Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-10-11
ECLI:NL:OGEAC:2024:223
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,471 tokens
Inleiding
Parketnummer: 500.00101/24
Uitspraak: 11 oktober 2024 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats],
wonende [adres 1] , [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzittingen van het Gerecht van 19 april 2024 en 20 september 2024, alsmede tijdens de gerechtelijke schouw gehouden op 18 september 2024 ter hoogte van het perceel [adres 2]. De verdachte is steeds verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.G. da Costa Gomez, advocaat in Curaçao.
De officieren van justitie, mr. W.J. de Graaf en F.E. van der Zee, hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een werkstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis bij niet voldoening. Daarnaast wordt gevorderd dat het Gerecht aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen van drie maanden. Tot slot vorderen zij ontzetting uit het ambt van politieambtenaar, voor de duur van vijf jaar.
De raadsvrouw heeft bepleit dat diverse verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, waaronder de verklaringen van de verdachte, waarna het dossier onvoldoende bewijs bevat om het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Bovendien is een meldingsformulier niet bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Zij concludeert dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, dan wel dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd:
FEIT 1: VALSHEID IN GESCHRIFTE IN VERENIGING
dat hij op of omstreeks 04 oktober 2021, althans in de periode september 2021 t/m oktober 2021 te Curacao, tezamen en in vereniging met een andere, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meerdere geschriften dat/ die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en zijn mededader(s) in strijd met de waarheid navolgende geschrift(en) onder a en/of b en/of c opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst:
a. Een geschrift " meldingsformulier geweldaanwending [medeverdachte 1]" opgesteld op 4 oktober 2021, inhoudende dat verdachte, als ondergetekende, in strijd met de waarheid een situatie heeft opgetekend die zou wijzen op een noodweersituatie dan wel een situatie die het schieten door verdachte en/of medeverdachten zou kunnen rechtvaardigen te weten:
- "(...) Tijdens het benaderen van voornoemde voertuig zag [medeverdachte 1] dat de verdachte die links achter in de auto zat een vuist vuurwapen tevoorschijn haalde en deze in zijn richting richtte en de verdachte auto begon tegelijkertijd te rijden.
- [ medeverdachte 1] schreeuwde hard op pas op " vuurwapen" direct hierna vuurde [medeverdachte 1] enkele schoten (...)",
b. Een geschrift “meldingsformulier geweldaanwending [medeverdachte 2]" opgesteld op 4 oktober 2021, inhoudende dat verdachte, als ondergetekende, in strijd met de waarheid een situatie heeft opgetekend die zou wijzen op een noodweersituatie dan wel een situatie die het schieten door verdachte en/of medeverdachten zou kunnen rechtvaardigen te weten:
- "(..) [ medeverdachte 2] had [medeverdachte 1] in zicht en hoorde [medeverdachte 1] hard op schreeuwen "pas op vuurwapen" (..)",
c. Een geschrift " meldingsformulier geweldaanwending [medeverdachte 3]" opgesteld op 5 oktober 2021, inhoudende dat verdachte, als ondergetekende, in strijd met de waarheid een situatie heeft opgetekend die zou wijzen op een noodweersituatie dan wel een situatie die het schieten door verdachte en/of medeverdachten zou kunnen rechtvaardigen te weten:
- "(..) [ medeverdachte 3] had [medeverdachte 1] in zicht en hoorde [medeverdachte 1] hard op schreeuwen "pas op vuurwapen"(..)",
zulks met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
terwijl hij handelde in zijn hoedanigheid van ambtenaar en gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel die hem door zijn ambt zijn geschonken;
(artikel 2:184 lid 1 junto 1:116 Wetboek van Strafrecht)
FEIT 2: VALSHEID IN GESCHRIFTE (GEBRUIK MAKEN)
dat hij op of omstreeks 04 oktober 2021, althans in de periode september 2021 t/m oktober 2021 te Curacao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een of meer valse of vervalste geschriften, te weten,
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 1], d.d. 4 oktober 2021, en/of
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 2], d.d. 4 oktober 2021 en/of
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 3], d.d. 5 oktober 2021,
(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst en/of opzettelijk zodanig(e) geschrift(en) heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededaders,
- die verklaring heeft/hebben gebruikt om aan zijn/hen leidinggevende(n) en/of Bureau Interne Zaken en/of de Landsrecherche Curacao en/of derden te verstrekken en/of aan te geven dat voornoemde agenten/opsporingsambtenaren op basis van een noodweersituatie hadden gehandeld,
en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in voornoemde documenten onder a t/m c valselijk en/of in strijd met de waarheid gegevens zijn vermeld, namelijk:
a.
