Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-10-14
ECLI:NL:OGEAC:2024:237
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,669 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202301684
Vonnis van 14 oktober 2024
in de zaak van
[Eiser],
wonende in [woonplaats], oorspronkelijk eiser, gedaagde in het verzet, gemachtigde: mr. E. Frins.
tegen
de stichting particulier fonds STICHTING PARTICULIER FONDS MIGI,
gevestigd in Curaçao, oorspronkelijk gedaagde, eiseres in het verzet, gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.
Partijen worden hierna de SPF en [eiser] genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het oorspronkelijke verzoekschrift van 30 maart 2023,
het verstekvonnis van 15 mei 2023,
het verzoekschrift in verzet van 30 mei 2023,
de conclusie van antwoord in verzet,
de conclusie van repliek in verzet,
de akte uitlating producties van [eiser].
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
De SPF is op 9 februari 2011 opgericht en heeft samengevat tot doel het doen van uitkeringen en het verschaffen van financiële bijstand.
2.2.
Aan de SPF is op 23 maart 2012 door [ex echtgenote van eiser] - ex echtgenote van [eiser] - (hierna: [ex echtgenote van eiser]) een perceel met het daarop gebouwde gelegen te [adres] te Bonaire (kadastraal bekend als [afdelingsnummer], [sectienummer], [nummer a], hierna: het onroerend goed) geleverd.
2.3.
In verband met een aan de SPF verstrekte geldlening van USD 194.500 is aan Banco di Caribe op 23 maart 2012 een recht van hypotheek en pand verleend op het registergoed.
2.4. [
Eiser] heeft zich op 5 januari 2012 persoonlijk garant gesteld voor de terugbetaling van deze hypothecaire lening aan Banco di Caribe tot een bedrag van USD 194.500.
2.5.
In de periode december 2013 tot en met november 2020 zijn door [eiser] alsmede een aan hem gelieerde vennootschap aan de SPF betalingen gedaan tot een bedrag van NAf 446.144,85. Van deze gelden zijn vervolgens door de SPF aflossingen gedaan aan Banco di Caribe.
2.6.
De SPF heeft niet geheel aan haar betalingsverplichtingen jegens Banco di Caribe voldaan als gevolg waarvan laatstgenoemde haar hypotheekrecht heeft uitgewonnen en het onroerend goed op 24 augustus 2022 ter openbare veiling heeft verkocht voor USD 125.000. Na aflossing aan Banco di Caribe van de restschuld is door de notaris aan de SPF een bedrag uitgekeerd van USD 68.429,74.
2.7. [
Eiser] heeft na daartoe op 27 februari 2023 verkregen verlof conservatoir (derden)beslag gelegd onder Banco di Caribe op gelden van de SPF.
3De vordering en de standpunten van partijen
3.1. [
Eiser] vordert in het oorspronkelijk verzoekschrift - samengevat - dat het gerecht de SPF veroordeelt tot betaling van NAf 446.144,85, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van de SPF in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten en nakosten. Zijn vorderingen zijn in het verstekvonnis integraal toegewezen, met uitzondering van de ingangsdatum van de wettelijke rente.
3.2. [
Eiser] legt aan de vordering ten grondslag hij de SPF gelden heeft geleend om te voldoen aan haar aflossingsverplichtingen jegens Banco di Caribe. Dit betrof een geldlening voor onbepaalde tijd om de SPF die, anders dan gepland en voorzien geen inkomsten genereerde met het onroerend goed, uit de brand te helpen bij haar aflossingsverplichtingen jegens Banco di Caribe.
3.3.
De SPF heeft in het verzet tot verweer gevoerd dat de - als niet betwist vast komen te staan - ontvangen gelden van [eiser] geen lening betrof aan de SPF, maar juist een aflossing aan haar, omdat [eiser] de volledige hypothecaire geldlening van Banco di Caribe persoonlijk heeft opgesoupeerd. Voor het onroerend goed is door de SPF nooit betaald aan [ex echtgenote van eiser]. De lening is geheel ten goede gekomen van [eiser], die het financiële reilen en zeilen regelde van de SPF. Dat hij dus met betalingen aan de SPF zorgde voor het aflossen van de lening (door de SPF), was logisch en terecht zo begrijpt het gerecht het verweer. Er bestaat dus geen terugbetalingsverplichting aan de zijde van de SPF. Zo dat al zo zou zijn, dan is een eventuele schuld van de SPF aan [eiser] verrekend met hetgeen de SPF nog te vorderen heeft van [eiser], namelijk de hypothecaire restschuld aan Banco di Caribe en het verschil tussen de veilingopbrengst en de getaxeerde waarde van het onroerend goed. Ook doet de SPF een beroep op verjaring. Tenslotte verzet de redelijkheid en billijkheid zich tegen het toewijzen van de vordering van [eiser], aldus de SPF, omdat [eiser] de SPF al veel schade heeft toegebracht door een hypotheek af te sluiten en deze vervolgens niet af te lossen met de openbare verkoop van het onroerend goed tot gevolg.
Beoordeling
4.1.
Het gerecht gaat ervan uit dat tijdig verzet is ingesteld, omdat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel moeten leiden.
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering draagt [eiser] de stelplicht en - bij betwisting - de bewijslast van zijn stelling dat een bedrag van 446.144,85 is geleend aan de SPF.
4.3. [
Eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat gedurende de periode december 2013 tot en met november 2020 gelden zijn geleend aan de SPF een overzicht in het geding gebracht (producties 9 verzoekschrift en 16 conclusie van antwoord) waarop de door hem verrichte betalingen zijn te zien. [Eiser] verwijst naar de op dit overzicht bij bijna alle betalingen genoemde term ‘LOAN SPF’. Tegen deze term is door de SPF nooit bezwaar gemaakt stelt [eiser], terwijl die term vermeld was bij elke storting aan de SPF en tevens stelt hij dat dit overzicht afkomstig is van de bank.
4.4.
De SPF heeft betwist dat sprake was van een geldlening. De hypothecaire lening van de bank is in (privé) handen gekomen van [eiser] en daarom loste hij deze lening ook persoonlijk, via betalingen aan de SPF (die op haar beurt afloste aan de bank), af. De SPF heeft verder naar voren gebracht dat het overzicht door [eiser] zelf is opgesteld.
4.5.
Het gerecht heeft geen reden om eraan te twijfelen dat het overzicht van betalingen afkomstig is van de bank. Bij vrijwel elke betaling is de term ‘LOAN SPF’ vermeld. Loan betekent ‘(uit)lening. Indien zeven jaar lang gelden worden gestort onder die noemer en daar geen bezwaar tegen wordt gemaakt door de SPF kan op basis hiervan worden aangenomen dat sprake is van betalingen uit hoofde van een geld(uit)lening. Deze term past niet bij een aflossing van een geldlening. Daarbij komt dat voor de andersluidende versie van de SPF over de achtergrond van deze betalingen geen aanknopingspunten te vinden zijn in het dossier. De stelling dat de gehele hypothecaire lening in handen is gekomen van [eiser] en door de SPF niet(s) voor het onroerend goed is betaald aan [ex echtgenote van eiser] is door [eiser] gemotiveerd betwist en de SPF heeft haar stellingen op dat punt niet nader onderbouwd.
4.6.
Het voorgaande betekent dat de vordering tot terugbetaling moet worden toegewezen tenzij het beroep van de SPF op verrekening of verjaring slaagt of toewijzing van de vordering in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid, zoals bepleit door de SPF. Deze verweren slagen echter allen niet. Ter toelichting geldt het volgende.
4.7.
Het beroep op verrekening slaagt niet, nu het gerecht reeds heeft vastgesteld dat er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling dat de SPF gelden heeft uitgeleend aan [eiser] en dat uit dien hoofde sprake zou zijn van een (tegen)vordering van de SPF op [eiser].
4.8.
Voor wat betreft het beroep op verjaring geldt dat niet is gesteld of gebleken dat de bedragen door [eiser] aan de SPF zijn uitgeleend onder bepaling van een terugbetalingstermijn. Dit betekent dat sprake is van een geldlening voor onbepaalde tijd, die dus terstond opeisbaar is. De verjaring van een dergelijke lening vangt ingevolge artikel 3:307 lid 2 BW pas aan op de dag volgende op die waarop de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. In dit geval is dat de dag waarop het beslagrekest is ingediend, 27 februari 2023. De verjaringstermijn bedraagt twintig jaren. Dit betekent dat de vordering niet is verjaard.
4.9.
Het laatste verweer slaagt evenmin. Hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd – [Eiser] heeft de SPF schade toegebracht door een hypotheek af te sluiten en deze niet af te lossen – is niet vast komen te staan, nog daargelaten of dat tot de conclusie zou leiden dat toewijzing van de vordering strijd met de redelijkheid en billijkheid zou opleveren.
4.10.
Gelet op het voorgaande wordt het verstekvonnis in stand gelaten.
4.11.
Omdat de SPF in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij tot betaling van de proceskosten van de verzetprocedure veroordeeld. De kosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 4.500 aan gemachtigdensalaris (1,5 punt x tarief 8).
4.12.
De gevorderde nakosten en wettelijke rente worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
verklaart het verzet ongegrond;
5.2.
veroordeelt de SPF in de proceskosten van [eiser] van NAf 4.500, te vermeerderen met NAf 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met NAf 150 in geval van betekening;
5.3.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.B. Hubben, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.