Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-08-14
ECLI:NL:OGEAC:2024:249
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,350 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202402726
Vonnis in kort geding van 14 augustus 2024
in de zaak van
[Eiseres],
wonend in [woonplaats],eiseres,gemachtigde: mr. M. Eisden,
tegen
[Gedaagde],
wonend in [woonplaats],gedaagde,gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez.
Partijen worden hierna de moeder en de vader en gezamenlijk de ouders genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties van 18 juli 2024,
de akte houdende wijziging van eis van 5 augustus 2024,
de nadere producties van de moeder van 5 augustus 2024,
de producties van de vader van 6 augustus 2024,
de mondelinge behandeling van 7 augustus 2024,
de pleitnotities.
1.2.
De te laat ingediende – aan de pleitnotitie van de moeder gehechte – productie is, na daartegen gemaakt bezwaar, buiten beschouwing gelaten (artikel 57 en 12 lid 3 Procesreglement).
1.3.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Partijen hebben gedurende 22 jaar een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van twee thans nog minderjarige kinderen, waarover zij gezamenlijk het gezag uitoefenen: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats], [land], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats], [land] (hierna: de minderjarigen). Partijen waren als gezin woonachtig in [plaats], in de gezamenlijke woning aan [adres 1]
. De vader is in december 2021 met de minderjarigen in Curaçao gaan wonen. De moeder heeft vanaf december 2021 tussen Nederland en Curaçao gereisd, waarbij zij gemiddeld twee weken in Nederland verbleef en achtereenvolgens vier weken in Curaçao, om hier voor de minderjarigen te zorgen en ze op te voeden. De moeder is in Nederland ingeschreven gebleven. Zij heeft een onderneming in [plaats] waar ze de weken dat zij in Nederland verblijft, werkt. Voor het overige werkt zij op afstand.
2.2.
De relatie tussen partijen is begin 2022 beëindigd. In praktijk verdelen de ouders sindsdien de zorg, de opvoeding en het verblijf van de minderjarigen zo veel mogelijk 50-50.
2.3.
Partijen hebben een ouderschapsplan, ondertekend op 7 juni 2022, vastgesteld. Daarin zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:
‘1. Intentie
(…)
1.2.
Beide ouders zijn per 04-12-2021 woonachtig op Curaçao voor een periode van ten minste 24 maanden tot aan december 2023. Hierbij leggen ouders vast dat deze periode gehandhaafd blijft en de afspraak is dat de kinderen op Curaçao blijven.
(…)
3. Adres en omgang
3.1.
De kinderen zullen worden ingeschreven, volgens de gemeentelijke basis administratie (GBA), bij het huis wat nog in gezamenlijk bezit is door vader en moeder, gelegen aan de [adres 1] te [plaats]. De kinderen hebben daar hun hoofdverblijf.
3.2.
De verantwoordelijkheid voor de dagelijkse zorg voor de kinderen wordt in principe gedragen door d.m.v. een verdeling 50/50.
(…)
4. Verjaardagen en familiefeesten
(…)
4.3.
De ouders spreken met elkaar af in de directe omgeving van [plaats] te blijven wonen, na de periode december 2023, mogelijk zomer 2024.
(…)
5. Jaarlijkse afspraken
5.1.
Ieder jaar wordt aan het eind van het schooljaar een afspraak tussen de ouders gemaakt over de omgang en het verblijf van de kinderen op basis van de vorenstaande afspraken. (…)
5.2.
In het twaalfde levensjaar is hetgeen de kinderen zelf willen inzake verblijf en omgang met de ouders zeer zwaarwegend, tenzij dit om gewichtige redenen van de kinderen en/of ouders niet goed mogelijk is.
(…)
13. Herziening
13.1.
De ouders zullen dit ouderschapsplan jaarlijks evalueren en desgewenst herzien, of eerder indien één van de ouders dit nodig acht.’
(…)
Geschil
14.1.
Belangrijke verschillen van mening en conflicten zullen primair door de ouders zelf onderling behoren te worden opgelost. Mocht dit echter niet lukken, dan zullen de ouders zich z.s.m. tot een NMI gecertificeerde mediator wenden voor bemiddeling. Ingeval er geen bemiddeling plaatsvindt, of bemiddeling geen uitkomst biedt, zal de ouder die het aangaat het geschil aanhangig maken bij de bevoegde rechter.”
2.4.
Partijen hebben in de loop van 2024 een mediationpoging ondernomen, met betrekking tot onder meer de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen met ingang van het schooljaar 2024-2025. Deze poging is niet geslaagd.