- "(...) Tijdens het benaderen van voornoemde voertuig zag [medeverdachte 1] dat de verdachte die links achter in de auto zat een vuist vuurwapen tevoorschijn haalde en deze in zijn richting richtte en de verdachte auto begon tegelijkertijd te rijden, schreeuwde hard op “pas op vuurwapen (..)",
b.
- " (..) [ medeverdachte 2] had [medeverdachte 1] in zicht en hoorde [medeverdachte 1] hard op schreeuwen "pas op vuurwapen" (..).
c.
- " (..) [ medeverdachte 3] had [medeverdachte 1] in zicht en hoorde [medeverdachte 1] hard op schreeuwen "pas op vuurwapen" (..)",
terwijl hij handelde in zijn hoedanigheid van ambtenaar en gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel die hem door zijn ambt zijn geschonken;
(artikel 2:184 lid 2 juncto 1:116 Wetboek van Strafrecht)
FEIT 3: MISBRUIK VAN FUNCTIE
dat hij op of omstreeks 04 oktober 2021, althans in de periode september 2021 t/m oktober 2021 te Curacao, als ambtenaar, te weten teamleider Unit Speciale Taken, althans een opsporingsambtenaar werkzaam bij de Korps Politie Curacao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie als teamleider Unit Speciale Taken en/of als opsporingsambtenaar iets heeft gedaan of nagelaten iets te doen
immers heeft verdachte en/of zijn mededaders opzettelijk, in strijd met de waarheid navolgende documenten onder a en/of b en/of c opgesteld;
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 1], d.d. 4 oktober 2021, en/of
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 2], d.d. 4 oktober 2021 en/of
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 3], d.d.
Overwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken komt het Gerecht tot de volgende vaststellingen.
Op 27 september 2021 hebben (onder meer) de agenten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] schoten gelost op de auto van drie voortvluchtige mannen na een gewapende overval. De verdachte erkent dat hij, in zijn functie als teamleider bij het KPC, ten aanzien van dit incident de vereiste “meldingsformulieren geweldaanwending” heeft opgemaakt. Op deze meldingsformulieren heeft de verdachte vermeld dat [medeverdachte 1] een vuurwapen zou hebben gezien en dat voorafgaand aan het schieten “arma, arma” is geroepen. Uit nader onderzoek is gebleken dat deze beschrijving van het incident onjuist is.
Op 21 juni 2024 heeft de verdachte bij de Landsrecherche verklaard bewust een onjuiste versie van de gebeurtenissen te hebben opgeschreven, om de indruk te wekken dat de agenten handelden uit zelfverdediging. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat deze bekennende verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat deze onjuist zou zijn en door de verdachte onder druk zou zijn afgelegd.
Het Gerecht volgt deze redenering niet. Nog los van het feit dat de verdachte een (zeer) ervaren teamleider van politie is, van wie verwacht mag worden dat hij weet hoe een verhoor in zijn werk gaat en die tegen enige druk bestand zou moeten zijn, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte op enig moment tijdens zijn verhoren door de Landsrecherche onder onaanvaardbare druk stond. De verdachte heeft uit eigen beweging besloten op een gegeven moment “de waarheid te gaan verklaren”, hetgeen inhield dat hij de formulieren vals had opgemaakt. Hij heeft deze bekennende verklaring op verschillende momenten herhaald en één en ander zelfs van nadere details voorzien. De processen-verbaal ter zake zijn op ambtseed opgemaakt en door de verdachte ondertekend.
De bekennende verklaring van de verdachte staat bovendien niet op zichzelf. Deze wordt ondersteund door de verklaringen van de drie betrokken agenten, die alle drie meermalen hebben verklaard dat de verdachte de meldingsformulieren niet naar waarheid heeft ingevuld. Het Gerecht ziet geen enkele reden om aan hun verklaringen te twijfelen, al was het maar omdat zij aangeven een hoge dunk van de verdachte te hebben en zij ook zichzelf belasten. Het Gerecht vindt zowel de bekennende verklaringen van de verdachte als de verklaringen van de drie betrokken agenten betrouwbaar en geschikt om als bewijsmiddel te gebruiken.
