Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-12-05
ECLI:NL:OGEAC:2024:271
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,897 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202404141
Beschikking van 5 december 2024 in de zaak van [de man], wonend in [woonplaats], verzoeker, hierna te noemen: de man, gemachtigde: mr. D.M. Wildeman,
tegen
[de vrouw],
wonend in [woonplaats], verweerster, hierna te noemen: de vrouw, gemachtigde: mr. D.I.E.I. Lichtenberg.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties van 5 november 2024;
de producties van de man van 19 november 2024;
de akte houdende zelfstandig verzoek van 20 november 2024;
de producties van de vrouw van 20 november 2024;
de mondelinge behandeling van 21 november 2024, waar partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Tevens was daar een vertegenwoordiger van de Voogdijraad aanwezig;
de pleitnota’s van partijen.
1.2.
De te laat ingediende producties van de man van 21 november 2024 zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, buiten beschouwing gelaten.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op 8 juli 2011 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
2.2.
De man heeft op 4 november 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend ter griffie van het gerecht. De zaak staat geagendeerd op de familierolzitting van 18 februari 2025 voor het indienen van een verweerschrift.
2.3.
Partijen zijn de ouders van de twee thans nog minderjarige kinderen, genaamd:
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2013 op [geboorteplaats];
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats].
2.4.
De man, de vrouw en de minderjarigen wonen alle nog in de echtelijke woning.
3Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek
3.1.
De man verzoekt het gerecht bij wege van voorlopige voorziening in de zin van artikel 821, gelezen in verbinding met artikel 822, eerste lid, onder a en d, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):
- te bepalen dat aan de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zal toekomen;
- een voorlopige zorgregeling op basis van co-ouderschap te bepalen;
met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.2.
De man legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. De spanningen tussen partijen brengen een ongezonde leefsituatie voor de minderjarigen met zich. De echtelijke woning is in eigendom van de ouders van de man, en de vrouw heeft de middelen en mogelijkheden om elders te gaan wonen.
3.3.
De vrouw voert verweer, strekkende tot afwijzing van het verzoek.
3.4.
De vrouw heeft het gerecht (deels voorwaardelijk) zelfstandig verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening in de zin van artikel 821, gelezen in verbinding met artikel 822, eerste lid, onder a, c, en d, Rv, uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zal toekomen;
- de minderjarigen voorlopig aan de vrouw toe te vertrouwen;
- een voorlopige zorgregeling te bepalen, in die zin dat de man de minderjarigen ’s ochtends naar school brengt en om het weekend van 8 tot 17.00 uur met de minderjarigen doorbrengt;
- de man te veroordelen tot het betalen van NAf. 250,- per kind per maand aan de vrouw, als kinderalimentatie;
met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.5.
De vrouw legt aan het verzoek ten grondslag dat zij primair beoogt dat partijen zolang de echtelijke woning gezamenlijk blijven gebruiken. Indien de man daar bezwaar tegen heeft, ligt het in de rede dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning blijft, en dat met de man een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld.
3.6.
De man voert verweer, strekkende tot afwijzing van het zelfstandig verzoek.
3.7.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
Beoordeling
Voorlopige voorzieningen
4.1.
Het gerecht stelt voorop dat dit een voorlopige voorziening betreft, hangende de echtscheidingsprocedure. De stand van de procedure is dat de vrouw in de gelegenheid is gesteld om een verweerschrift in te dienen. Het ligt in de rede dat in die procedure ook een zorgregeling ten behoeve van de minderjarigen en kinderalimentatie aan de orde zullen worden gesteld. Het gaat in deze voorlopige voorzieningsprocedure dan ook om de vraag of, gelet op de betrokken belangen, aanleiding bestaat om hangende de echtscheidingsprocedure ten aanzien van deze kwesties tijdelijke voorzieningen te treffen.
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en voorlopige zorgregeling
4.1.
Partijen en de minderjarigen wonen nog altijd in de echtelijke woning. De man en de vrouw wonen daar in aparte kamers. De echtelijke woning is gebouwd op een perceel dat deel uitmaakt dan wel uitmaakte van een perceel van de ouders van de man. Tussen beide percelen is een muur opgetrokken met daarin een poort. Partijen zijn het niet met elkaar eens van wie de echtelijke woning is dan wel aan wie deze moet worden toebedeeld. Bij de beslissing op de verzoeken om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man dan wel de vrouw toe te kennen, laat het gerecht dit aspect evenwel buiten beschouwing. Dit kan te zijner tijd aan de orde komen bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. In deze procedure beoogt het gerecht te komen tot een beslissing die in het belang is van de minderjarigen.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij – in elk geval voorlopig – in hun vertrouwde omgeving blijven wonen. Ook de vertegenwoordiger van de Voogdijraad heeft ter zitting, na kennisname van de stukken en het verhandelde ter zitting, geadviseerd voorlopig zo min mogelijk te veranderen in het dagelijkse leven van de minderjarigen. De minderjarigen hebben klaarblijkelijk te lijden onder de veranderingen die de op handen zijnde echtscheiding van hun ouders met zich brengt.
