Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-11-14
ECLI:NL:OGEAC:2024:240
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,442 tokens
Inleiding
Parketnummer: 555.00026/24
Uitspraak: 14 november 2024 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2024, op 4 oktober 2024, op 16 oktober 2024 en op 24 oktober 2024. De verdachte is, tijdens de inhoudelijke behandeling, telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. U. Dickens, advocaat in Curaçao. Op 16 en 24 oktober 2024 zijn de verdachte en zijn raadsman, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. Hij is tijdens de inhoudelijke behandeling op 4 oktober 2024 vertegenwoordigd door mevrouw E.Z. Snijders van de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg. Op 24 oktober 2024, de sluitingsdatum van het onderzoek, is mr. R. Moeniralam namens de benadeelde partij verschenen met een (nieuwe) vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. K. Hara, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de verdachte partieel zal vrijspreken van het bestanddeel “voorbedachte raad” en voor het overige het onder feit 1 primair (poging tot doodslag), feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft zij als bijzondere voorwaarde begeleiding door de reclassering gevorderd. Tot slot heeft zij gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij, zoals ingediend door mevrouw Snijders, zal worden toegewezen. Ten aanzien van de (nieuwe) vordering, op 24 oktober 2024 ingediend door mr. Moeniralam, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat deze te laat is ingediend en om die reden niet ontvankelijk is. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat deze niet ontvankelijk is omdat deze niet is onderbouwd.
De raadsman heeft verzocht om partiele vrijspraak voor de onder 1 primair ten laste gelegde “voorbedachte raad”. Voorts heeft hij bepleit dat verdachte opzet noch voorwaardelijk opzet had op de dood van zijn broer. Subsidiair heeft hij bepleit dat de verdachte ter zake van het overige onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien er sprake was van noodweer subsidiair van noodweerexces. De raadsman verzoekt het Gerecht de vordering van de benadeelde partij die verband houdt met dit feit niet ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de (nieuwe) vordering zoals deze op 24 oktober 2024 door mr. Moeniralam is ingediend, heeft de raadsman zich, desgevraagd telefonisch, op het standpunt gesteld dat deze te laat is ingediend en om die reden niet ontvankelijk moet worden verklaard.
De verdachte ontkent dat hij de onder 2 ten laste gelegde bedreiging heeft gepleegd. Bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. De verdachte heeft bekend het onder 3 ten laste gelegde te hebben gepleegd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
Feit 1, primair:
dat hij op of omstreeks 4 juni 2023, althans in of omstreeks de maand juni 2023 te Curacao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet een of meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op of in de richting van die [benadeelde partij], terwijl de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
(artikel 2:262/2:259 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair:
dat hij op of omstreeks 4 juni 2023, althans in of omstreeks de maand juni 2023 te Curacao, aan [benadeelde partij], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten: een gescheurde lever en/of maagperforatie en/of nier hematoom en/of fractuur linker (boven)arm, heeft toegebracht door een of meermalen met een vuurwapen op/in de richting van die [benadeelde partij] te schieten.
Conclusie
• Het voor onderzoek aangeboden pistool is een vuurwapen In de zin van het
Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd;
• De scherpe patronen van het kaliber 9 x 19mm zijn munitie in de zin van het
Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd;
• De scherpe patronen van het kaliber 9 x 19mm werden normaal tot ontbranding gebracht.
Voornoemd pistool en scherpe patronen van het kaliber 9 x 19mm zijn deugdelijk.
10. De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 oktober 2024, voor zover inhoudende:
Ik had een geladen revolver in een tas op mijn buik. Ik heb op mijn broer geschoten. Hij was dicht bij mij, ongeveer een meter.
Op 25 juli 2023 was ik aanwezig bij de woning van mijn moeder.
Het inbeslaggenomen vuurwapen is van mij.
