Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-09-19
ECLI:NL:OGEAC:2024:277
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,598 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202401853
Beschikking van 19 september 2024
in de zaak van de besloten vennootschap
CURAÇAO REFINERY UTILITIES B.V.,gevestigd in Curaçao,verzoekster,gemachtigden: mr. L.F.F.M. Drissen en mr. L. Sluiter,
tegen
[verweerder],
wonend in Curaçao,verweerder,gemachtigde: mr. D. Wildeman.
Partijen worden hierna CRU en [verweerder] genoemd.
Samenvatting
In deze zaak is aan de orde of het ontslag op staande voet terecht is gegeven en, zo nee, of de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden, al dan niet met toekenning van een vergoeding. In deze beschikking beoordeelt het gerecht alleen het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van CRU. Dit verzoek is één van drie verzoeken van CRU tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomsten met een drietal werknemers, waaronder [verweerder]. Deze verzoeken zijn gezamenlijk ingediend omdat volgens CRU door de samenwerking van de drie werknemers de checks and balances binnen CRU konden worden omzeild. Daardoor was het mogelijk onder de radar van de general manager bevriende oud-collega’s voor rekening van CRU in te schakelen, aldus CRU.
Het gerecht beoordeelt ieder verzoek afzonderlijk op de concrete door CRU aan de desbetreffende werknemer verweten gedragingen. In het onderhavige verzoek is het gerecht van oordeel dat CRU onvoldoende (de ernst van) het [verweerder] verweten gedrag heeft onderbouwd, zodat dit geen dringende reden oplevert die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Voor nadere bewijslevering leent zich deze procedure niet. Er is naar het oordeel van het gerecht evenmin sprake van veranderingen in de omstandigheden, in die zin dat van CRU niet kan worden gevergd het dienstverband met [verweerder] voort te zetten.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties van 29 mei 2024,
het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met producties van 9 augustus 2024,
de mondelinge behandeling van 12 augustus 2024,
de pleitnotities.
1.2.
De uitspraak is nader bepaald op vandaag.
Feiten
2.1. [
verweerder] is op 1 januari 2020 voor de duur van zes maanden in dienst geweest bij CRU in de functie van civil training coördinator. Op 3 mei 2022 is hij opnieuw in dienst getreden bij CRU, vanaf 1 september 2023 in de functie van senior civil training coördinator voor onbepaalde tijd tegen een actueel salaris van NAf 9.750 bruto per maand. Daaraan voorafgaand werkte [verweerder] van april 2012 tot en met december 2019 bij Isla.
2.3.
Begin oktober 2023 is bij de general manager van CRU, [general manager] (hierna: [general manger]) een bericht binnengekomen van een klokkenluider. [general manager] heeft met de klokkenluider twee gesprekken gevoerd. De klokkenluider heeft de informatie ook op schrift gesteld. In het tweede gesprek heeft zij ook geluidsfragmenten van door haar opgenomen (telefoon)gesprekken met [verweerder] laten horen. [verweerder] is op 7 oktober 2023 door CRU op non-actief gesteld. De geluidsfragmenten in het Papiaments zijn later in opdracht van CRU uitgeschreven door een deurwaarder in een proces-verbaal van constateringen van 26 maart 2024 en door een beëdigd vertaler vertaald naar het Nederlands. Deze transcripties zijn door CRU overgelegd. (Het gerecht: inmiddels is bekend dat de klokkenluider [hoofd van de afdeling general services CRU] is (hoofd van de afdeling General Services CRU). Zij zal hierna ook bij haar naam [hoofd van de afdeling general services CRU] worden genoemd.)
2.4.
Op 8 oktober 2023 heeft CRU opdracht gegeven aan onderzoeksbureau Forensic Caribbean (hierna FC) voor een onderzoek naar de door [hoofd van de afdeling general services CRU] geuite verwijten en wat de betrokkenheid van -naast drie anderen- [verweerder] is geweest.
2.5.
Op 12 december 2023 heeft FC het (4e) conceptrapport met de onderzoeksresultaten gedeeld met CRU. Op dezelfde dag is [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek bij CRU met [general maanger], [CFO van CRU] (CFO van CRU) en [bestuurder bij Refineria di Kòrsou N.V.] (bestuurder bij Refineria di Kòrsou N.V., het moederbedrijf van CRU; hierna te noemen: RdK). In het gesprek is hem verteld dat hij tot 15 december 2023 het rapport kon inzien als hij een geheimhoudingsverklaring zou ondertekenen. Aan [verweerder] is daarna desgevraagd twee keer uitstel van die inzagetermijn verleend tot 21 december 2023, 14:00 uur.