Op grond van de bewijsmiddelen komt het Gerecht tot het oordeel dat de verdachte, in de uitoefening van zijn functie als teamleider bij het KPC, de meldingsformulieren van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] opzettelijk valselijk heeft opgemaakt met de bedoeling deze voor echt en onvervalst te doen doorgaan. De meldingsformulieren waren bedoeld om tot enig bewijs te dienen, te weten ten behoeve van de beoordeling of het gebruikte geweld rechtmatig of onrechtmatig was.
De meldingsformulieren zijn door de verdachte vervolgens, in de uitoefening van zijn functie als teamleider bij het KPC, ter beschikking gesteld aan het Bureau Interne Zaken (via de heer [verbalisant 7]) en de Landsrecherche Curacao. Aldus heeft de verdachte de eerder genoemde vervalste geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, ook daadwerkelijk gebruikt als waren zij echt en onvervalst.
Tot slot oordeelt het Hof dat de verdachte als ambtenaar misbruik heeft gemaakt van zijn functie. Uit hoofde van zijn functie als teamleider KPC kon en moest hij de betreffende formulieren opmaken en werd daaraan waarde gehecht. Het overwicht dat hij uit de aard van zijn functie had, heeft de betrokken agenten er - middellijk of onmiddellijk - mede toe gebracht de onjuiste meldingsformulieren te accepteren en conform de daarin gedane onjuiste weergave van de feiten te verklaren. Hij heeft dit gedaan om voor de betrokken agenten voordeel te verkrijgen, te weten straffeloosheid.
Het Gerecht vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:184 juncto artikel 1:116 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
1.
Valsheid in geschrift, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken.
2
Als ambtenaar opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 2:184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken.
Het onder 3, bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:353 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
3. Als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen teneinde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft, als teamleider bij het KPC, belangrijke meldingsformulieren bewust in strijd met de waarheid opgemaakt. Hij heeft deze vals opgemaakte formulieren ondertekend en diende de formulieren in bij de bevoegde instanties.
Het is van cruciaal belang dat de samenleving kan vertrouwen op de integriteit van politieambtenaren en de juistheid van hun verslaglegging. Dit geldt te meer bij de beoordeling van mogelijk onjuist politieoptreden. Ook als het niet om het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal gaat, maar om een meldingsformulier geweld. In plaats daarvan heeft de verdachte de waarheid verdraaid op een punt waarvan hij wist dat dit doorslaggevend zou zijn voor de beoordeling van het gedrag van de agenten.
Hiermee heeft hij het imago van het KPC en de rechtsstaat beschadigd. Daarnaast heeft de verdachte de familie van het slachtoffer de kans ontnomen (althans willen ontnemen) om de waarheid rondom de dood van het slachtoffer te achterhalen. Het Gerecht rekent dit de verdachte zwaar aan.
Het feit dat de verdachte geen persoonlijk voordeel had bij zijn handelen, maar dit deed in de (onterechte) veronderstelling dat hij zijn teamleden hiermee zou helpen, doet hier niet aan af. Integendeel: het baart het Gerecht enigszins zorgen dat de verdachte ter zitting geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn handelen. Gezien zijn jarenlange ervaring als politieagent mag van hem verwacht worden dat hij doordrongen is van de strenge integriteitseisen die aan hem en zijn collega’s worden gesteld.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Gerecht verder het volgende overwogen.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 3 (drie) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
legt aan de verdachte op de ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden bij het KPC dan wel in enige andere functie als opsporingsambtenaar, voor de duur van 3 (drie) jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.C. Groenendaal, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer (zittingsgriffier), en op 11 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
uitspraakgriffier:
Inleiding
5 oktober 2021,
en/of
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 1] – al dan niet middellijk – bewogen om te verklaren conform de (valselijk) opgetelde meldingsformulieren en/of te verklaren dat een vuurwapen gezien was en/of “pas op vuurwapen” en/of “arma, arma” was geroepen,
teneinde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, (artikel 2:353 jo 1:123 Wetboek van Strafrecht)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht vindt - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:
FEIT 1:
dat hij op of omstreeks 04 oktober 2021, althans in de periode september 2021 t/m oktober 2021 te Curacao, tezamen en in vereniging met een andere, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meerdere geschriften dat/ die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en zijn mededader(s) in strijd met de waarheid navolgende geschrift(en) onder a en/of b en/of c opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst:
a. Een geschrift " meldingsformulier geweldaanwending [medeverdachte 1] " opgesteld op 4 oktober 2021, inhoudende dat verdachte, als ondergetekende, in strijd met de waarheid een situatie heeft opgetekend die zou wijzen op een noodweersituatie dan wel een situatie die het schieten door [medeverdachte 1] zou kunnen rechtvaardigen te weten:
- "(...) Tijdens het benaderen van voornoemde voertuig zag [medeverdachte 1] dat de verdachte die links achter in de auto zat een vuist vuurwapen tevoorschijn haalde en deze in zijn richting richtte en de verdachte auto begon tegelijkertijd te rijden.