4.3.
Verder weegt het gerecht mee het belang dat beide ouders, zo mogelijk in de vertrouwde omgeving, omgang hebben met de minderjarigen. Voor de man ligt het voor de hand dat dit in de echtelijke woning zal zijn, gelet op het feit dat zijn ouders op hetzelfde dan wel het naastgelegen perceel wonen. De man heeft te kennen gegeven na werktijd ook in huiselijke sfeer tijd met de minderjarigen te willen doorbrengen, maar dat het daar vanwege de huidige situatie niet van komt.
Voor de vrouw is er op dit moment geen alternatief, omdat zij de mogelijkheid noch de middelen heeft om op een zodanig korte termijn elders geschikte woonruimte te vinden. Ook heeft de vrouw, zoals hiervoor onder 3.5. al vermeld, te kennen gegeven zich te kunnen vinden in een voorlopig gezamenlijk gebruik van de woning.
4.4.
Al deze omstandigheden tezamen brengen het gerecht tot de volgende slotsom. De (voorwaardelijke) verzoeken tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning worden afgewezen, gelet op het gebrek aan alternatieven enerzijds en het belang van de minderjarigen anderzijds. Ter voorkoming van het verder oplopen van spanningen, maar vooral in het belang van de minderjarigen, is het dan wel zaak dat de man en de vrouw heldere afspraken met elkaar maken, deze ook naleven en zich, zeker in aanwezigheid van de minderjarigen, onthouden van woordenwisselingen, ruzies of verwijten over en weer. Om dit in goede banen te leiden, en omdat partijen beiden om het vaststellen van een voorlopige zorgregeling hebben verzocht, zal het gerecht een voorlopige zorgregeling vaststellen, die is gerelateerd aan het telkens tijdelijk uitsluitende gebruik van de echtelijke woning. Deze regeling zal alleen dan succesvol en daarmee in het belang van de minderjarigen verlopen, als de man en de vrouw daaraan beiden hun medewerking verlenen door daadwerkelijk elders te verblijven gedurende de tijd dat de andere ouder omgang heeft met de minderjarigen in de echtelijke woning. Gebleken is dat beide partijen daar ook de gelegenheid toe hebben. De vrouw heeft te kennen gegeven – op een overnachting na – bij de opvang of haar moeder te kunnen verblijven. De man heeft te kennen gegeven veel tijd door te brengen met collega’s. Tevens kan hij in zijn ouderlijk huis verblijven, waar hij nog altijd een kamer heeft, zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld.
Bij het bepalen van de dagen is beoogd om de tijd zoveel mogelijk gelijkelijk tussen de man en de vrouw te verdelen. Bepaald zal worden dat de man door de weeks drie middagen uitsluitend omgang heeft met de minderjarigen en de vrouw twee middagen. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de minderjarigen na schooltijd al verblijven bij de opvang van de vrouw.
Overige verzoeken
4.5.
Omdat zal worden beslist dat de minderjarigen voorlopig samen met partijen in de echtelijke woning zullen blijven wonen, en de minderjarigen met beide ouders evenveel omgang zullen hebben, is een beslissing op de verzoeken strekkende tot voorlopig toevertrouwen en betaling van kinderalimentatie thans niet meer geboden. Deze verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.
4.6.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt het gerecht dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4.7.
Tegen deze beschikking staat geen hogere voorziening open, behalve cassatie in het belang der wet (artikel 824 lid 1 Rv). Daarom heeft deze beschikking directe werking.
Dictum
Het gerecht:
bij wijze van voorlopige voorziening in de zin van artikel 822 en 823 Rv, in het verzoek en in het zelfstandig verzoek:
5.1.
stelt als voorlopige zorgregeling vast:
- iedere dinsdag, donderdag en vrijdag haalt de man de minderjarigen van de opvang, en brengt dan tot 21.00 uur tijd met de minderjarigen door in de echtelijke woning, in afwezigheid van de vrouw;
- iedere maandag en woensdag haalt de vrouw de minderjarigen van de opvang en brengt dan tot 21.00 uur tijd met de minderjarigen door in de echtelijke woning, in afwezigheid van de man;
- in de weekeinden brengen de man en de vrouw elk een dag van 9.00 uur tot 21.00 uur door met de minderjarigen, naar wens in de echtelijke woning, in afwezigheid van de ander; het ene weekeinde de man op de zaterdag en de vrouw op de zondag, en het volgende weekend andersom;
5.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.