2.6.
Nadat de deadline voor inzage op 21 december 2023 om 14:00 uur was verlopen, heeft mr. Terpstra namens [verweerder] op 21 december 2023 om 18:38 uur nog een beroep gedaan op CRU en haar geschreven: ‘Op dit moment zijn wij bezig met de engagement en ik verzoek u daarom even niets te doen in deze zaak. Wij zullen u zo spoedig mogelijk van een inhoudelijke reactie voorzien’. Hierop is door CRU niet gereageerd en op 23 december 2023 heeft FC aan CRU bevestigd dat het conceptrapport definitief zal worden gemaakt.
2.7.
Bij brief van 23 december 2023 is [verweerder] op staande voet ontslagen. In de brief wordt een korte toelichting gegeven op het door FC verrichte onderzoek. In de brief staat verder, voor zover relevant:
‘Op 12 december 2023 ontving de directie van CRU een onderzoeksrapport met voorlopige bevindingen. Het onderzoek dat het onderzoeksbureau heeft verricht is volledig onafhankelijk van CRU gebeurd en is omvattend. Het onderzoek was gericht op het beantwoorden van de vragen: (a) hebben er onregelmatigheden dan wel onrechtmatigheden, waaronder het bevorderen van bepaalde (bevriende) contractors, plaatsgevonden binnen CRU? En (b) indien wordt vastgesteld dat onregelmatigheden dan wel onrechtmatigheden hebben plaatsgebonden, wie kan of kunnen daarvoor dan verantwoordelijk worden gehouden?
C. CONCLUSIES ONDERZOEK
Het onderzoeksbureau somt diverse conclusies uit het verrichte onderzoek op, waarvan onder meer de conclusie dat door allen die onderwerp waren van het onderzoek, waaronder dus u, ernstige procedurele onregelmatigheden en onrechtmatigheden zijn verricht. Vastgesteld is dat binnen CRU een klein team actief is, bestaande uit u samen met drie andere, dat bewust essentiële en basale regels over hoe om te gaan met (bevriende) contractors opzij heeft gezet en waarbij betalingen door CRU zijn gedaan voor diensten en werkzaamheden waarvan men wist dat deze niet hebben plaatsgevonden, dan wel tegen een te hoge prijs, en waarvan achteraf bewijsstukken zijn gefabriceerd om deze betalingen of gegunde contracten mee te rechtvaardigen. Bovendien zijn collega’s onder druk gezet of zelfs uit functies ontheven op het moment dat het dit team te heet onder de voeten leek te worden.
Los van het feit dat u dus onderdeel was van het voormelde team, is in uw geval onder meer vastgesteld dat u betrokken was bij de opdrachtverlening, uitvoering prestatiecontrole en betaalbaarstelling van schoonmaak- en weedingswerkzaamheden op de terreinen door CRU door nieuwe contractors. Deze opdrachtstelling valt buiten de scope van uw functie als civiel ingenieur om. Met uw medewerking zijn andere contractors voor deze werkzaamheden aangenomen dan de afdeling maintenance van CRU daarvoor hanteert, binnen welke afdeling deze taakstelling valt.
Met deze nieuwe contractors zijn geen schriftelijke overeenkomst gesloten, desalniettemin is wel een bedrag van in totaal 145 duizend Antilliaanse Guldens aan hen betaald. Een deel hiervan is betaald voor het schoonmaken van de terreinen rondom de medische dienst van CRU, waar een vergunning per werkdag voor nodig is. Deze vergunning is in strijd met de bestaande procedures verkregen. Vervolgens is het werk door de specifieke contractor (te weten: H&M Gardening) nooit verricht, maar is daar wel met toedoen van u voor betaald. Eenmaal nadat het team waarvan u onderdeel bent, geconfronteerd werd met het feit dat de werkzaamheden door de contractor niet waren verricht worden de stappen door het team herhaald. Opnieuw wordt tegen de staande regels van CRU in een werkvergunning verkregen, waarbij ditmaal een heel summier deel van de gefactureerde werkzaamheden worden verricht. Op het moment dat u en het team geconfronteerd worden met feiten die erop wijzen dat de facturen aan deze contractor ten onrechte worden betaald worden er door u persoonlijk foto’s als bewijs van de werkzaamheden bij CRU ingediend waarvan is komen vast te staan dat deze foto’s door u geantidateerd zijn. Bovendien was het overduidelijk zichtbaar voor iedereen, en dus ook voor u, dat de werkzaamheden niet verricht waren, maar trekt u nergens aan de bel.’