Overwegingen
T.a.v. feit 1, 2 en 3
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1, en stelt dat de verdachte op geen enkel moment de bedoeling had om zijn eigen broer te doden. Het Gerecht overweegt als volgt. De verdachte heeft tegenover de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij doelbewust van zeer korte afstand een schot heeft gelost op het lichaam van zijn broer. Het slachtoffer is daarbij in de buik geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het menselijk bovenlichaam diverse vitale organen bevinden. Het slachtoffer liep dan ook zware verwondingen op, zoals een gescheurde lever, een maagperforatie, een schamp-wond aan de dikke darm en een nierbloeding. Vervolgens is verdachte ook nog eens achter zijn (reeds gewonde) broer aangelopen en heeft hij, terwijl deze op de grond lag, nogmaals geschoten waarbij zijn broer in zijn arm is geraakt. Het Gerecht is van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het uitschakelen van de aangever, en daarmee op zijn dood, dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever.
Het Gerecht is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat voor het bestanddeel “voorbedachte raad” en dus voor de onder feit 1 primair impliciet ten laste gelegde poging tot moord onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Het Gerecht zal de verdachte daarom hiervan vrijspreken.
Verweren met betrekking tot de strafbaarheid van het feit en de dader
Door de verdediging is aangevoerd dat aan de verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt, omdat hij zich zou hebben verdedigd tegen een onverwachte aanval van zijn broer. Het Gerecht volgt deze redenering niet. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval, waartegen de verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. Bij de politie, alsook ter terechtzitting, heeft de verdachte verklaard dat zijn broer tijdens een familieruzie plotseling, onverwacht en van achteren op hem afkwam, waarna hij zich omgedraaid heeft en direct heeft geschoten. Uit de verklaringen van de andere aanwezigen, aangever [benadeelde partij] en getuigen [getuige] en [betrokkkene 3], volgt daarentegen helemaal niet dat de verdachte op enig moment door zijn broer werd aangevallen. Zo verklaren aangever en getuige [getuige] dat verdachte met een getrokken vuurwapen op aangever afliep en schoot. Getuige [betrokkene 3] ziet weliswaar geen vuurwapen bij verdachte maar ziet hem naar binnen lopen en verklaart kort daarna een schot te horen. Dat deze verklaringen terzijde moeten worden geschoven omdat zij zowel intern als onderling tegenstrijdigheden bevatten en zij daarmee onbetrouwbaar zijn, zoals de raadsman heeft betoogd, volgt het Gerecht niet. Daartoe acht zij van belang dat de door de raadsman geduide tegenstrijdigheden niet zien op de tenlastegelegde gedraging en verdachte de verklaringen van aangever en getuigen bovendien op essentiële onderdelen ondersteunt in die zin dat hij ter terechtzitting heeft verklaard niet te hebben willen wachten tot dat aangever hem aan zou vallen en verklaart hij geen wapen bij aangever te hebben gezien. Desondanks heeft de verdachte zonder aarzelen op zijn broer geschoten met het geladen vuurwapen dat hij bij zich droeg. Toen zijn gewonde broer probeerde weg te komen, is de verdachte hem zelfs achternagelopen en heeft hem nogmaals beschoten. Dit betekent dat het beroep op noodweer niet kan worden aanvaard. Immers, de gedraging van verdachte kan, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als verdedigend. Integendeel, het was verdachte die zijn broer aanviel door op hem af te lopen en hem neer te schieten.
Nu geen sprake was van een noodweersituatie, kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen.
Voor zover de verdachte impliciet een beroep wenst te doen op putatief noodweer, overweegt het Gerecht als volgt. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer dient aannemelijk te worden dat de verdachte, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs kon denken dat hij werd aangevallen en zich moest verdedigen. De verdachte heeft desgevraagd verklaard dat zijn broer hem nooit eerder heeft aangevallen of heeft gedreigd hem aan te vallen. De agressie binnen de familie lijkt juist eerder van de verdachte uit te gaan. Nu er geen sprake was van eerdere dreiging of geweld jegens verdachte en op het moment van het incident geen objectieve grondslag bestond voor de veronderstelling dat het slachtoffer de verdachte zou aanvallen, acht het Gerecht ook het beroep op putatief noodweer ongegrond.
