Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-10-28
ECLI:NL:OGEAC:2024:208
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,174 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202403524
Vonnis in kort geding van 28 oktober 2024
in de zaak van
[Eiser],
wonend in [woonplaats],eiser,gemachtigde: mr. B.L. Lie-Atjam,
tegen
de openbare rechtspersoon
HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,gedaagde,gemachtigde: mr. A. Faria.
Partijen worden hierna [eiser] en het Land genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 10 september 2024, met producties,
de mondelinge behandeling van 14 oktober 2024.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Bij brieven van 25 mei 2022 en 18 augustus 2022 heeft [eiser] de minister van Justitie verzocht om zijn rechtspositie, in lijn met het geldende functieboek, recht te trekken (hierna: het verzoek).
2.2.
Op 1 juni 2023 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek.
2.3. [
Eiser] heeft zich tot het gerecht in ambtenarenzaken gewend, omdat een reactie op het verzoek uitbleef.
2.4.
Bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak van 15 april 2024 (met zaaknummer GAZ CUR202301711, hierna ook: de uitspraak) heeft het gerecht in ambtenarenzaken het bezwaar van [eiser] gegrond verklaard, is de weigering om op het verzoek te beslissen vernietigd en is het Land opgedragen binnen drie maanden op het verzoek te beslissen.
2.5.
Het Land heeft tot op heden geen uitvoering aan de uitspraak gegeven.
3De vordering
3.1. [
Eiser] vordert – samengevat – dat het gerecht het Land beveelt om binnen vier weken na betekening van het vonnis te voldoen aan de uitspraak door inhoudelijk te beslissen op het verzoek, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van het Land in de proceskosten.
Beoordeling
4.1.
Het gerecht stelt vast dat het Land niet aan de uitspraak heeft voldaan, omdat het Land tot op heden niet inhoudelijk op het verzoek van [Eiser] heeft beslist.
4.2.
Het Land heeft ter zitting toegelicht dat er nog niet op het verzoek is beslist, omdat [Eiser] een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan om zijn rechtspositie gelijk te stellen met zijn collega terwijl de minister van Justitie de rechtspositie van die bedoelde collega aan het herzien is. Na die herziening zal de minister van Justitie op het verzoek van [eiser] beslissen, aldus steeds het Land.
4.3.
Naar het oordeel van het gerecht dient het Land altijd uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Van [eiser] kan niet worden verwacht dat hij zich erbij neerlegt dat het Land rechterlijke uitspraken (al dan niet tijdelijk) negeert, wat daarvan de redenen ook zijn. Daarom zal het gerecht de vordering van [eiser] toewijzen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in de beslissing vermeld.
4.4.
Omdat het Land (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, wordt het Land veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 450 aan griffierecht, NAf 332,47 aan oproepingskosten en NAf 1.000 aan gemachtigdensalaris.
4.5.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
beveelt het Land om binnen vier weken na betekening van het vonnis alsnog uitvoering te geven aan de uitspraak van het gerecht in ambtenarenzaken van
15 april 2024 met zaaknummer GAZ CUR202301711;
5.2.
veroordeelt het Land om aan [eiser] een dwangsom te betalen van NAf 500 per dag dat het Land niet aan het in 5.1. bepaalde voldoet, tot een maximum van
NAf 50.000;
5.3.
veroordeelt het Land in de proceskosten van [eiser] van NAf 1.782,47;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. Lasten, rechter, bijgestaan door
mr. H. Akbuz, griffier, en in het openbaar uitgesproken.