2.8.
Bij brief van 8 januari 2024 heeft [verweerder] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en meegedeeld dat hij zich beschikbaar houdt om aan het werk te gaan.
2.9.
Bij vonnis in kort geding van 2 april 2024 heeft het gerecht -samengevat- CRU bevolen het onderzoeksrapport inclusief bijlagen te overhandigen aan [verweerder], hem weder te werk te stellen en het loon vanaf januari 2024 uit te betalen.
Beoordeling
het verzoek
4.1.
CRU heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van gewichtige redenen, bestaande uit primair een dringende reden en subsidiair gewijzigde omstandigheden, als gevolg waarvan het van CRU redelijkerwijs niet langer kan worden gevergd de dienstbetrekking met [verweerder] voort te zetten.
4.2.
Als gewichtige redenen worden onder meer beschouwd omstandigheden, welke een dringende reden, als bedoeld in artikel 7A:1615o eerste lid, BW zouden hebben opgeleverd, indien de dienstbetrekking deswege onverwijld beëindigd ware, als ook veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
de vijf dossiers
4.3.
Het gerecht overweegt dat CRU drie verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tegelijk heeft gedaan, in één (proces-)dossier. Naast [verweerder] betreft dat [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1]) en [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2]). In het verzoekschrift wordt steeds gesproken over onrechtmatige gedragingen van ‘het team’ en wordt ‘de Verweerders’ bepaald gedrag verweten, maar los van het feit dat CRU in het midden laat dat en welke rechtsgevolgen aan die gedragingen in groepsverband op zichzelf moeten worden verbonden, gaat het in deze zaak om een verzoek tot ontbinding van een individuele arbeidsovereenkomst, zodat de gedragingen van de individuele werknemer, al dan niet in groepsverband, die hem door de werkgever worden verweten concreet dienen te worden benoemd en onderbouwd. Dit is met name van belang omdat blijkens het verzoekschrift [werknemer 1](de HR manager en leidinggevende van [verweerder], met wie de arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd) meer dan [verweerder] de initiatiefnemer was bij de aan het team verweten gedragingen van, kort gezegd, vriendjespolitiek. Dat en wat de bijdrage van [verweerder] is geweest hieraan, dient dus steeds duidelijk te zijn om te kunnen beoordelen of er sprake is van een dringende reden in vorenbedoelde zin.
4.4.
Dat is naar het oordeel van het gerecht onvoldoende het geval in de dossiers (2) [naam 1], [naam 2] en [naam 3], (3) Airconditioning Man Camp en (5) Angstcultuur. In het verzoekschrift wordt de naam van [verweerder] sporadisch genoemd in dossier (2), alleen bij de door de betrokken opdrachtnemer opgegeven uren ‘die door het team [werknemer 1], [verweerder] en [werknemer 2]’ werden goedgekeurd en uitbetaald’. In dossier (3) wordt met betrekking tot [verweerder] bij de offertes voor het leveren van de airconditionings alleen vermeld ‘[werknemer 1] liet het hier niet bij zitten. Hij stuurde [verweerder] naar de Klokkenluider met de boodschap dat de aanbesteding overnieuw moest, maar dat de prijzen ditmaal inclusief OB moest zijn.’ In dossier (5) wordt de angstcultuur aan [verweerder] verweten op basis van een enkele verklaring van [verklaarder 1], aan wie [verweerder] twee keer zou hebben gevraagd een -kennelijk frauduleus- work permit te ondertekenen, hetgeen Daal vervolgens heeft geweigerd. Dat is onvoldoende om te spreken van het (bijdragen aan het) kweken van een angstcultuur door [verweerder]. Vanwege de onvoldoende onderbouwing van het verzoek ten aanzien van [verweerder] in deze dossiers, zullen deze dossiers in de verdere beoordeling van het verzoek buiten beschouwing worden gelaten en zal alleen worden beoordeeld of de gedragingen van [verweerder] in de dossier (1) en (4) dringende redenen opleveren die tot ontbinding van arbeidsovereenkomst nopen.
