Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-08-12
ECLI:NL:OGEAC:2024:241
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,831 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202402455
Vonnis in kort geding van 12 augustus 2024
in de zaak van
[Eiser],
wonend in [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. B. Lie-Atjam,
tegen
de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. H.W. Braam.
Partijen worden hierna [eiser] en het Land genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 27 juni 2024,
de mondelinge behandeling van 29 juli 2024.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1. [
eiser] heeft het Land bij brieven van 2 mei 2018, 29 augustus 2018 en 13 februari 2023 verzocht om in lijn met de ministeriële beschikking van 10 november 2017 een toelage van 25% van zijn bezoldiging aan hem toe te kennen voor de periode dat hij als lid van de Advies Commissie Bezwaarschriften van het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur heeft gewerkt (hierna: het verzoek). Het Land heeft niet gereageerd op zijn verzoek.
2.2. [
eiser] heeft bij brief van 3 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek.
2.3.
Reactie bleef opnieuw uit. [eiser] heeft vervolgens tegen de fictieve weigering bezwaar gemaakt, waarna het Gerecht in Ambtenarenzaken bij uitspraak van 29 januari 2024 met zaaknummer GAZ CUR202302447 het bezwaar van [eiser] gegrond heeft verklaard, de weigering van het Land om op het bezwaar van [eiser] te beslissingen heeft vernietigd en het Land heeft opgedragen om binnen drie maanden na 29 januari 2024 een beslissing te nemen op voormeld verzoek. Aan deze uitspraak is geen gevolg gegeven.
3De vordering
3.1. [
eiser] vordert dat het gerecht het Land beveelt binnen vier weken na betekening van dit vonnis een inhoudelijke beschikking te geven op zijn verzoek, zoals beslist in de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken d.d. 29 januari 2024 met zaaknummer CUR202302447, op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAf 3.000 per dag of gedeelte daarvan dat het Land in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maximum van NAf 30.000, kosten rechtens.
Beoordeling
4.1.
Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit de aard van de vordering.
4.2.
Het gerecht overweegt dat [eiser] in zijn vordering het Land te bevelen inhoudelijk te beschikken op zijn verzoek niet kan worden ontvangen. Dat bevel is immers al gegeven in de uitspraak van 29 januari 2024 van het Gerecht in Ambtenarenzaken en geldt onverkort. In zoverre zal [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3.
Wel kan de burgerlijke rechter een uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken kracht bijzetten door daaraan een dwangsom te verbinden. Het gerecht verwijst in dit verband naar de uitspraak in kort geding van dit gerecht van 14 mei 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:73 en naar de daarin genoemde uitspraak van dit gerecht van 28 december 2015 (AR 75977/2015), waarin onder meer is overwogen:
‘4.1. Voor het opleggen van een dwangsom biedt de Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAR) geen grondslag. Verder is het opleggen van een als dwangsom aan te merken schadevergoeding op grond van artikel 96 van de RAR niet mogelijk. Bij uitspraak van 20 september 2007 heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken immers bepaald dat artikel 96 van de RAR slechts de grondslag biedt voor de bevoegdheid om bij het niet uitvoeren van een uitspraak een schadevergoeding vast te stellen met terzijdestelling van die uitspraak. Dat artikel geeft de ambtenarenrechter, aldus de Raad, niet de bevoegdheid om bij te late uitvoering een schadevergoeding op te leggen, bijvoorbeeld in de vorm van wettelijke rente, of een als vooraf bepaalde schadevergoeding aan te merken dwangsom op te leggen om uitvoering af te dwingen. 4.2. Dat in de RAR niet is voorzien in de mogelijkheid van het opleggen van een dwangsom heeft wellicht te maken met het feit dat de wetgever bij de totstandkoming van de RAR in de jaren ’50 van de vorige eeuw ervan uit is gegaan dat bestuursorganen en openbare lichamen altijd uitvoering geven aan rechterlijke uitspraken. De ervaring heeft echter geleerd dat dat laatste niet altijd het geval is. van ambtenaren kan niet worden verwacht dat zij zich erbij neerleggen dat het Land rechterlijke uitspraken negeert. Gelet daarop is het Gerecht vooralsnog van oordeel dat ambtenaren zich tot de civiele rechter kunnen wenden om door het vorderen van een dwangsom te proberen te bereiken dat het land alsnog uitvoering geeft aan ambtenarenrechtelijke uitspraken.’.
De mogelijkheid om een dwangsom te verbinden aan een uitspraak van de ambtenarenrechter volgt ook uit het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 1 maart 2016 (AR 73963/2015 – H 318/15, ECLI:NL:OGHACMB:2016:8).
4.4.
Ter zitting heeft het Land verklaard dat de beslissing op het verzoek van [eiser] op korte termijn gereed zal zijn. Een concept van een ministeriële beschikking, waarbij aan [eiser] een bezoldiging wordt toegekend van NAf 10.454,25, ligt gereed voor formalisering. [eiser] heeft echter laten weten dat de toezegging dat de beschikking nu op korte termijn definitief zal zijn, mede gelet op eerdere toezeggingen, zijn onzekerheid niet wegneemt en dat hij daarom zijn vordering handhaaft.
4.5.
Het gerecht overweegt dat [eiser] –ook thans nog- voldoende belang heeft bij zijn vordering een dwangsom te stellen op het binnen een bepaalde termijn inhoudelijk beschikken op zijn verzoek. Dit onderdeel van de vordering van [eiser] zal worden toegewezen als na te melden.
4.6.
Omdat het Land (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, wordt het Land veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 450 aan griffierecht, NAf 322,93 aan oproepingskosten en NAf 1.000 aan gemachtigdensalaris.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering het Land te bevelen binnen vier weken na vonnisdatum inhoudelijk te beschikken op zijn verzoek;
5.2.
bepaalt dat het Land, indien het Land niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis inhoudelijk beschikt op het verzoek van [eiser] als omschreven in rechtsoverweging 2.1. van dit vonnis, een dwangsom verbeurt van NAf 250 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de inhoudelijke beschikking uitblijft, met een maximum van NAf 20.000;
5.3.
veroordeelt het Land in de proceskosten van [eiser] van NAf 1.772,93;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.