- [ medeverdachte 1] schreeuwde hard op pas op " vuurwapen" direct hierna vuurde [medeverdachte 1] enkele schoten (...)",
b. Een geschrift “meldingsformulier geweldaanwending [medeverdachte 2]" opgesteld op 4 oktober 2021, inhoudende dat verdachte, als ondergetekende, in strijd met de waarheid een situatie heeft opgetekend die zou wijzen op een noodweersituatie dan wel een situatie die het schieten door [medeverdachte 2] zou kunnen rechtvaardigen te weten:
- "(..) [ medeverdachte 2] had [medeverdachte 1] in zicht en hoorde [medeverdachte 1] hard op schreeuwen "pas op vuurwapen" (..)",
c. Een geschrift " meldingsformulier geweldaanwending [medeverdachte 3] " opgesteld op 5 oktober 2021, inhoudende dat verdachte, als ondergetekende, in strijd met de waarheid een situatie heeft opgetekend die zou wijzen op een noodweersituatie dan wel een situatie die het schieten door [medeverdachte 3] zou kunnen rechtvaardigen te weten:
- "(..) [ medeverdachte 3] had [medeverdachte 1] in zicht en hoorde [medeverdachte 1] hard op schreeuwen "pas op vuurwapen"(..)",
zulks met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
terwijl hij handelde in zijn hoedanigheid van ambtenaar en gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel die hem door zijn ambt zijn geschonken;
FEIT 2:
dat hij op of omstreeks 04 oktober 2021, althans in de periode september 2021 t/m oktober 2021 te Curacao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een of meer valse of vervalste geschriften, te weten,
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 1], d.d. 4 oktober 2021, en/of
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 2], d.d. 5 oktober 2021 en/of
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 3], d.d. 5 oktober 2021,
(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst en/of opzettelijk zodanig(e) geschrift(en) heeft/hebben afgeleverd, terwijl hij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededaders,
- die verklaring heeft/hebben gebruikt om aan zijn/hen leidinggevende(n) en/of Bureau Interne Zaken en/of de Landsrecherche Curacao en/of derden te verstrekken en/of aan te geven dat voornoemde agenten/opsporingsambtenaren op basis van een noodweersituatie hadden gehandeld,
en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in voornoemde documenten onder a t/m c valselijk en/of in strijd met de waarheid gegevens zijn vermeld, namelijk:
a.
- "(...) Tijdens het benaderen van voornoemde voertuig zag [medeverdachte 1] dat de verdachte die links achter in de auto zat een vuist vuurwapen tevoorschijn haalde en deze in zijn richting richtte en de verdachte auto begon tegelijkertijd te rijden, schreeuwde hard op “pas op
vuurwapen (..)",
b.
- " (..) [ medeverdachte 2] had [medeverdachte 1] in zicht en hoorde [medeverdachte 1] hard op schreeuwen "pas op vuurwapen" (..).
c.