Het Gerecht overweegt ten aanzien van feit 2 als volgt. Zowel aangeefster [getuige] als haar broer [betrokkene 1] hebben bij de politie verklaard dat zij verdachte, nadat oom [betrokkene 3] dood in huis was aangetroffen, hebben horen zeggen dat hij een wapen zou halen en moeder en [benadeelde partij] (het Gerecht begrijpt: aangeefster [getuige] en [benadeelde partij] ) zou vermoorden.
Verdachte ontkent deze bedreiging. Getuige [betrokkene 4], ook aldaar ter plaatse, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte boos was maar dat hij hem geen bedreiging heeft horen uiten.
Naar het oordeel van het Gerecht kan ook de bedreiging wettig en overtuigend worden bewezen. In dit verband hecht het Gerecht meer waarde aan de verklaringen van aangeefster [getuige] Alle en getuige [betrokkene 1], wiens verklaringen zij – in tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft betoogd - betrouwbaar acht. Weliswaar heeft de verklaring van aangeefster aanvankelijk enige vragen opgeroepen over de plaats waar zij stond toen zij de bedreiging hoorde, maar dat heeft zij bij de rechter-commissaris verduidelijkt. Ook betrekt het Gerecht de context van de zaak - waarbij sprake was van een langlopend, uit de hand gelopen conflict tussen (onder meer) aangevers aan de ene kant en verdachte aan de andere kant, over de betaling van de water- en energierekening en waarbij verdachte 3 weken daarvoor aangever [benadeelde partij] had neergeschoten – waarbinnen de bedreiging past.
Dat getuige [betrokkene 4] heeft verklaard de bedreiging niet te hebben gehoord, leidt het Gerecht dan ook niet tot een ander oordeel. Hierbij betrekt het Gerecht dat deze getuige blijkens zijn verklaring geheel aan de zijde van verdachte staat.
Zoals de verdachte ook ter zitting heeft bevestigd was het inbeslaggenomen wapen van hem. Ook feit 3 kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1, primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto 1:119 Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot doodslag
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht
Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3 juncto artikel 11 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening (meermalen gepleegd).
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 7.500,- (zegge: zevenduizend vijfhonderd gulden en 0 cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juni 2023 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 7.500,- (zegge: zevenduizend vijfhonderd gulden en 0 cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 72 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [datum] tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;
gelast de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen vuurwapen en munitie.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. H.R. Bracht, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, (zittingsgriffier), en op 14 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
uitspraakgriffier:
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao met de onderzoeksnaam “Mina”, procesverbaalnr 119/24, op ambtseed opgemaakt en gesloten op 5 mei 2024.
