ontruiming
4.2.
Tussen partijen is in geschil de vraag of, en, zo ja, op welke grondslag [gedaagde] de woning van [eiseres] in gebruik heeft.
[eiseres] stelt dat zij de woning in bruikleen aan haar moeder heeft gegeven, en wel voor bepaalde tijd, te weten totdat zij niet meer in de woning zou kunnen wonen door onder meer overlijden, opname in een tehuis of anderszins.
[gedaagde] stelt daartegenover dat aan het gebruik een huur-, bruikleen- dan wel “sui generis” overeenkomst ten grondslag kan liggen.
4.3.
Het gerecht acht door [eiseres] aannemelijk gemaakt dat zij de woning aan haar moeder in bruikleen heeft gegeven. Deze stelling heeft zij genoegzaam onderbouwd, onder meer door te verwijzen naar de toestemming die zij aan haar moeder heeft verleend om zich op het adres van de woning in te schrijven en de omstandigheid dat [eiseres] de woning in de weken voorafgaand aan de levering van de verkopers heeft gehuurd. Dat [gedaagde] partij was bij deze bruikleenovereenkomst heeft [gedaagde] niet expliciet gesteld, in elk geval niet nader onderbouwd. [gedaagde] heeft volstaan met de stelling dat sprake kan zijn van een bruikleen-, huur-, dan wel “sui generis” overeenkomst, maar heeft geen keuze gemaakt en overigens ook niet onderbouwd waarom van de ene dan wel de andere soort overeenkomst sprake zou zijn. Met de enkele stelling dat overeengekomen was dat [moeder van eiseres] en [gedaagde] onderhoudskosten en andere lasten met betrekking tot de woning voor hun rekening zouden nemen, heeft [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt dat tussen partijen een huurovereenkomst geldt. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat dit soort afspraken in de regel niet kenmerkend zijn voor een huurrelatie, integendeel. De enkele omstandigheid dat [eiseres] de woning heeft gekocht met middelen, afkomstig van een schenking van [moeder van eiseres], die op haar beurt haar vermogen heeft kunnen opbouwen op basis van een inbreng van [gedaagde], zoals [gedaagde] stelt en [eiseres] betwist, levert voorshands geen grond op voor het oordeel dat [eiseres] gehouden is om [gedaagde] het genot van de woning te bieden. [gedaagde] heeft niet toegelicht dat en waarom op grond van deze omstandigheid enige overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] tot stand zou zijn gekomen, dan wel anderszins enige aanspraak of recht van [gedaagde] jegens [eiseres]. Het is hooguit in de verhouding tussen [gedaagde] en [moeder van eiseres] dat al dan niet afgesproken dan wel vastgesteld had kunnen worden dat aan [gedaagde] ter zake de gestelde inbreng in onroerend goed van zijn echtgenote enig vergoedingsrecht zou zijn verschuldigd.
4.4.
In de omstandigheid dat [eiseres] de woning alleen aan haar moeder in bruikleen heeft gegeven (zie 4.3.) ligt mede besloten dat de bruikleen tot een einde is gekomen met het overlijden van [moeder van eiseres], en aldus een overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, dan wel dat [gedaagde] als erfgenaam van [moeder van eiseres] het gebruik niet kan voortzetten (artikel 7A:1762 lid 2 BW). Ook indien zou worden aangenomen dat de bruikleen zich niet specifiek tot [moeder van eiseres] richtte en de overeenkomst van bruikleen voor onbepaalde tijd is aangegaan, zodat de daaruit voortvloeiende verbintenissen op [gedaagde], als enig erfgenaam, zijn overgegaan (artikel 7A:1762 lid 1 BW) en de bruikleenovereenkomst aldus na het overlijden van [moeder van eiseres] nog voortduurde, heeft te gelden dat een dergelijke overeenkomst mag worden opgezegd indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat of indien een redelijke opzegtermijn in acht wordt genomen. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waaronder de duur van de overeenkomst. De overeenkomst is opgezegd tegen een opzegtermijn van bijna drie maanden, hetgeen, naar voorshands oordeel van het gerecht, in het bijzonder gelet op de korte duur van die overeenkomst, als een redelijke opzegtermijn heeft te gelden.
4.5.
Gelet op het voorgaande acht het gerecht het aannemelijk dat in een bodemprocedure de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. Het belang van [eiseres] bij een spoedige ontruiming, het vrijelijk kunnen beschikken over haar eigendom, is groter dan het belang van [gedaagde] om – voorshands zonder recht of titel – in de woning te blijven. Bij dit oordeel weegt het gerecht mee dat [gedaagde] ten tijde van dit vonnis nog geen tien maanden in de woning woont
– ten tijde van de aanschrijving door [eiseres] zes maanden – zodat niet een einde zal komen aan een jarenlange bewoning van de woning, en dat [gedaagde], zoals door [eiseres] onweersproken is gesteld, als enig erfgenaam van zijn echtgenote voldoende bemiddeld is achtergebleven om op korte termijn elders geschikte woonruimte te vinden. Het gerecht zal evenwel een ruimere ontruimingstermijn bepalen dan gevorderd.
Proceskosten
4.6. [
gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 372,68 aan explootkosten, NAf 450,- aan griffierechten en NAf 1.000,- aan gemachtigdensalaris.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.7.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
Dictum
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk binnen zes weken na betekening van dit vonnis de woning [het adres] te ontruimen met alle zich daarin bevindende goederen die aan hem toebehoren en om de woning onder afgifte van de sleutels daarvan ter vrije beschikking te stellen van [eiseres];
5.2.
verstaat dat de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden als huurder in gebreke blijft met de ontruiming, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent alvast toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 en 444 lid 2 Rv;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 1.822,68, te vermeerderen met NAf 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met NAf 150 in geval van betekening, alle bedragen bij uitblijven van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de uitspraak van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;
5.6.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en op 11 februari 2025 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.