2.5.
De minderjarigen zijn voor het schooljaar 2024-2025 ingeschreven op scholen in Curaçao en in [plaats], Nederland.
2.6.
De moeder heeft op 18 juli 2024 een verzoekschrift bij het gerecht ingediend, tot vervangende toes[minderjarige 2]ming voor verhuizing van de minderjarigen, bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder en vaststelling van een zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers CUR202302699, CUR202402700 en CUR202402701 (hierna: de bodemzaak).
3De vordering
3.1.
De moeder vordert dat het gerecht, na wijziging van eis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:1) haar vervangende toes[minderjarige 2]ming verleent samen met de minderjarigen tussen 28 juli 2024 en 19 augustus 2024 naar Nederland te reizen en de minderjarigen zich in Nederland metterwoon te laten vestigen in [plaats], in afwachting van de beschikking in de bodemprocedure;
2) bepaalt dat de minderjarigen hoofdverblijf zullen hebben bij de moeder in [plaats], althans dat de dagelijkse zorg aan de moeder wordt toevertrouwd, totdat in de bodemprocedure over een langdurige zorgregeling is beslist;
3) de vader veroordeelt de minderjarigen binnen 24 uur na dit vonnis af te geven aan de moeder;
4) een voorlopige zorgregeling vaststelt tussen de vader en de minderjarigen totdat er in de bodemprocedure over een geschikte regeling is beschikt;
5) bepaalt dat, indien en voor zover de vader weigert mee te werken aan de afgifte van de minderjarigen de moeder dit vonnis ten uitvoer kan laten leggen met behulp van de sterke arm;
6) een beslissing neemt die het gerecht in goede justitie in het belang van de minderjarigen geraden acht;
7) De vader veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
De moeder legt aan de vordering ten grondslag dat van meet af aan het de afspraak was dat het gezin gedurende een periode van twee jaar in Curaçao zou verblijven. Deze periode is inmiddels verstreken. De minderjarigen willen zelf graag in Nederland wonen en voor de moeder is het daarnaast in verband met haar gezondheid en financieel niet langer mogelijk zo vaak heen en weer te blijven reizen.
3.3.
De vader heeft verweer gevoerd dat voor zover relevant bij de beoordeling wordt betrokken.
Beoordeling
vooropgesteld
4.1.
Voorop zij gesteld dat het gerecht twee betrokken ouders ziet die het beste met de minderjarigen voor hebben en die, ongeacht de woonplaats van de minderjarigen, actief in het leven van de minderjarigen betrokken willen blijven. Alhoewel de ouders nu in de rechtszaal tegenover elkaar staan, leidt het gerecht uit hun houding, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting af dat de ouders goed met elkaar kunnen communiceren. Het gerecht gaat er vanuit dat de ouders daartoe in staat zullen blijven, ongeacht de woonplaats van de minderjarigen.
het spoedeisend belang
4.2.
Het spoedeisend belang is gegeven gelet op de aard van de vordering. Het gerecht heeft ter zitting meegedeeld zich in te spannen om een beslissing te geven op 14 augustus 2024. Hoewel het zeer onwenselijk is dat de minderjarigen nog zo kort voorafgaand aan het nieuwe schooljaar in onzekerheid verkeren over waar zij het komend jaar wonen en naar school gaan, ligt de datum van 14 augustus voor de eerste schooldag in Curaçao (15 augustus) en zes dagen voor de eerste schooldag in Nederland (20 augustus).
het beoordelingskader
4.3.
Omdat een verhuizing van een ouder met een minderjarig kind het gezag van de andere gezaghebbende ouder raakt, vereist de verhuizing de toes[minderjarige 2]ming van de andere ouder. Een geschil over een verhuizing kan op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechter worden voorgelegd. In een zodanig geschil neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
4.4.
De vader stelt dat, onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 (Zwitserse Verhuizing), bij de beoordeling van de vordering van de moeder alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen, onder meer de noodzaak om te verhuizen, de mate waarin de verhuizing door de moeder is doordacht en voorbereid, het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de vermindering van de contactmogelijkheden met de vader, de rechten van de vader en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in de vertrouwde omgeving, de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de vader voor en na de verhuizing, de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen geworteld zijn in de omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen, en of de extra kosten van de omgang na de verhuizing geheel of grotendeels worden gecompenseerd door de moeder. De vader betoogt dat weging van deze belangen het gerecht tot de slotsom dient te leiden dat de vordering van de moeder wordt afgewezen.
4.5.
