Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-06-27
ECLI:NL:OGEAC:2024:117
Civiel recht
Kort geding
1,509 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202402151
Vonnis in kort geding van 27 juni 2024
in de zaak van
VR SHIPPING N.V.,
te Curaçao, eiseres, gemachtigden: mr. A.C. van Hoof en mr. E. van der Plank,
tegen de besloten vennootschap DABBOUSSI MOTORS B.V.,
te Bonaire, gedaagde, gemachtigde: mr. A. Schennink.
Procesverloop
1.1.
Eiseres heeft op 13 juni 2024 een verzoekschrift ingediend. Het kort geding is, met een videoverbinding met Bonaire, in Curaçao behandeld op 21 juni 2024. De advocaten hebben gepleit en pleitnotities overgelegd, waarbij zij hebben verwezen naar op voorhand overgelegde stukken.
1.2.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
Feiten
a. a) Eiseres is scheepsagent te Curaçao. Gedaagde handelt in Curaçao en op Bonaire in auto’s van het Chinese merk Changan.
b) Op 2 september 2023 heeft gedaagde een aantal scheepsagenten, waaronder eiseres, gevraagd om een ‘quote’ voor de verscheping van 210 auto’s in 70 containers van Shanghai naar Curaçao.
c) Op 27 september 2023 heeft eiseres gedaagde in kennis gesteld van een aanbod van vervoerder CMA-CGM van een prijs van USD 4.300 per container ‘including BAF and DTHC’. Dat laatste staat voor Destination Terminal Handling Charges. Gedaagde heeft eiseres dezelfde dag laten weten dit aanbod goed te keuren.
d) Bij aankomst van het schip in Curaçao, heeft eiseres gedaagde DTHC in rekening gebracht (facturen van 13 december 2023) voor in totaal NAf 61.971. Gedaagde heeft deze facturen onder protest aan eiseres betaald.
e) Op 4 juni 2024 heeft gedaagde ten laste van eiseres conservatoir derdenbeslag gelegd onder Maduro & Curiel’s Bank (MCB).
3De vordering en het verweer
3.1.
Eiseres vordert om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, het door gedaagde op 4 juni 2024 ten laste van haar gelegde conservatoir beslag onder MCB op te heffen, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
3.2.
Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens haar moet het beslag gehandhaafd blijven.
Beoordeling
4.1.
Het derdenbeslag waarvan eiseres de opheffing vordert is door gedaagde gelegd ter verzekering van een vordering van in hoofdsom NAf 61.971 die zij stelt te hebben op eiseres terzake onverschuldigde betaling dan wel, subsidiair, het tekortschieten door eiseres in haar verplichtingen als bemiddelaar.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat eiseres geen partij is bij de (tussen gedaagde en Changan) gesloten koopovereenkomst, en evenmin bij de (tussen Changan en CMA-CMG gesloten) vervoersovereenkomst. In die overeenkomsten kan eiseres dus niet zijn tekortgeschoten en uit dien hoofde kan zij dus niets aan gedaagde verschuldigd zijn.
4.3.
Gedaagde wijst op een bericht aan haar van shipper Changan waarin staat dat de expediteur van CMA-CGM in China (dat was NVO Trans-Union International) een eerdere prijsopgave van USD 4.500 per container had verlaagd naar USD 4.300, ‘same as your deal with CMA CMG’. Dit bericht bevestigt dat Changan zich in China heeft verstaan met (de agent van) vervoerder CMA-CMG over de eerder aan gedaagde geoffreerde prijs, die vervolgens is verlaagd naar
USD 4.300 per container. Van betrokkenheid van eiseres bij deze onderhandeling is niet gebleken.
4.4.
Kennelijk is bij de totstandkoming van de vervoersopdracht niet afgesproken dat de Destination Terminal Handling Charges (DTHC) in de prijs van USD 4.300 per container begrepen was. Dit wordt bevestigd door de bill of lading, waarop vermeld staat ‘freight to be paid at Shanghai’ en ‘THC at destination payable by Merchant’. Ook van betrokkenheid van eiseres bij het opmaken van dit cognossement is niet gebleken.
4.5.
Eiseres heeft gedaagde op 18 december 2023 bericht dat ‘this shipment is free for release after settlement’ van haar facturen. Evident is gedaagde een dringend belang had bij onverwijlde vrijgave van de containers door de vervoerder en niet in de positie was haar betaling van facturen achterwege te laten of uit te stellen. Dit alleen al vanwege de kosten van opslag en gedaagdes verplichtingen tot levering aan de afnemers van de auto’s. Dat eiseres met haar aanspraak op betaling enige contractuele of buitencontractuele norm heeft geschonden, valt niet in te zien. Bovendien is aannemelijk dat eiseres in haar rol van scheepsagent niet de bevoegdheid had groen licht te geven voor vrijgave van de containers zonder dat de DTHC waren betaald, en dat zij de betaling in ontvangst nam voor CMA-CMG.
4.5.
Ook anderszins is niet gebleken dat eiseres jegens gedaagde fouten heeft gemaakt die gedaagde schade hebben berokkend. Eiseres heeft aan gedaagde de offerte doorgegeven die zij van CMA-CMG had ontvangen, maar heeft daarbij niet de indruk gewekt dat die prijs door haar gegarandeerd werd en dat deze zonder meer door shipper Changan, expediteur NVO en carrier CMA-CMG zou worden overeengekomen. Dat de uiteindelijk door gedaagde betaalde prijs voor vervoer en DTHC ten nadele van gedaagde afwijkt van hetgeen eerder door CMA-CMG aan gedaagde was geoffreerd, is niet aan eiseres te wijten.
4.6.
Dictum
Het gerecht, rechtdoende in kort geding:
5.1.
heft op het door gedaagde op 4 juni 2024 ten laste van eiseres gelegde conservatoir derdenbeslag onder MCB;
5.2.
veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde van eiseres begroot op NAf 450 aan griffierecht, NAf 433,14 aan oproepingskosten en NAf 1.500 voor salaris gemachtigde;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en op 27 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.