Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-01-03
ECLI:NL:OGEAC:2024:3
Bestuursrecht
Bodemzaak
2,318 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[naam eiser],
wonend in Curaçao,
eiser,
tegen
de Sociale Verzekerings Bank (SVB),
verweerder,
gemachtigde: mr. M. Bonafasia.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de beslissing van de SVB om het ouderdomspensioen van eiser per 1 november 2023 in mindering te brengen op het door eiser te ontvangen ongevallengeld (de bestreden beschikking).
1.1
Eiser is het niet eens met de bestreden beschikking en heeft op 10 augustus 2023 beroep ingesteld bij het Gerecht. De SVB heeft op 4 oktober 2023 een verweerschrift ingediend.
1.2
Het Gerecht heeft het beroep behandeld op de zitting van 23 november 2023. Eiser was daarbij aanwezig. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het Gerecht acht eiser ontvankelijk in zijn beroep, omdat niet is komen vast te staan dat hij te laat beroep heeft ingesteld. Het Gerecht verklaart het beroep van eiser vervolgens ongegrond. De wet bepaalt dat het ouderdomspensioen moet worden afgetrokken van het te ontvangen ongevallengeld. De SVB heeft deze wet terecht en goed toegepast. Wat eiser in dit kader heeft aangevoerd, brengt het Gerecht niet tot een andere beoordeling. Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De ontvankelijkheid van het beroep
4.1
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven. Op grond van het tweede lid van deze bepaling geldt de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, als de dag waarop deze is gegeven.
4.2
De bestreden beschikking is gedagtekend 31 mei 2023. Op de zitting heeft het Gerecht eiser voorgehouden dat meer dan zes weken zijn verstreken tussen de dagtekening van de bestreden beschikking en de datum waarop eiser zijn beroepschrift heeft ingediend (10 augustus 2023). Eiser heeft daarop verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren wanneer hij de brief van de SVB heeft ontvangen, maar dat hij nog wel weet dat hij direct na ontvangst van deze brief een beroepschrift heeft ingediend. Bij deze stand van zaken ligt het vervolgens op de weg van de SVB om aan te tonen dat de bestreden beschikking daadwerkelijk op 31 mei 2023 is verzonden, bijvoorbeeld door het overleggen van een deugdelijke verzendadministratie.
4.3
Het Gerecht stelt echter vast dat de SVB dergelijk bewijs niet heeft geleverd. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de bestreden beschikking daadwerkelijk op 31 mei 2023 is verzonden en gegeven. Dat betekent dat de beroepstermijn van zes weken niet op de dag na 31 mei 2023 is gaan lopen. Nu ook niet kan worden vastgesteld wanneer eiser op de hoogte is geraakt van de bestreden beschikking, kan niet worden geoordeeld dat eiser te laat beroep heeft ingesteld.
Nu het Gerecht het ervoor houdt het beroep tijdig is ingesteld, komt het Gerecht toe aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
5.1
Eiser ontvangt vanwege een bedrijfsongeval dat op 18 mei 1998 heeft plaatsgevonden op grond van de Landsverordening Ongevallengeld een bedrag van NAf 86,40 per dag aan ongevallengeld.
5.2
Eiser ontvangt sinds 1 november 2021 een ouderdomspensioen op grond van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (A.O.V.) ter hoogte van NAf 862,- per maand.
Wat is het toetsingskader in deze zaak?
6. In artikel 7, vierde lid, van de Landsverordening Ongevallengeld is een zogenoemde anticumulatiebepaling opgenomen voor gevallen waarin een betrokkene zowel recht heeft op ongevallengeld als op ouderdomspensioen. Het ongevallengeld wordt op grond van deze bepaling verminderd met het bedrag dat de betrokkene aan ouderdomspensioen ontvangt.
Wat heeft de SVB aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegd?
7. De SVB heeft in de bestreden beschikking met toepassing van artikel 7, vierde lid, van de Landsverordening Ongevallengeld het ouderdomspensioen van eiser met ingang van 1 november 2023 in mindering gebracht op het door eiser te ontvangen ongevallengeld.
Wat heeft eiser daartegen ingebracht?
8. Eiser vindt het onterecht dat zijn ouderdomspensioen van zijn ongevallengeld wordt afgetrokken. Hij moet alle kosten voor zijn levensonderhoud betalen met het geld van de SVB, terwijl zijn financiële situatie als gevolg van de hoge inflatie is achteruitgegaan. Op de zitting heeft eiser verder aangevoerd dat de SVB de korting toepast in strijd met een schikking die hij 25 jaar geleden met de SVB heeft getroffen. Op grond van deze regeling zou eiser levenslang (onverkort) recht blijven houden op ongevallengeld.
8.1
Deze beroepsgronden slagen niet. Het Gerecht motiveert dit als volgt.
8.2
Artikel 7, vierde lid, van de Landsverordening Ongevallenverzekering is een wettelijke bepaling, die dwingendrechtelijk is geformuleerd. Dat wil zeggen dat deze wettelijke bepaling geen ruimte laat voor een belangenafweging en dat de SVB deze bepaling moet toepassen als aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan. In dit geval staat niet ter discussie dat de situatie van eiser valt onder het bereik van deze bepaling, zodat de SVB verplicht was daaraan toepassing te geven.
8.3
Als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Wat eiser over zijn financiële situatie heeft aangevoerd, is onvoldoende voor het oordeel dat toepassing van deze bepaling in eisers geval achterwege moet blijven. Het Gerecht laat in het midden of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Ook als daarvan wordt uitgegaan, baat dat eiser niet. Dat hij als gevolg van de bestreden beschikking in een financiële noodsituatie is komen te verkeren, is niet gebleken. Bovendien is namens verweerder op de zitting toegelicht dat de financiële situatie van eiser als gevolg van de bestreden beschikking niet is achteruitgegaan ten opzichte van zijn situatie vóór 1 november 2021. Het bedrag dat eiser nu ontvangt aan ouderdomspensioen en (het gekorte) ongevallengeld is namelijk gelijk gebleven aan het bedrag aan ongevallengeld dat eiser vóór 1 november 2021 ontving. Dat eiser tussen 1 november 2021 en 1 november 2023 even in een financieel gunstiger positie verkeerde vanwege de tijdelijke samenloop van beide uitkeringen, maakt het voorgaande niet anders.
8.4
Wat eiser op de zitting heeft aangevoerd over een gestelde schikking met de SVB leidt evenmin tot een ander oordeel. Het is allereerst de vraag of de SVB aan een dergelijke overeenkomst gebonden zou zijn, gezien het dwingendrechtelijke karakter van de wettelijke bepaling waar het hier om gaat. Daarbij komt dat eiser geen stukken heeft overgelegd van deze schikking zodat onduidelijk is gebleven wat de inhoud en strekking daarvan is. Ook als zou worden uitgegaan van het bestaan van een overeenkomst, blijft daarmee de vraag onbeantwoord of deze wel betrekking heeft op het (onverkort) blijven uitbetalen van ongevallengeld.
8.5
Het voorgaande brengt het Gerecht tot de conclusie dat de SVB terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 7, vierde lid, van de Landsverordening Ongevallenverzekering.
Conclusie
9. Het beroep van eiser is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing van de SVB om zijn ouderdomspensioen per 1 november 2023 in mindering te brengen op zijn ongevallengeld, in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, mr. J. Sybesma en mr. P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2023, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van de uitspraak.