Inleiding
(artikel 2:275/276 Wetboek van Strafrecht)
Feit 2:
dat hij op of omstreeks 25 juli 2023, althans in of omstreeks de maand juli 2023 te Curacao, opzettelijk [benadeelde partij] en/of [getuige] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen (als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931), immers heeft hij, verdachte, (toen en aldaar) tegen [betrokkene 1] gezegd: "ik ga mijn vuurwapen halen om mijn moeder en "[benadeelde partij]" dood te schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking geuit;
(artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht)
Feit 3:
dat hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2023 tot en met 13 februari 2024, te Curacao, een (vuur)wapen, te weten: een pistool van het merk [vuurwapenmerk/ model] , serienummer: [serienummer] en/of munitie(s), te weten: 13 scherpe patronen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, en/of een voor bedreiging en/of afdreiging geschikt voorwerp, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag alsmede het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1, primair:
dat hij op of omstreeks 4 juni 2023, althans in of omstreeks de maand juni 2023 te Curacao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet een of meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op of in de richting van die [benadeelde partij], terwijl de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
feit 2:
dat hij op of omstreeks 25 juli 2023, althans in of omstreeks de maand juli 2023 te Curacao, opzettelijk [benadeelde partij] en/of [getuige] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen (als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931), immers heeft hij, verdachte, (toen en aldaar) tegen [betrokkene 1] gezegd: "ik ga mijn vuurwapen halen om mijn moeder en "[benadeelde partij]" dood te schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking geuit;
feit 3:
dat hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2023 tot en met 13 februari 2024, te Curacao, een (vuur)wapen, te weten: een pistool van het merk [vuurwapenmerk/model] , serienummer: [serienummer] en/of munitie(s), te weten: 13 scherpe patronen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, en/of een voor bedreiging en/of afdreiging geschikt voorwerp, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
t.a.v. feit 1, 2 en 3:
1. Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij], ambtsedig opgemaakt, getekend en gesloten op 10 juni 2023 door verbalisant [verbalisant 1], Einddossier, blz. 3 e.v., voor zover inhoudende :
Even later kwam [verdachte] (het Gerecht begrijpt: verdachte), bijgenaamd [verdachte], aanrijden. Er ontstond een woordenwisseling tussen mijn moeder, [verdachte] en mijzelf. Vervolgens zag ik dat [verdachte] een vuurwapen tevoorschijn haalde, uit een zwarte tas die hij bij zich had. Hij loste een schot op mij af. Deze kogel raakte mij ter hoogte van mijn buik. Op dat moment stond mijn nicht [betrokkene 2] naast mij. Om te voorkomen dat zij ook door een kogel zou worden geraakt, liep ik naar buiten en ging voor de auto van [verdachte] liggen. lk kan mij niet herinneren op welk moment ik voor de tweede keer door [verdachte] werd beschoten. Mijn moeder heeft mij gezegd dat [verdachte] mij voor de tweede keer had beschoten toen ik buiten op de grond lag. Ik weet wel dat hij twee keren op mij had geschoten en dat ik beide keren door de kogels werd geraakt. De tweede keer kreeg ik een kogel in mijn linker elleboog.
2. Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige], ambtsedig opgemaakt, getekend en gesloten op 25 maart 2024 door verbalisant [verbalisant 1], einddossier, blz. 52 e.v., voor zover inhoudende :
[verdachte] kwam via de achterdeur naar binnen. [verdachte] liep naar [benadeelde partij] toe, haalde een vuurwapen tevoorschijn, plaatste dit tegen de buik van [benadeelde partij] en schoot. [benadeelde partij] liep naar buiten toe. [verdachte] ging hem achterna en schoot hem voor de tweede keer.
V. Hoe ver stond van [verdachte] en [benadeelde partij], toen [verdachte] hem neer schot? A. Niet eens een meter.
V. Had [benadeelde partij] iets in zijn handen?
A. Nee. [benadeelde partij] stond in de opening van deur van zijn slaapkamer, met zijn twee
handen naast zijn heup. [benadeelde partij] had helemaal niets in zijn handen.
3. Proces-verbaal van aangifte door [ betrokkene 3], ambtsedig opgemaakt, getekend en gesloten op 4 juni 2023 door verbalisant [verbalisant 2]
,einddossier, blz. 26 e.v., voor zover inhoudende :
lk zag hoe [verdachte] de woning binnen liep, kort daarna hoorde ik een schot en vervolgens zag ik "[benadeelde partij]" naar buiten rennen. Op dat moment zag ik hoe "[benadeelde partij]" van pijn schreeuwde terwijl hij zijn handen tegen zijn onderbuik hield. [benadeelde partij] rende mij voorbij richting de auto van [verdachte]. Kort daarna zag ik [verdachte] vanuit de voordeur richting "[benadeelde partij]' rennen en toen [verdachte] dichterbij "[benadeelde partij]" was gekomen, hoorde ik een tweede schot. Toen stapte [verdachte] im zijn auto en reed weg. “[benadeelde partij]” bleef buiten op de grond liggen. Op uw vraag of ik [verdachte] of [benadeelde partij] met een vuurwapen zag, moet ik zeggen dat ik geen vuurwapen zag, ik hoorde wel twee schoten.