4.5.
Zoals hiervoor is overwogen, grondt CRU het verzoek op de bevindingen van het rapport van FC en het proces-verbaal van de uitgewerkte telefoongesprekken.
het rapport van FC
4.6. [
verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen de totstandkoming van het rapport. Om te beginnen is de betrouwbaarheid van de meldingen van [hoofd van de afdeling general services CRU] niet voldoende geverifieerd. Volgens [verweerder] is er voorts geen sprake geweest van hoor en wederhoor. Hij heeft twee gesprekken gehad met de onderzoekers van FC, op 20 oktober en 1 november 2023, maar in die gesprekken zijn de beschuldigingen niet concreet besproken, ook niet nadat [verweerder] vragen stelde over de op
non-actiefstelling. Evenmin kreeg hij een toelichting op het onderzoek. [verweerder] heeft op 24 oktober 2023 aan de onderzoekers desgevraagd stukken aangeleverd, maar ook daar is in het gesprek op 1 november 2023 niet op ingegaan. Van de gesprekken zijn ook geen verslagen opgemaakt.
Er is ook geen feitelijke mogelijkheid geweest op het conceptrapport te reageren. In het gesprek met CRU op 12 december 2023 heeft CRU alleen in algemene zin de bevindingen van FC en de mogelijke vervolgstappen besproken. Zonder het tekenen van een geheimhoudingsovereenkomst met een boetebeding kon [verweerder] geen inzage krijgen in het rapport en hij heeft dientengevolge niet inhoudelijk kunnen reageren. Het rapport is dus op 23 december 2023 definitief gemaakt zonder enige inbreng van zijn kant, alles aldus [verweerder].
4.7.
Het gerecht overweegt dat [verweerder] onvoldoende gelegenheid is geboden tot wederhoor. In het onderzoeksvoorstel dat FC op 8 oktober 2023 schriftelijk aan CRU doet, wordt [verweerder] (en worden drie anderen) met name genoemd en tot op zekere hoogte worden ook concreet de beschuldigingen die CRU [verweerder] maakt, vermeld. Hoe concreter het onderzoek zich richt op mogelijk onrechtmatig handelen van een werknemer, hoe belangrijker het is dat dit betrokkene duidelijk wordt gemaakt en dat hem behoorlijk gelegenheid wordt gegeven zijn kant van het verhaal te doen. Wat [verweerder] betreft ging het, voor zover thans van belang, concreet om (1) het toevoegen van een addendum en een justification letter bij een factuur voor een contractor voor -kort gezegd- werkzaamheden die zijn verricht door iemand die niet bij CRU in dienst is en (2) het verwijt dat een opdracht onderhands is gegeven aan een bedrijf van een bevriende oud-collega, dat die opdracht niet (volledig) is uitgevoerd, maar is betaald nadat [verweerder] gemanipuleerde foto’s heeft overgelegd.
4.8. [
verweerder] stelt dat die verwijten niet aan de orde zijn geweest in de twee door FC met hem gevoerde gesprekken. Dit is onvoldoende gemotiveerd betwist door CRU, zeker gelet op het feit dat in het rapport (en in het gehele procesdossier) de verslagen van de gesprekken ontbreken en CRU in beginsel daarmee eenvoudig had kunnen aantonen dat die verwijten zijn besproken met [verweerder], hetgeen ook op haar weg had gelegen. Het gerecht wijst er daarnaast op dat ook in het onderzoeksvoorstel van FC staat: ‘Een concept (deel)rapport zal aan de direct betrokkenen worden voorgelegd. Hierbij worden zij in de gelegenheid gesteld op de bevindingen te reageren binnen een gestelde termijn. Het verwerken van de reacties zal duidelijk zichtbaar door Forensic Caribbean worden verwerkt’. Dat dit is gebeurd is niet gebleken. CRU stelt weliswaar dat in haar brief van 16 december 2023 [verweerder] expliciet wordt uitgenodigd om te reageren op de voorlopige bevindingen van FC, (‘met nadere onderzoeksvoorstellen te komen alsook inhoudelijke (en gestaafde) tegenargumenten naar voren te brengen’) maar om überhaupt inzage te krijgen in het rapport diende hij een geheimhoudingsovereenkomst met een boetebeding te ondertekenen. Bovendien was het op dat moment al CRU die deze mogelijkheid bood, en niet FC als opsteller van het rapport.