Het gerecht onderschrijft op zichzelf de stelling van de vader dat ter beoordeling van dit geschil een belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij het gerecht rekening dient te houden met alle betrokken belangen, evenals de relevante omstandigheden van dit geval. Het gerecht is evenwel van oordeel dat – anders dan de vader stelt – in dit geval geen sprake is van een eenzijdige verhuizing van de minderjarigen vanwege de moeder, maar van de continuering van de reguliere hoofdverblijfplaats van de minderjarigen na een tijdelijke, tussen partijen zo afgesproken, onderbreking. Daartoe overweegt het gerecht als volgt.
de afspraak over de duur van het verblijf van de minderjarigen in Curaçao
4.6.
Partijen verschillen van mening over de tussen hen afgesproken intentie van het verblijf van de minderjarigen in Curaçao. De moeder beroept zich –kort gezegd- op de afspraak dat het verblijf van de minderjarigen in Curaçao maximaal 24 maanden zou duren, vanaf december 2021 tot december 2023, met een mogelijke verlenging van zes maanden tot de zomervakantie 2024. Dit blijkt volgens de moeder onder meer uit het ouderschapsplan. De vader betwist het bestaan van deze afspraak, evenals dat deze afspraak blijkt uit het ouderschapsplan. De vader wijst erop dat in artikel 1.2. van het ouderschapsplan staat ‘Beide ouders zijn per 04-12-2021 woonachtig voor een periode van ten minste 24 maanden tot aan december 2023’ en stelt in dit verband dat ‘ten minste’ niet ‘maximaal’ betekent.
4.7.
Over de uitleg van dat artikel 1.2. verschillen partijen dus van mening. Het ouderschapsplan is een schriftelijk contract, waarvoor geldt dat deze in geval van geschil over de uitleg daarvan, dient te worden uitgelegd aan de hand van de in de rechtspraak ontwikkelde zogenoemde Haviltex-maatstaf. Dat betekent dat het bij die uitleg aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Telkens zijn van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In deze maatstaf ligt besloten dat de mate waarin gewicht wordt toegekend aan de taalkundige betekenis van de bepalingen van een contract respectievelijk aan de betekenis die partijen zelf aan die bewoordingen (mogen) toekennen, afhangt van de omstandigheden van het geval. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan die overeenkomst gegeven uitleg.
4.8.
In dit licht is het gerecht van oordeel dat de door de vader gegeven uitleg van de afspraak tussen partijen, te weten dat (alleen) was afgesproken een minimale periode van 24 maanden in Curaçao te verblijven, niet kan worden gevolgd: het ouderschapsplan – dat nota bene is opgesteld door de vader – in zijn geheel gelezen, biedt verschillende aanknopingspunten voor de uitleg dat partijen een tijdelijk verblijf van de minderjarigen tot uiterlijk de zomer van 2024 in Curaçao hebben afgesproken. Zo zijn partijen in het ouderschapsplan ook overeengekomen dat (1) de minderjarigen ingeschreven zullen worden in de gemeentelijke basisadministratie in de gezamenlijke woning te [plaats] (artikel 3.1) en dat (2) de ouders met elkaar afspreken in de directe omgeving van [plaats] te blijven wonen na de periode december 2023, mogelijk zomer 2024 (artikel 4.3.). Ook de omstandigheid dat de woning van partijen te [plaats], naar de moeder onweersproken heeft gesteld, om deze reden was verhuurd tot aan de zomer van 2024, is een aanknopingspunt voor de door de moeder voorgestane uitleg van de gemaakte afspraken.
4.9.
Ook de vader zelf ging blijkens zijn e-mail van 27 februari 2024 aan de moeder uit van een tijdelijk verblijf van de kinderen in Curaçao tot augustus 2024. In die e-mail schrijft hij: ‘Natuurlijk hebben wij in het ouderschapsplan benoemt dat de kinderen op het eiland blijven tot aug 2024. Mocht jij de keus maken terug te gaan met de kinderen dan zal ik deze afspraak moeten naleven.’ (productie 7 van de moeder). De moeder heeft verder een verklaring overgelegd van een persoon, werkzaam op basisschool [basischool 1], de school van de kinderen in Curaçao, waarin deze schrijft: ‘Op 30-9-12 (het gerecht gaat er vanuit dat dit moet zijn: 30-9-21) heeft [eiseres] contact opgenomen met basisschool [basischool 1] met betrekking tot de inschrijving van haar kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], voor een periode van 2 tot 2,5 jaar. Dit contact heeft plaatsgevonden via de telefoon. Tijdens dit contact heeft [eisres] expliciet aangegeven dat zij haar kinderen voor de komende 2 tot 2,5 schooljaren wil inschrijven bij basisschool [basischool 1]. [minderjarige 2] zal groep 8 in Nederland volgen’. Ter zitting heeft de vader deze verklaring weliswaar betwist, maar niet afdoende duidelijk gemaakt waarom aan die verklaring in dit verband geen betekenis zou toekomen, zodat het gerecht aan die betwisting voorbij gaat.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
verleent ter vervanging van de toestemming[minderjarige 2] van de vader toestemming [minderjarige 2] aan de moeder om met [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] 2012 te [plaats], Nederland, en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2023 te [plaats], Nederland, naar Nederland te verhuizen en daartoe vanuit Curaçao naar Nederland af te reizen vanaf heden, totdat hierover door het gerecht in de bodemzaak is beslist;
5.2.