4.
Overwegingen
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dit geval heeft de verdachte vanaf zeer korte afstand zijn broer in de buik geschoten en hem nogmaals beschoten, terwijl hij ernstig gewond probeerde te ontkomen. Het slachtoffer had door het handelen van de verdachte het leven kunnen verliezen. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is zeker niet aan de verdachte te danken. In plaats van hulp te halen is de verdachte weggegaan en heeft zijn broer zwaargewond en hulpeloos op straat achtergelaten. Het slachtoffer kampt nog steeds met de fysieke gevolgen van het handelen van de verdachte. Het valt bovendien te verwachten dat het slachtoffer nog geruime tijd zal lijden onder de psychische gevolgen van het gebeurde. Dat geldt ook voor de moeder van de verdachte en het slachtoffer, die bij het incident aanwezig was.
Enkele maanden na dit feit heeft de verdachte gezegd dat hij zijn moeder en zijn broer zal doodschieten. Zij hebben deze woorden als zeer bedreigend ervaren, omdat zij weten dat de verdachte met een geladen vuurwapen rondloopt en de daad eerder bij het woord heeft geprobeerd te voegen. Zijn broer en hun moeder hebben deze woorden dan ook in redelijkheid kunnen opvatten als een serieus dreigement dat de verdachte opnieuw van plan is hun leven in gevaar te brengen.
De verdachte heeft zich bovendien – tijdens en na het schietincident - schuldig gemaakt aan verboden vuurwapenbezit.
Uit de strafkaart van de verdachte blijkt dat hij kort geleden vervroegd is vrijgelaten, na het uitzitten van een zeer lange straf voor een vergelijkbaar feit. De verdachte was dan ook een gewaarschuwd man. Het feit dat hij desondanks nog steeds met een geladen vuurwapen rondloopt en zelfs tegen zijn eigen familie vuurwapengeweld niet schuwt, vindt het Gerecht buitengewoon zorgelijk. De verdachte vormt hierdoor een ernstig gevaar voor zijn omgeving.
Dit wordt ook bevestigd door de psychiater en de psycholoog die verdachte hebben onderzocht. Zo schrijft de psychiater in zijn rapport van 27 april 2024 dat de combinatie van vuurwapenbezit, het (door verdachte zelf genoemde) snel boos worden (“kort lontje”) en alcoholgebruik (verdachte had ook ten tijde van het tenlastegelegde whisky gedronken) een gevaarlijke combinatie is waarbij conflicten ernstig kunnen escaleren zoals nu ook is gebeurd. Om de recidive te beperken adviseert hij reclasseringsbegeleiding met aandacht voor agressieregulatie en voor zijn alcoholgebruik. De psychiater vindt geen aanwijzingen voor psychopathologie en acht verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar. De psycholoog schrijft in het rapport van 21 mei 2024 dat verdachte wel kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis vertoont, maar merkt op hij niet aan alle criteria voor deze diagnose voldoet. Ook de psycholoog acht verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar. Hij schat het recidiverisico bij verdachte in als hoog, onder meer omdat verdachte impulsief is en hoog scoort op de agressieschaal. Dit wordt bovendien ondersteund door zijn crimineel verleden. Ter beperking van het recidivegevaar adviseert hij onder meer gedragsinterventies en behandeling voor alcoholmisbruik.
De verdachte, die op andere gebieden zijn leven goed georganiseerd lijkt te hebben, zegt zich te realiseren dat hij een ernstig probleem heeft, maar betreurt het dat hij eerder nooit enige hulp heeft ontvangen.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.
