Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-06-12
ECLI:NL:OGEAC:2024:112
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,050 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202401428
Vonnis in kort geding van 12 juni 2024
in de zaak van
[DE MINISTER],
wonend in Curaçao, eiser, gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en S.M.A. Gonzales,
tegen
[GEDAAGDE],
wonende in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez.
Partijen worden hierna [de minister] en [gedaagde] genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 26 april 2024,
de door [gedaagde] ingediende producties,
de mondelinge behandeling van 29 mei 2024,
de pleitnotities.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2De uitgangspunten
2.1. [
de minister] is lid van de politieke partij Movementu Futuro Kòrsou (hierna: MFK) en is na de statenverkiezingen van 2021 benoemd tot minister van verkeer, vervoer en ruimtelijke planning (VVRP). [gedaagde] heeft met zijn partij Union i Progreso (hierna: UP) ook aan de verkiezingen in 2021 meegedaan maar geen zetel behaald. Op de facebookpagina van UP staan video’s waarop [gedaagde] zich negatief uitlaat over [de minister].
2.2.
Bij brief van 14 maart 2024 heeft de gemachtigde van [de minister] [gedaagde] gesommeerd zijn video’s op zijn facebookpagina van 1 maart 2024, althans de gedeelten daarvan waarin [gedaagde] de grenzen van vrijheid van meningsuiting overschrijdt, te verwijderen en verwijderd te houden.
2.3.
Van [gedaagde] zijn thans geen video’s van 1 maart 2024 meer te vinden op facebook.
3De vordering
3.1. [
de minister] vordert, na vermindering van eis, dat het gerecht: a) [gedaagde] verbiedt de videobeelden van 1 maart 2024 op enige voor het publiek toegankelijke wijze beschikbaar te maken;
b) [gedaagde] verbiedt vanaf de datum van betekening van dit vonnis opruiende, gewelddadige en/of smadelijke uitspraken, in schrift of in een video, over [de minister] op zijn facebookpagina, op die van Union i Progreso of elders te plaatsten;
c) bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van NAf 10.000 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in strijd met de onder a) en b) bedoelde verboden handelt;
d) [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.
3.2. [
de minister] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] zich in de video van 1 maart 2024 onrechtmatig uitlaat over [de minister]. Zijn uitlatingen zijn onnodig grievend en hebben als enig doel [de minister] schade te berokkenen. De uitlatingen zijn daarnaast bedreigend en van criminele aard. [gedaagde] probeert van [de minister] een gehaat en onwaardig persoon te maken, om vervolgens zijn publiek voor te houden dat plegen van geweld tegen [de minister] is toegestaan.
3.3. [
gedaagde] heeft verweer gevoerd dat, voor zover relevant, bij de beoordeling zal worden betrokken.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1. [
gedaagde] voert als eerste verweer dat [de minister] niet kan worden ontvangen in de vordering tegen hem, omdat het uitingen betreft van UP en dus de partij UP in rechte had moeten worden betrokken. Dit verweer slaagt niet, omdat het petitum verder strekt dan alleen een verbod op het plaatsen van video’s op de facebookpagina van UP. Voorts richt de vordering zich tegen [gedaagde] en is het [gedaagde] die op video de uitspraken doet en heeft hij niet betwist dat hij de video’s maakt(e) en plaatst(e) of laat/liet plaatsen.
Video van 1 maart 2024
4.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van [gedaagde] verklaard dat hij heeft gezocht naar de video die door [gedaagde] op 1 maart 2024 op de facebookpagina van UP zou zijn geplaatst, maar dat hij die niet heeft kunnen vinden. Ook de leden van UP hebben gezocht maar de video niet gevonden. Alle video’s uit 2024 zijn bekeken, maar de uitlatingen zoals in het verzoekschrift weergegeven, zijn in geen van de video’s door [gedaagde] gedaan, aldus [gedaagde]. Ter zitting heeft de gemachtigde van [de minister] erkend dat de video van 1 maart 2024 op dat moment niet meer op facebook te vinden was.
4.3.
Het gerecht overweegt dat in de video die op de door [de minister] overgelegde USB-stick wordt aangeduid als ‘video 1 maart 2024’ een aantal van de uitlatingen is te horen waar [gedaagde] door [de minister] in het verzoekschrift op wordt aangesproken. Voor de beoordeling van het spoedeisend belang is niet relevant wanneer de video voor het eerst op sociale media is verschenen. Ook wanneer de bedoelde video eerder online is verschenen dan op 1 maart 2024, heeft [de minister] er spoedeisend belang bij dat de video in de toekomst niet toegankelijk is voor het publiek. Ter wille van de leesbaarheid wordt naar deze video in dit vonnis evenwel verwezen als ‘de video van 1 maart’.
4.4.
In de video van 1 maart zijn de volgende uitlatingen van [gedaagde] te horen, die zijn getranscribeerd in het verzoekschrift:
‘[de minister] ta un gai sushi ladron, desgrasiado, ku ta chinga muhe afo’ (informeel vertaald: [de minister] is een vuile dief, hij heeft seks met andere vrouwen);
‘guera mi ta bai, wak pa bo ta ready ora bo sak’e riba mi, ami si lo no basila pa reakshona riba bo’(informeel vertaald: als jij oorlog wil, zorg dat maar dat je er klaar voor me bent als je je pistool op mijn richt, want ik aarzel niet te reageren);
‘Wak pa bo ta ready, si bo saka ekoi riba mi,’ (informeel vertaald: zorg maar dat je er klaar voor bent, als je je pistool op mij richt, ik zal ….);
‘ami si ta tira hopi bon’ (informeel vertaald: ik kan goed schieten);
‘kaminda mi buta mi wowo, einan mi ta buta e balanan’ (informeel vertaald: waar ik naar kijk, daar komen mijn kogels).
4.5.
De in het verzoekschrift vermelde tekst: ‘mi ta bentabu abou, ami si ta kana ku mi chincha, katapult, tin piedra tambe, tin baksteen tambe ku nos por dalbu kune’ is niet te horen in de video van 1 maart. Dat betekent dat deze uitlating niet kan dienen ter onderbouwing van de vordering van [de minister]
Beperking van de vrijheid van meningsuiting
4.6.
Het gaat in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van [gedaagde] het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van [de minister] het recht op bescherming van de lichamelijke integriteit, de eer en goede naam en op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Meer concreet is het belang van [gedaagde] er met name in gelegen dat hij zich, al dan niet namens zijn partij, in het openbaar kritisch, informerend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over de politiek, over politici en over misstanden die de samenleving raken en het belang van [de minister] is er met name in gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en bedreigingen en niet onnodig inbreuk wordt gemaakt op zijn eer, reputatie en privacy.
Het recht van vrijheid van meningsuiting kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of bescherming van derden. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde] in de video onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige - belangen tegen elkaar worden afgewogen. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Daarbij weegt mee of de inhoud van de uitlatingen steun vinden in beschikbaar feitenmateriaal.
Onnodig grievend, smadelijke en beledigende uitlatingen
4.7.
Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan de noodzaak de vrijheid van meningsuiting te beperken niet te snel worden aangenomen als de uitlatingen in de media zijn gedaan en als bijdrage aan het publieke debat kunnen worden beschouwd. Voorts geldt dat er in een democratie in beginsel ook ruimte moet zijn voor de uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten en zal uit het kwetsende karakter van bepaalde uitlatingen niet snel een rechtvaardigding voor een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting moeten worden afgeleid. De grootst mogelijke terughoudendheid is geboden bij het als onrechtmatig kwalificeren van uitlatingen betreffende het optreden van een bestuurder. De grenzen van toelaatbare kritiek op een bestuurder als publiek persoon zijn ruimer dan die op een burger als private persoon.
Maar het enkele feit dat een kritische uitlating betrekking heeft op een onderwerp van maatschappelijk belang, impliceert niet zonder meer dat de uitlating een bijdrage aan het publieke debat kan vormen. Bij scheldkanonnades, het roepen van allerlei verwensingen en het doen van ongefundeerde uitlatingen zal dat niet snel het geval zijn.
4.8.
Binnen dit beoordelingskader is het gerecht van oordeel dat de gewraakte uitlatingen van [gedaagde] ‘[de minister] ta un gai sushi ladron, desgrasiado, ku ta chinga muhe afo’ , ongeacht of deze een zinnige bijdrage leveren aan het publieke debat, niet zodanig onnodig grievend zijn dat deze uitlatingen de grenzen van toelaatbare kritiek op een bestuurder van de publieke zaak overschrijden. Het gerecht merkt hierbij op dat ook de gemachtigde van [de minister] in zijn pleitnota verklaart ‘Als ieder politicus steeds op negatieve commentaren of onjuiste berichtgeving in de kranten, radio of op sociale media zou moeten reageren, dan zouden zij daar al een dagtaak aan hebben.’ In de pleitnota wordt hier gedoeld op de door [gedaagde] overgelegde producties, bestaande uit kopieën van negatieve uitlatingen over [de minister], in de kranten en op sociale media. Gesteld noch gebleken is waarom dat niet zou gelden voor voormelde uitlatingen van [gedaagde].
Bedreiging met geweld
4.9.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Niet vereist is dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
verbiedt [gedaagde] de videobeelden van 1 maart 2024 op enige voor het publiek toegankelijke wijze beschikbaar te maken;
5.2.
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van NAf 5.000 per dag of dagdeel dat hij het in r.o. 5.1. vermelde verbod overtreedt, met een maximum van NAf 100.000;
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart de beslissingen in r.o. 5.1. en 5.2. in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.