- " (..) [ medeverdachte 3] had [medeverdachte 1] in zicht en hoorde [medeverdachte 1] hard op schreeuwen "pas op vuurwapen" (..)",
terwijl hij handelde in zijn hoedanigheid van ambtenaar en gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel die hem door zijn ambt zijn geschonken;
FEIT 3: MISBRUIK VAN FUNCTIE
dat hij op of omstreeks 04 oktober 2021, althans in de periode september 2021 t/m oktober 2021 te Curacao, als ambtenaar, te weten teamleider Unit Speciale Taken, althans een opsporingsambtenaar werkzaam bij het de Korps Politie Curacao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie als teamleider Unit Speciale Taken en/of als opsporingsambtenaar iets heeft gedaan of nagelaten iets te doen
immers heeft verdachte en/of zijn mededaders opzettelijk, in strijd met de waarheid navolgende documenten onder a en/of b en/of c opgesteld;
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 1], d.d. 4 oktober 2021, en/of
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 2], d.d. 4 oktober 2021 en/of
een meldingsformulier geweldaanwending op naam van [medeverdachte 3], d.d. 5 oktober 2021,
en/of
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 1] – al dan niet middellijk – bewogen om te verklaren conform de (valselijk) opgetelde meldingsformulieren en/of te verklaren dat een vuurwapen gezien was en/of “pas op vuurwapen” en/of “arma, arma” was geroepen,
teneinde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Voor zover paginanummers vermeld worden, hebben deze betrekking op het einddossier in het onderzoek “Hanenberg”. Plaatsaanduidingen die niet anders zijn gespecificeerd, hebben betrekking op het land Curaçao.
Inleiding
Met het oog op de leesbaarheid worden de politieagenten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] alsmede de VKC medewerker [medeverdachte 3] gezamenlijk aangeduid als “de agenten” en het Korps Politie Curaçao als “KPC”.
1. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 21 mei 2022, #2012-20220521-1010-GTG, pg. 704 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 21 mei 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van de verdachte zakelijk is weergegeven:
A: Ik ben sinds 1996 in dienst bij Korps Politie Curaçao. Ik ben teamleider bij de Unit Speciale Taken. Gezien het incident dat onder mijn dienst heeft plaatsgevonden wordt van mij verwacht dat ik de meldingsformulieren maak.
V: Vanuit welke hoedanigheid heeft u deze meldingsformulieren geweldsaanwending opgemaakt?
A: Gezien dat ik leidinggevende was dat op die dag avonddienst had en de personeel die betrokken waren bij het schietincident onder mij ressorteerden.
2. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 21 juni 2022, #2022-20220621-0900-VER, pg. 288 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 21 juni 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van de verdachte zakelijk is weergegeven:
A: Vanaf dit moment zal ik de waarheid vertellen. [Betrokkene 2] zei tegen mij dat hij mij iets wilde laten zien. [Betrokkene 2] zei mij dat het een video/film was van het schietincident. Hij liet mij de opname op zijn telefoon zien.
A: Op de video zag ik dat de politieauto schuin voor de vluchtauto stopte. lk zag dat de politieagenten allemaal waren uitgestapt. lk hoorde dat er geroepen werd "papa para" nadat de auto begon te rijden. Vervolgens heb ik heel veel schoten gehoord.
Ik wist dus wat er ter plaatse was gebeurd en hoe het was verlopen. Bij het opmaken van het meldingsformulier heb ik later met [medeverdachte 1] afgesproken, dat hij “arma” zou hebben gezegd. Wat ik later op papier heb gezet was oke voor iedereen. [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], en [medeverdachte 3] zijn akkoord gegaan met wat ik op papier had gezet. lk heb alle agenten persoonlijk gesproken. Alleen [medeverdachte 3] heb ik niet gesproken. [medeverdachte 3] was in ieder geval op de hoogte van de inhoud van het meldingsformulier geweldaanwending.
Voor de rest hebben alle agenten die geschoten hebben eerst eerlijk tegen mij gezegd hoe het ter plaatse is gegaan. lk heb toen de zaak op papier gezet op een wijze dat het een noodweersituatie zou lijken. lk heb in de formulieren gezet dat er 'arma' geroepen zou zijn.
Ik heb met [medeverdachte 1] gezeten en ik ben met het plan gekomen dat hij 'arma' geroepen zou hebben. Ik heb dit bedacht om het te laten lijken op een noodweersituatie. [medeverdachte 1] is hiermee akkoord gegaan.
lk heb het verhaal van alle agenten aangehoord. Zij hebben mij verteld dat zij 'para' hebben gehoord en ik heb daar 'arma' van gemaakt. Dat 'arma' heb ik op papier gezet en daar zijn zij mee akkoord gegaan.
0: De politieambtenaren [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] en getuige [getuige] verklaren dat er geen "arma, arma" geroepen werd.
V: Is dat correct?
A: Ja.
A: Ja ik heb het 'arma arma' bedacht om een noodweersituatie te creëren.
A: Ik deed dit met de intentie om mijn collega's uit de problemen te houden.
3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 24 juni 2022, #2022-20220624-0930-VER, pg. 304 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 24 juni 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van de verdachte zakelijk is weergegeven:
A: Na het zien van het filmpje heb ik de meldingsformulieren geweldsaanwending voor de collega’s opgemaakt…. Ik heb de meldingsformulieren zo opgemaakt, dat het op een noodweersituatie zou lijken. Dat heb ik helemaal alleen bedacht om de jongens uit de problemen te houden.
4. Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 7 juni 2022, # 2206-20220607-1312-VER, pg. 86 e.v. op ambtseed opgemaakt en op 7 juni 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 3] en [verbalisant 1], beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van de verdachte zakelijk is weergegeven:
A: Op het moment, dat we de zaak op papier gingen zetten hebben we samen met de teamleider de zaak op papier gezet en hebben we afgesproken dat ik "arma, arma" geroepen zou hebben. lk heb dit niet geroepen en niemand heeft het geroepen. Er is door iedereen veel geroepen maar geen “arma, arma”. Toen we na het schietincident op het bureau binnen waren hebben we met teamleider [verdachte] de zaak op papier gezet. Ik heb [verdachte] verteld wat er daadwerkelijk was gebeurd…. [verdachte] moest voor iedereen een meldingsformulier opmaken. [verdachte] heeft toen besloten om het voor iedereen goed op papier te zetten.
A: Hij heeft twijfel bij mij gezet, dat ik verkeerd zou hebben gehandeld. Toen zette hij het op papier voor iedereen en toen leek het op een noodweer situatie. lk heb het diezelfde dag gelezen en ging hiermee akkoord. Het initiatief ging uit van [verdachte] om de zaak zo op papier te zetten.
V: Waarom hebt u niet direct de waarheid verteld?
A: [verdachte] heeft ons voorgehouden dat we hadden beloofd dat we ons aan dit verhaal zouden houden en dat het tot daar blijft.. lk heb geen “arma arma” geroepen en de man op de achterbank van de vluchtauto heeft ook geen wapen op mij gericht.
A: Ja. [verdachte] heeft gezegd, dat hij het op papier ging zetten. Hij zei dat het goed zou komen. [verdachte] heeft het meldingsformulier daarna opgemaakt en heeft het aan mij laten zien en ik ben met de inhoud akkoord gegaan. [verdachte] heeft het op deze manier voor iedereen zo gedaan.
5. Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 16 juni 2022, # 2206-20220616-0911-VER, pg. 151 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 16 juni 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 1] en [verbalisant 5], beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van de verdachte zakelijk is weergegeven:
A: Ik heb [verdachte] precies verteld wat er gebeurd was. Later liet [verdachte] mij het meldingsformulier zien. Op dat moment zag ik dat wat op het formulier werd gezet niet klopte met wat ik aan [verdachte] verteld had. Op het formulier staat vermeld dat ik “Pas op, vuurwapen” zou hebben gehoord. Dit klopt niet met de waarheid. Ik heb het niet gehoord en ik heb het ook niet aan [verdachte] verteld.
A: [verdachte] heeft het zo op papier gezet en ik dacht dat het zo goed zou komen, omdat ik vertrouwde op zijn expertise.
6. Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 3] d.d. 7 juni 2022, # 2202-20220523-0913-VER, pg. 193 e.v., op ambtseed opgemaakt en op 7 juni 2022 ondertekend en gesloten door [verbalisant 4] en [verbalisant 6], beiden Landsrechercheur, waarbij onder A: de verklaring van de verdachte zakelijk is weergegeven:
A: de dag voor mijn eerste verhoor hebben mijn collega [betrokkene 1] en ik het meldingsformulier omstreeks 20.00 uur onder ogen gekregen om te lezen. ..Wat daarin stond heb ik nimmer aan [verdachte] gemeld. … Ik weet niet waar [verdachte] deze verklaring vandaan haalt.
Ik kreeg door van [betrokkene 1] dat [verdachte] heeft gezegd dat ik moet verklaren wat er in het meldingsformulier is gezet en dat ik moet verklaren dat [medeverdachte 1] “arma, arma” heeft geroepen.
7. Een proces-verbaal van getuigenverhoor van [verbalisant 7] bij de rechter-commissaris d.d. 26 augustus 2024, op diezelfde datum opgemaakt en ondertekend door de griffier en de rechter-commissaris, inhoudende als verklaring van de getuige:
Ik nam de functie van unithoofd waar, bureauchef. Dat is een hogere functie dan meneer [verdachte].