Daarbij heeft het Gerecht betrokken de oriëntatiepunten, voor zover beschikbaar, voor straftoemeting van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Voor poging doodslag met zwaar letsel (zoals in dit geval aan de orde) is dat oriëntatiepunt (voor een first offender, voor recidive is geen apart oriëntatiepunt) 6 tot 8 jaar gevangenisstraf onvoorwaardelijk. Voor vuurwapenbezit zoals hier aan de orde (dragen op straat) is dat oriëntatiepunt bij recidive 60 maanden gevangenisstraf.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, zoals gevorderd door de officier van justitie, mede gelet op de documentatie van verdachte, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. Daarbij is een voorwaardelijk deel, reeds gelet op het bepaalde in artikel 1:19, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht, niet aan de orde.
Het onder de verdachte in beslag genomen vuurwapen en de bijbehorende munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De voorwerpen behoren toe aan de verdachte en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij de gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.
Schadevergoeding
De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 7.500,-.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Daarbij acht het Gerecht het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2023, gelet op de stukken die ter onderbouwing zijn bijgevoegd, waaronder een brief van de psycholoog die schrijft dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met PTSD, redelijk en billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
Ten aanzien van de op 24 oktober 2024 – de datum die uitsluitend voor sluiting van het onderzoek bedoeld was, in verband waarmee partijen aangezegd was dat zij niet hoefden te verschijnen - door mr. Moeniralam ingediende nieuwe vordering oordeelt het Gerecht als volgt. Zoals het Gerecht ter zitting reeds aan mr. Moeniralam heeft meegedeeld is het Gerecht volstrekt onduidelijk (geworden) waarom deze vordering (het Gerecht beschouwt deze gemakshalve als een aanvulling op de eerdere, door mevrouw Snijders tijdig, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling ingediende en aldaar besproken vordering) eerst nu, drie weken na de inhoudelijke behandeling, is ingediend. Nu deze echter vóór de sluiting is ingediend, en de raadsman van verdachte (telefonisch) nog de gelegenheid heeft gekregen hierop te reageren, zal het Gerecht de vordering in de onderhavige procedure meenemen. In dit verband stelt het Gerecht vast dat mr. Moeniralam schade vordert voor beschadigde kleding, mantelzorgkosten, loonderving, reiskosten en shockschade.
Inleiding
Een geschrift, ongedateerd, inhoudende een verklaring van [verbalisant 3], namens [chirurg] , chirurg verbonden aan het Curacao Medical Center, einddossier blz. 6 e.v., voor zover inhoudende:
Patient: [benadeelde partij]
Geboren: [geboortedatum]
Wonende: [adres]
Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 05-06-2023 tot en met 12-06-2023 op de afdeling Chirurgie in verband met abdominale schotwond.
Beloop
39-jarige patiënt opgenomen wegens schotwond wv:
Laparotomie: leverscheur en maag perforatie en colon schampwond, overhecht
Nier hematoom links; conservatief
Olecranon fractuur links wv bovenarm gipsspalk Procedures verlopen ongecompliceerd.
5. Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij], ambtsedig opgemaakt, getekend en gesloten op 25 juli 2023 door verbalisant [verbalisant 4], einddossier, blz. 55 e.v., voor zover inhoudende:
Omstreeks 10.21 uur beide mijn moeder genaamd [getuige] mij op mijn mobiele telefoon. Zij vertelde mij dat mijn broer, [verdachte], bij haar thuis kwam en zei dat hij haar en mij zou doodschieten. Op dat moment was ik niet bij mijn moeder te [adres].
Door de woorden en handelingen van mijn broer, voel ik mij ernstig in mijn leven en veiligheid bedreigd. lk ben ervan overtuigd dat hij, als hij daartoe de kans krijgt, zijn woorden in daden zal omzetten.