4.9.
Gelet op dit alles, in het bijzonder voormelde gebreken in de wijze van totstandkoming van het rapport van FC, kwalificeert het gerecht het rapport niet als een onafhankelijk rapport, maar als een rapport dat het standpunt van CRU weergeeft (partijrapport).
Dictum
Het gerecht:
in het verzoek:
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
veroordeelt CRU in de proceskosten die tot op heden voor [verweerder] op NAf 1.500 worden begroot;
in het zelfstandig verzoek:
5.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 15 oktober 2024 om 8:30 uur voor een schriftelijke reactie op het zelfstandig verzoek;
5.4.
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier en op 19 september 2024 in het openbaar uitgesproken.
Beoordeling
Daar doen de door opstellers van het rapport [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zelf achteraf op 11 maart 2024 afgelegde verklaringen niets aan af. Het gerecht merkt nog op dat de verklaring van [betrokkene 1]: ‘Tegen de bewering dat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden of dat de heren niet wisten op welke gronden het onderzoek was gebaseerd, kan ik bevestigen dat wij met genoemde drie heren minimaal tweemaal hebben gesproken; waarbij het verklaarde schriftelijk is vastgelegd’ van zeer beperkte waarde is, omdat, nogmaals, die verklaringen van [verweerder] niet in geding zijn gebracht.
Inmiddels heeft [verweerder] een afschrift van het rapport van FC ontvangen, met bijlagen, zodat hij in het kader van deze procedure geacht moet worden afdoende op de bevindingen van dat rapport te kunnen reageren. Aan het verweer namens [verweerder] ter zitting dat -naast verslagen van zijn eigen verklaringen- nog steeds niet alle bijlagen zijn overgelegd, gaat het gerecht voorbij, reeds omdat hij niet heeft toegelicht dat en welke conclusies uit het rapport op niet overgelegde bijlagen zijn gebaseerd.
het proces-verbaal van de uitgewerkte telefoongesprekken
4.10.
Het gerecht heeft op zichzelf geen grond om te oordelen dat het
proces-verbaal van de deurwaarder geen correcte uitwerking bevat van (fragmenten van) opgenomen telefoongesprekken tussen de klokkenluider en [verweerder]. Ook in de stellingen van [verweerder] is hiervoor geen aanknopingspunt te vinden. Voor het gerecht bestaan echter nog veel onduidelijkheden met betrekking tot de betekenis van het proces-verbaal: wat is de verhouding tussen de klokkenluider en [verweerder], en die tussen de klokkenluider en bijvoorbeeld haar leidinggevende(n)? Waarom heeft de klokkenluider aanleiding gezien telefoongesprekken met [verweerder] op te nemen en waarom heeft zij daarbij indringend doorgevraagd? Waarom is de klokkenluider geen onderwerp geweest van het onderzoek van FC, nu ook zij kennelijk gedurende enige tijd op de hoogte was van de gestelde missstanden? Verder is niet duidelijk geworden of het gaat om alle telefoongesprekken tussen de klokkenluider en [verweerder], of dat het gaat om een selectie daaruit. En tot slot speelt bij een telefoongesprek ook de intonatie, de timing en de relatie tussen de gesprekspartners een rol. Weliswaar heeft CRU tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat desgewenst de geluidsbanden alsnog kunnen worden ingebracht, maar dat acht het gerecht in het kader van de beoordeling van het voorwaardelijk ontbindingsverzoek tardief.
Dit alles leidt het gerecht tot de slotsom dat in het geval stellingen van partijen tegenover elkaar staan, het gerecht in het algemeen aan de inhoud van het proces-verbaal niet zonder meer een doorslaggevende betekenis zal toekennen. Het is tegen deze achtergrond dat het concrete verweer van [verweerder] tegen de uitgewerkte telefoongesprekken, indien en voor zover gevoerd, wordt beoordeeld.
stellingen van partijen ten aanzien van dossier 1
4.11.
