Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-07-17
ECLI:NL:OGEAC:2024:161
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,398 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
op grond van artikel 98, derde lid, van de Lar in het geding tussen:
[namen eisers 1 tot en met 32]
allen wonende in Curaçao,
eisers,
en
de minister van Economische Ontwikkeling
hierna: de minister,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud, advocaat.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als eisers en de minister.
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het verzoek van 29 mei 2024 van eisers om te bepalen dat de minister alsnog gevolg geeft aan de tussen partijen gewezen uitspraak van het Gerecht van 24 april 2024, zaaknummer CUR202303262 (de eerdere uitspraak).
1.2
De minister heeft met een verweerschrift op het verzoek gereageerd.
1.3
Eisers hebben op 8 juli 2024 gereageerd op het verweerschrift.
1.4
Zonder dat daarvoor een onderzoek op een zitting nodig is, is het voor het Gerecht duidelijk dat het verzoek moet worden toegewezen. Het Gerecht doet deze uitspraak daarom buiten zitting.
Beoordeling
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
2.1
Stichting Dog Center is gevestigd te Rio Magdalena 79 in Banda Abou. Op deze locatie vangt de stichting honden op. Eisers wonen allemaal in de directe omgeving van de stichting en ervaren geluidsoverlast vanwege blaffende honden.
2.2
Eisers hebben op 12 januari 2023 een verzoek ingediend op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur om te weten te komen of er aan de stichting een vestigingsvergunning is verleend. Per brief van 1 maart 2023 zijn eisers geïnformeerd dat zo’n vergunning niet aan de stichting is verleend.
2.3
Eisers hebben vervolgens op 11 april 2023 een brief gestuurd aan de minister met het verzoek om handhavend op te treden, omdat de stichting niet over een vestigingsvergunning beschikt. Omdat eisers op deze brief geen reactie hebben ontvangen, hebben zij op 13 september 2023 beroep ingesteld bij het Gerecht.
2.4
In de eerdere uitspraak van 24 april 2024 heeft het Gerecht de weigering van de minister om te beschikken op het handhavingsverzoek van eisers vernietigd en bepaald dat de minister binnen één maand alsnog op het handhavingsverzoek moet beschikken.
Welke wettelijke bepalingen zijn van toepassing in deze zaak?
3.1
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
3.2
Op grond van artikel 98, eerste lid, van de Lar kunnen de andere partijen zich tot het Gerecht wenden met het verzoek om te bepalen dat het bestuursorgaan alsnog aan de uitspraak van het Gerecht gevolg geeft, indien een bestuursorgaan aan een onherroepelijke uitspraak van het Gerecht geen gevolg geeft.
3.3
Op grond van het derde lid van deze bepaling kan het Gerecht, als de grief dat niet of niet volledig aan de uitspraak van het Gerecht gevolg is gegeven gegrond wordt bevonden, uitspreken dat het bestuursorgaan alsnog binnen een door het Gerecht te stellen termijn aan de uitspraak van het Gerecht gevolg dient te geven. In dit geval bepaalt het Gerecht tevens dat indien en zolang of zo dikwijls het bestuursorgaan aan de uitspraak geen of geen volledig gevolg geeft, het door hem aan te wijzen overheidslichaam aan de partijen bedoeld in het eerste lid, een door het Gerecht vast te stellen dwangsom verbeurt.
3.4
Toegepast op deze zaak, komt het Gerecht tot de volgende beoordeling.
Moet de minister alsnog op het handhavingsverzoek van eisers beschikken?
4.1
Het Gerecht stelt vast dat de minister bij zijn verweerschrift een beslissing van 19 december 2023 op het handhavingsverzoek van eisers heeft overgelegd. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat deze beschikking van 19 december 2023 per abuis niet aan het Gerecht is overgelegd. De beschikking is wel aan eisers toegestuurd, per mail en per post.
4.2
Nu de minister met de beschikking van 19 december 2023 heeft beslist op het handhavingsverzoek van eisers, is er voor het Gerecht geen reden meer om te bepalen dat de minister alsnog gevolg moet geven aan de eerdere uitspraak. Het verzoek van eisers wordt daarom afgewezen.
4.3
Ter voorlichting aan eisers merkt het Gerecht nog het volgende op. Het Gerecht kan de inhoudelijke argumenten die eisers in hun brief van 6 juli 2024 tegen de beslissing van 19 december 2023 hebben aangevoerd niet beoordelen in deze procedure. In deze procedure gaat het immers enkel op de vraag of de minister de eerdere uitspraak van het Gerecht moet nakomen. Het Gerecht zal bij eisers navragen of zij met hun brief van 6 juli 2024 beroep hebben willen instellen tegen de beschikking van de minister van 19 december 2023. De minister zal in die correspondentie worden betrokken.
Dictum
Het Gerecht:
- wijst het verzoek op grond van artikel 98 van de Lar af.
Aldus gegeven door mr. drs. S. Lanshage, rechter in het Gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024 te Curaçao, in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.