bepaalt dat [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] 2012 te [plaats], Nederland, en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2023 te [plaats], Nederland hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder te [plaats], totdat hierover door het gerecht in de bodemzaak is beslist;
5.3.
bepaalt een voorlopige zorgregeling in zoverre dat deze in onderling overleg tussen de ouders wordt ingevuld, maar waarbij de minderjarigen in ieder geval gedurende de kerst- en de zomervakanties naar de vader in Curaçao afreizen;
5.4.
bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.
Beoordeling
Ten slotte is gesteld noch gebleken dat het ouderschapsplan is herzien.
4.10.
Al met al is voldoende komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat de minderjarigen voor een periode van twee jaar in Curaçao zouden verblijven, eventueel met een verlenging van een half jaar tot aan de zomervakantie 2024.
4.11.
Rekening houdend met de specifieke omstandigheid van dit geval dat de door de moeder gewenste verhuizing van de minderjarigen naar Nederland geen eenzijdige verhuizing van de minderjarigen is, maar de continuering van de slechts tijdelijk, afgesproken, onderbreking van een hoofdverblijfplaats in [plaats], komt het gerecht tot de volgende afweging van de betrokken belangen.
4.12.
Ten aanzien van de belangen van de minderjarigen, overweegt het gerecht als volgt. Het verhuizen naar Curaçao heeft in december 2021, derhalve 2,5 jaar geleden, plaatsgevonden. Tot die tijd hebben de minderjarigen in [plaats] gewoond, [minderjarige 1] dus ruim 9 jaar en [minderjarige 2] ruim 8 jaar. In [plaats] -en verder ook in Nederland – hebben de minderjarigen al hun familie wonen en nog steeds hun vrienden en vriendinnen, in de straat, in de buurt en op school. In [plaats] is [minderjarige 2] ingeschreven op zijn ‘oude’ school en [minderjarige 1] op twee middelbare scholen. De woning aan [adres 1], waar de minderjarigen in Nederland woonden, is vooralsnog beschikbaar. Ook indien de vader onverkort vasthoudt aan zijn wens de gemeenschappelijke woning op korte termijn te verkopen en in kort geding daarvoor vervangende toestemming[minderjarige 2] verkrijgt van de rechter, kan de moeder beschikken over alternatieve woonruimte in de directe omgeving, geschikt om met de twee minderjarigen te wonen, zo heeft zij ter zitting onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaard. [plaats] is dan ook welbekend terrein voor de minderjarigen, zodat de terugverhuizing naar [plaats] geen grote overgang voor de minderjarigen zal zijn, maar een terugkeer. Daar komt bij dat het voor het gezin steeds de insteek is geweest dat na ommekomst van de periode van twee jaar de minderjarigen terug naar Nederland zouden verhuizen. Het was voor de minderjarigen duidelijk dat hun verblijf in Curaçao van tijdelijke aard zou zijn. Van een plotselinge verhuizing naar een nieuwe woonplaats waar de minderjarigen alles moeten opbouwen, hetgeen een relevante factor zou zijn in de belangenafweging, is geen sprake.
Het gerecht heeft er verder geen twijfel over dat op zichzelf zowel [plaats], met hoofdverblijfplaats bij de moeder, als Curaçao, met hoofdverblijfplaats bij de vader, voor de minderjarigen een veilige en fijne woonplaats kan zijn. Aan enkele van de belangen van de minderjarigen, zoals continuïteit en duidelijkheid ten aanzien van hun verdere hoofdverblijfplaats, alsmede de mate waarin zij in hun omgeving geworteld zijn, wordt naar het oordeel van het gerecht meer tegemoetgekomen bij een terugverhuizing naar hun voormalige woonplaats [plaats].
4.13.
De moeder heeft betoogd dat de huidige regeling voor haar niet langer dan de afgesproken termijn is vol te houden; fysiek niet, psychisch niet en ook financieel niet. Zij vliegt nu elf keer per jaar heen en weer. Zij wil weer 100% in Nederland wonen, met de minderjarigen, hetgeen altijd de intentie van en ook de afspraak tussen partijen is geweest. Haar onderneming lijdt er al twee jaar onder dat zij weinig aanwezig is, aldus de moeder.
Ook aan deze belangen kent het gerecht gewicht toe. Wat de precieze financiële implicaties zijn voor de moeder dan wel haar onderneming van het vele heen en weer reizen, waarover tussen partijen discussie bestaat, laat het gerecht daar, nu aan de door de moeder onweersproken gestelde overige belangen bij het beëindigen van het reizend bestaan, waarbij zij in feite langdurig afwisselend in twee landen woont, op zichzelf al voldoende zwaarwegend gewicht kan worden toegekend.
4.14.
De vader heeft betoogd dat de minderjarigen nu in een belangrijke fase zijn. Hoe meer tijd hij in deze fase met de minderjarigen kinderen kan besteden, hoe beter. De kwaliteit van leven is voor hen in Curaçao beter dan in Nederland. Het is voor de vader lastig om steeds naar Nederland te moeten reizen, omdat hij in contact moet blijven met zijn investeerders dan wel zakenpartners, althans het is voor hem lastiger dan het voor de moeder is om regelmatig naar Curaçao te reizen. Verder heeft hij in Curaçao een nieuwe, stabiele relatie, en de minderjarigen hebben er daardoor ook een stiefmoeder en stiefzusjes bijgekregen, waar zij een goede band mee hebben, aldus de vader.
Het gerecht overweegt dat dit op zichzelf legitieme belangen van de vader zijn. Aan deze belangen, evenals de door de vader hiervoor onder 4.4. vermelde belangen kent het gerecht evenwel geen doorslaggevende betekenis toe. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat het de keuze van de vader is om in afwijking van de afspraken in het ouderschapsplan zich na ommekomst van de afgesproken termijn permanent in Curaçao te vestigen, in plaats van in de directe omgeving van [plaats]. En het is juist vanwege deze keuze van de vader, en niet vanwege de wens van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen in [plaats] te handhaven, zoals afgesproken tussen partijen, dat deze belangen van de vader in het gedrang kunnen komen.
4.15.
Het gerecht zal dan ook, met inachtneming van voormelde omstandigheid dat het van meet af aan de afspraak tussen partijen was dat het verblijf van de minderjarigen (en de ouders) in Curaçao tot maximaal de zomer van 2024 beperkt zou blijven, en na afweging van alle betrokken belangen, zoals hiervoor overwogen, de moeder de gevraagde toestemming [minderjarige 2] verlenen als na te melden.
Het gerecht wijst er hierbij op dat de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen de dagelijkse zorg in principe 50-50 te dragen. Dat is in het dagelijks leven een grote uitdaging als betrokkenen op grote afstand van elkaar wonen, zoals hier het geval zal zijn. Aan deze intentie kan – vooralsnog – in die zin uitvoering worden gegeven door de minderjarigen de gelegenheid te geven hun vakanties hoofdzakelijk bij de vader door te brengen dan wel ruimte te maken voor de vader als hij in Nederland is.
het overige verzochte
4.16.
Het verzoek de minderjarigen binnen 24 uur na het vonnis af te geven, zo nodig met behulp van de sterke arm, wordt afgewezen. Niet valt in te zien dat en waarom de vader, gelet op de betrokken belangen van de minderjarigen in dezen, zijn medewerking niet zou verlenen aan de uitvoering van deze uitspraak.
4.17.
Een tijdelijke omgangsregeling zullen partijen in onderling overleg moeten vaststellen, omdat het gerecht er – gelet op de stellingen en verklaringen van partijen ter zitting – vanuit gaat dat de ouders daartoe zelf in staat zijn, rekening houdend met de belangen van de minderjarigen en die van de vader om zoveel als mogelijk fysieke omgang met elkaar te hebben. Het gerecht zal in elk geval bepalen dat de minderjarigen gedurende de kerst- en de zomervakanties naar de vader in Curaçao afreizen.
de proceskosten
4.18.
Gelet op de gewezen affectieve relatie tussen partijen worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
de uitvoerbaar bij voorraadverklaring
4.19.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.