CRU heeft de gang van zaken in dit dossier als volgt toegelicht. [werknemer 1] had een work permit geregeld voor een oud-collega, [oud-collega]. [oud-collega] kreeg daarmee illegaal toegang tot het RdK-terrein. [oud-collega] heeft werkzaamheden verricht.[verweerder] is aan het eind van de maand naar [hoofd van de afdeling general services CRU] gegaan met de vraag of zij de betaling kon regelen. [hoofd van de afdeling general services CRU] was degene die facturen invoerde in het systeem. Op haar vraag naar een factuur heeft [verweerder] geantwoord dat hij een (officiële) factuur niet wilde maken, omdat dit intern tot ‘red flags’ zou leiden. Daarna heeft [werknemer 1] het bedrijf Codyson Construction (hierna: Codyson), welk bedrijf op de preferred supplier list van CRU stond, gevraagd of zij [oud-collega] op papier in dienst kon nemen. De bedoeling was dat de door [oud-collega] gewerkte uren door Codyson in rekening konden worden gebracht aan CRU. Het uurtarief dat aan [oud-collega] door Codyson werd betaald bedroeg NAf 25 en Codyson mocht aan CRU NAf 38 per uur factureren. Als grondslag voor die extra uren die CRU nu aan Codyson moest betalen, werd door [werknemer 1], [verweerder] en [verweerder 2] een addendum opgesteld, bedoeld om te worden gevoegd bij het lopende contract tussen CRU en Codyson en werd een justification letter opgesteld waarin de noodzaak van die extra werkzaamheden werd toegelicht. Het addendum en de justification letter zijn ter ondertekening voorgelegd aan [general manger]. De actieve rol in dit geheel van [verweerder] blijkt onder andere uit dit geluidsfragment, alles aldus CRU:
[verweerder] (hierna: [verweerder]): mijn vriend [vriend van verweerder] toch. We moeten kijken hoe we deze jongen op een of andere manier kunnen helpen zoals je weet meisje;
[hoofd van de afdeling general services CRU] (hierna: C): hij heeft me zojuist gebeld. Ik heb net met hem gepraat;M: jij hebt het net zo aan hem uitgelegd zoals ik het hem heb uitgelegd, dat er geen andere manier is. Volgens mij is contract nog niet klaar, want [general manager] moet het ondertekenen.C: juist. [betrokkene 3] moet het ook ondertekenen;
M: ja. Je moet het in het systeem invoeren. Wanneer dat allemaal klaar is dan krijgt hij een kopie uitgereikt als bewijs dat het contract een addendum krijgt.C: juist. Dan kan ik ook een extra PO voor hem maken.M: ik heb tegen hem gezegd dat wanneer hij het addendum heeft of dat officiële stuk, dan kan hij met die mensen komen die die kerels proberen door te drukken;
4.12. [
verweerder] heeft aangevoerd dat hij alleen een bemiddelende rol vervulde tussen [hoofd van de afdeling general services CRU] en [werknemer 1]. Hij heeft meegewerkt aan het addendum een collega te helpen die -als enige- op de garage-afdeling van CRU werkte en met wie hij goed contact had, collega van verweerder] (hierna: [collega van verweerder]). Een belangrijke taak van [collega van verweerder] was het herstellen van mopeds. Dit kostte veel tijd, met name het zoeken naar vervangende onderdelen. Ook moest [collegea van verweerder] in zijn eentje alle administratie afhandelen. Het was feitelijk teveel werk voor één persoon. De (uur)tarieven in het gewone contract tussen CRU en Codyson weken voorts nauwelijks af van de tarieven in het addendum, aldus [verweerder].
stellingen van partijen ten aanzien van dossier 4
4.13.
CRU heeft in dit dossier het volgende gesteld. H&M Gardening (hierna: H&M) is een handelsnaam van [oud-collega van werknemer 1] (hierna: oud-collega van werknemer 1]), een oud-collega van [werknemer 1]. [werknemer 1] heeft, zonder dat er door CRU een overeenkomst is gesloten met H&M en zonder dat H&M op de preferred bidders list van CRU stond, voor rekening van CRU aan H&M opdracht tot de-weeding gegund. In totaal is door CRU NAf 60.000 aan H&M betaald voor werkzaamheden. Bij de laatste betaling van NAf 19.000 (de invoice van 21 juli 2023) weigerde [hoofd van de afdeling general services CRU] op 7 augustus 2023 de betaling in het systeem te zetten, omdat voor iedereen zichtbaar was dat het werk niet was verricht en er ook geen interne paper trail van de betaling was. De facturen van H&M waren opgemaakt door [verweerder], terwijl het hoogst ongebruikelijk is dat een medewerker van CRU de factuur voor een opdrachtnemer opmaakt. [hoofd van de afdeling general services CRU] heeft aan [verweerder] gevraagd om bewijs dat de werkzaamheden daadwerkelijk waren verricht en toen heeft [verweerder] gemanipuleerde foto’s overgelegd.
Beoordeling
Er zijn geluidsfragmenten waaruit blijkt dat [verweerder] zich van de manipulatie van de foto’s bewust was, aldus CRU:
M: (…) Als je stelen wilt, dan steel je, maar niet op die manier;C: nu, wij zien dat dit de verkeerde kant opgaat, nu, in plaats dat jij als HR ziet dat het fout loopt, in plaats dat jij informatie zoekt om het recht te trekken, maar niet dat jij ook dezelfde rotzooi gaat doen. Jij begint met die kerel, hoe heet die vent? Die idioot die bij MD snijdt;M: [betrokkene 3];C: [betrokkene 3] bedoel ik, jij gaat net zo doen als [betrokkene 3]. [betrokkene 3] heeft niks gesneden, en heeft 20 duizend gelden gerekend. Jullie sturen me wat stomme foto’s, jullie denken dat ik stom ben. Ik weet dondersgoed dat die foto’s niet echt zijn, maar ja;M: maar ik moet het wel echt laten lijken;C: Dat weet ik. Hij heeft de back-up, ik laat het gaan maar ik weet dat het niet echt is;
4.14. [
verweerder] heeft aangevoerd dat hij de facturen van H&M niet heeft opgemaakt; hij heeft [oud-college van werknemer 1] alleen ondersteund bij het aanpassen van een rekeningnummer nadat dat de eerste keer was misgegaan. Hij heeft op verzoek van [werknemer 1] aan [hoofd van de afdeling general services CRU] gevraagd waarom de factuur van H&M niet was voldaan en [hoofd van de afdeling general services CRU] antwoordde dat de before and after-foto’s ontbraken. [verweerder] heeft toen van H&M foto’s ontvangen en die aan [hoofd van de afdeling general services CRU] gegeven. Dit bleken achteraf foto’s te zijn van hetzelfde project, maar daterend van januari 2023. Iedereen die langs de polikliniek reed, kon zien dat de werkzaamheden waren verricht. Later heeft [oud-collega van werknemer 1] zelf nog de goede foto’s gestuurd aan FC en aan CRU, maar deze foto’s maken geen deel uit van het onderzoeksrapport, aldus [verweerder].
dossiers 1 en 4: uitgestelde dringende reden?
4.15. [
verweerder] heeft niet betwist dat hij heeft meegewerkt aan het addendum en de justification letter. Het gerecht overweegt dat het verweer van [verweerder] dat hij niet buiten de regels en protocollen om heeft gehandeld omdat er geen of weinig procedures waren bij CRU niet opgaat, alleen al omdat [verweerder] zelf heeft verklaard tussen 2012 en 2019 verschillende topfuncties te hebben gehad bij Isla en hij uit dien hoofde geacht moet worden te hebben geweten van de inkoopprocedures, autorisaties en veiligheidsvoorschriften. Dat en waarom hij er vanuit mocht gaan dat essentiële procedures, geldend voor olieopslag en -raffinagebedrijven niet langer zouden gelden na de Isla-periode is door hem niet onderbouwd en is ook overigens niet geloofwaardig voor een bedrijf als CRU op het terrein van RdK.
Vooropgesteld zij dat naar het oordeel van het gerecht het welbewust inschakelen van bevriende (onder)aannemers of opdrachtnemers buiten de regels van CRU om niet door de beugel kan en dan ook een dringende reden in vorenbedoelde zin oplevert. Echter, [verweerder] komt blijkens het verzoekschrift pas in beeld in dit dossier wanneer het over de betaling gaat, achteraf, waarbij het gerecht het aannemelijk acht dat hij zich steeds in opdracht van [werknemer 1] tot [hoofd van de afdeling general services CRU] wendde. Gelet hierop staat naar het oordeel van het gerecht onvoldoende vast dat [verweerder] niet louter in opdracht van [werknemer 1] ten gunste van met laatstgenoemde bevriende (onder)aannemers of opdrachtnemer handelde en zet het gerecht vraagtekens bij de ernst van zijn gedragingen in dit dossier.
4.16.
Met betrekking tot de gedragingen in dossier (4) geldt ook hier dat het inschakelen van een bevriende oud-collega buiten de regels van CRU niet door de beugel kan. CRU heeft echter ook in dit dossier niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat [verweerder] degene is geweest die H&M heeft ingeschakeld. Ook in dit dossier is de bijdrage van [verweerder], blijkens het verzoekschrift, beperkt tot de betaling achteraf. Tussen partijen is niet in geschil dat de door [verweerder] aan [hoofd van de afdeling general services CRU] overhandigde foto’s niet de after-foto’s waren van het gefactureerde werk. [verweerder] heeft in dit verband aangevoerd hij dit niet wist; het waren foto’s die door H&M waren aangeleverd en hij stelt dat de later door H&M ingediende foto’s wel juist zijn en ten onrechte geen deel uitmaken van het onderzoeksrapport. CRU betwist dat de foto’s echt zijn.
Indien komt vast te staan dat de werkzaamheden niet zijn verricht en [verweerder], daarvan op de hoogte zijnde, met de foto’s heeft gerommeld en volhield dat moest worden betaald, dan is dat naar het oordeel van het gerecht een ernstige misdraging die een dringende reden in vorenbedoelde zin oplevert, ook indien [werknemer 1] hiertoe het initiatief nam dan wel er [verweerder] de opdracht toe gaf. Al met al is in deze procedure evenwel niet komen vast te staan of de tweede set foto’s waar [verweerder] naar verwijst echt zijn of gemanipuleerd en evenmin, maar nog belangrijker: of die de-weeding-werkzaamheden nu wel of niet zijn verricht. Daartoe is nadere bewijslevering vereist. De procedure in een ontbindingsverzoek leent zich echter niet voor nadere bewijslevering.
4.17.
Concluderend: de ernst van gedragingen die [verweerder] concreet worden verweten is in het verzoekschrift niet voldoende uit de verf gekomen. Evenmin is voldoende aannemelijk gemaakt dat en onder welke omstandigheden [verweerder] de aan hem verweten gedragingen heeft verricht. Deze leveren dan ook geen dringende redenen voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op. CRU heeft in deze procedure niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [verweerder] welbewust -en niet alleen in opdracht van [werknemer 1]- heeft bijgedragen aan de gestelde vriendjespolitiek. In deze procedure is de individuele betrokkenheid van [verweerder] hierbij slechts in beperkte mate komen vast te staan en was deze betrokkenheid vooral in opdracht van [werknemer 1] en achteraf, bij de betaling. Nu het verzoek wordt afgewezen, hoeven de overige stellingen en verweren in dit verband geen bespreking.
veranderingen in de omstandigheden
4.18.
Subsidiair stelt CRU dat de arbeidsverhouding met [verweerder] ernstig en duurzaam is verstoord. Er is onrust ontstaan en op de werkvloer en bij andere medewerkers bestaat de angst voor repercussies. Ook deze stelling is in het verzoekschrift ten aanzien van [verweerder] onvoldoende concreet onderbouwd. Het gerecht verwijst in dit verband ook naar hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen.
4.19.
De proceskosten komen voor rekening van CRU en worden voor [werknemer 2] tot op heden begroot op NAf 1.500 aan salaris gemachtigde.
het zelfstandig verzoek
4.20.
Het verzoekschrift van CRU is ingediend op 29 mei 2024 en de mondelinge behandeling van het voorwaardelijk ontbindingsverzoek is, nadat deze op verzoek van [verweerder] is aangehouden, bepaald op 12 augustus 2024. Letterlijk om vijf voor twaalf (11.55 uur) op vrijdag 9 augustus 2024 heeft [verweerder] het verweerschrift (met 75 producties), tevens inhoudende zelfstandig verzoeken, ingediend. Daarmee is deze procedure op het allerlaatste moment substantieel uitgebreid. Gesteld noch gebleken is dat dit niet eerder had gekund. Weliswaar is het zelfstandig verzoek strikt genomen tijdig ingediend, maar onder voormelde omstandigheden acht het gerecht het in strijd met de goede procesorde indien van CRU zou worden verwacht op dusdanig korte termijn op het zelfstandig verzoek en de daaraan ten grondslag gelegde producties te reageren.