6. Proces-verbaal van aangifte door [getuige] , ambtsedig opgemaakt, getekend en gesloten op 25 juli 2023 door verbalisant [verbalisant 1], einddossier, blz. 58 e.v., voor zover inhoudende :
Even later ging ik naar huis en liep naar de achterkant van het erf. Op dat moment zag ik dat [verdachte] daar was. Hij stond op het erf ter hoogte van de poort. Volgens mij zag hij mij niet. Ik hoorde hoe [verdachte] de volgende woorden uitte: “Mi ta bai kwe koi tira pa tira mama ku [benadeelde partij] mata, pasombra ta nan sa kiko nan a hasi ku [betrokkene 3] pa [betrokkene 3] muri”. (Vrije vertaling: ik ga mijn vuurwapen halen om mijn moeder en [benadeelde partij] dood te schieten, want zij weten wat zij met [betrokkene 3] hebben gedaan zodat hij doodging) Op dat moment stond hij met mijn broers [betrokkene 4] en [betrokkene 1] te praten. Hierna nam hij de benen en reed weg. Met [benadeelde partij] wordt bedoeld de zoon van mij [benadeelde partij] en met [betrokkene 3] wordt bedoeld [betrokkene 3]. Door de woorden van [verdachte] voel ik mij in mijn leven bedreigd. Ik weet zeker dat als hij een kans krijgt, hij zijn woorden in daden zal omzetten en dat hij mij zeker zal vermoorden. In het verleden had hij al iemand op Curacao vermoord. Hij is niet goed bij zijn hoofd. Door toedoen van [verdachte] moest ik ergens gaan schuilen en vrees ik heel erg voor mijn leven.
7. Proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 1], ambtsedig opgemaakt, getekend en gesloten op 25 juli 2023 door verbalisant [verbalisant 5], einddossier blz. 61 e.v., voor zover inhoudende:
Hierna stond [verdachte] op en zei luidkeels "Ik weet wat ze met jou hebben gedaan, ik zal even weg gaan en terugkeren. lk zal beide voor jou doodschieten”. [verdachte] bleef herhalen dat hij beide zal vermoorden. Hierna is [verdachte] boos vandaar weg gegaan. Hierna heb ik met mijn zus gepraat. [getuige] gaf mij aan dat zij ook had gehoord wat [verdachte] had geroepen. We besloten om naar het huis van [benadeelde partij] te gaan om hem van het gebeurde in kennis te stellen. Want [verdachte] had in het verleden zijn woorden al in daden omgezet
8. Proces-verbaal van bevindingen mbt overtreding van de Vuurwapenverordening, ambtsedig opgemaakt, getekend en gesloten op 14 februari 2024 door verbalisant [verbalisant 6] , einddossier blz. 20 e.v., voor zover inhoudende:
Op 13 februari 2024, omstreeks 15:30 uur, werd de verdachte [verdachte], ter zake Overtreding der Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd, artikel 2:273 lid 1 en poging tot artikel 2:259 van het Wetboek van Strafrecht Curacao, door de politie aangehouden. Bij zijn aanhouding had de verdachte voornoemd in zijn bezit een zwart pistool van het merk [vuurwapenmerk/model] , serie nummer [serienummer] , een patroonhouder met erin 12 scherpe patronen en een scherpe patroon in de kamer. Deze werd door de politie, in belang van het verder onderzoek, in beslag genomen.
Op 13 februari 2024, werd de boven vermeld in beslag genomen pistool, patroonhouder en 13 scherpe patronen, door mij, verbalisant, aan de technische rechercheur van Team Forensisch Onderzoek, de hoofdagent van politie [verbalisant 7], voor deugdelijkheid en verder onderzoek, afgegeven.
9. Proces-verbaal van inbeslaggenomen pistool en patronen, ambtsedig opgemaakt en getekend en gesloten op 8 maart 2024 door verbalisant [verbalisant 8] , einddossier blz. 23 e.v., voor zover inhoudende: