Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-06-13
ECLI:NL:OGEAC:2024:104
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,225 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202402083
Beschikking van 13 juni 2024
op het verzoek van
1[VERZOEKSTER SUB 1],
wonend in Curacao,
2. [VERZOEKSTER SUB 2],
wonend in Deventer, Nederland,
verzoeksters,
gemachtigde: mr. L.L.A. Davelaar-Franklin,
tegen
[VERWEERSTER],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Curaçao of daarbuiten.
1Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie op 7 juni 2024;
het e-mailbericht van de gemachtigde van verzoekster van 13 juni 2024.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt ertoe op de voet van artikel 4:192 lid 2 BW een termijn te stellen waarbinnen verweerster als erfgename een keuze tot aanvaarding of verwerping dient te maken als bedoeld in artikel 4:190 lid 1 BW.
2.2.
In het verzoekschrift is het verzoek aldus geformuleerd dat het gerecht verweerster oproept om binnen een termijn van twee weken na de uitspraak een keuze te doen ten aanzien van het wel of niet aanvaarden van de nalatenschap en dat, mocht verweerster binnen die termijn geen keuze hebben gedaan, te bepalen dat zij de nalatenschap beneficiair dan wel zuiver heeft aanvaard.
2.3.
In haar e-mail van 13 juni 2024 heeft de gemachtigde van verzoeksters desgevraagd bericht ermee in te stemmen dat buiten zitting wordt beslist overeenkomstig het (sinds vandaag) op de website van het hof voor dit soort verzoeken opgenomen modelverzoekschrift.
Beoordeling
3.1.
Verzoeksters leggen het volgende aan hun verzoek ten grondslag:
Verzoeksters zijn zussen van verweerster.
Samen zijn zij de enige erfgenamen van hun op [datum] 2012 te Curaçao overleden vader […].
Verweerster is in 1967 uit het bevolkingsregister van Curaçao uitgeschreven ‘als zijnde vertrokken naar Puerto Rico’.
Verzoeksters willen de nalatenschap, die bestaat uit registergoederen te Aruba, verdelen en willen de belastingschulden voldoen.
Verweerster is onvindbaar.
Bij beschikking van dit gerecht van 9 juni 2016 is om die reden een deurwaarder tot onzijdig persoon benoemd om verweerster te vertegenwoordigen terzake de scheiding en deling van de nalatenschap.
De onzijdig persoon kan volgens verzoeksters echter niet namens verweerster de keuze doen tussen het al dan niet aanvaarden van de nalatenschap.
3.2.
Oproeping van verweerster kan, gelet op de aard van het verzoek, het bepaalde in artikel 4:190 en 4:192 lid 2 BW en gelet op de aannemelijke omstandigheden van dit geval, achterwege blijven.
3.3.
Er is voldoende grond is om verweerster een termijn te stellen waarbinnen zij zich dient uit te laten over aanvaarding en de wijze van aanvaarding dan wel verwerping van de nalatenschap. Van feiten of omstandigheden die zich tegen inwilliging van het verzoek verzetten, is niet gebleken.
3.4.
Mede gelet op hetgeen is vermeld onder 2.3, zal worden beslist als hierna omschreven.
Dictum
Het gerecht
4.1.
bepaalt dat verweerster binnen vier weken een keuze dient te doen tussen het verwerpen of beneficiair of zuiver aanvaarden van de nalatenschap door middel van het afleggen van een daartoe strekkende en in het boedelregister in te schrijven verklaring ter griffie van dit gerecht;
4.2.
wijst partijen erop dat deze termijn ingaat op de dag nadat verzoeksters deze beschikking door de deurwaarder aan verweerster heeft laten betekenen en een afschrift van deze beschikking met een afschrift van het betekeningsexploot heeft laten inschrijven in het boedelregister;
4.3.
wijst partijen erop dat als verweerster deze termijn laat verlopen zonder een keuze te hebben gedaan, verweerster geacht wordt de nalatenschap zuiver te aanvaarden (artikel 4:192 lid 3 BW);
4.4.
bepaalt dat de op NAf 1.500 te begroten kosten van deze procedure en de betekening van de beschikking ten laste komen van de nalatenschap en daaruit aan verzoeksters moeten worden (terug)betaald;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.E. de Kort, rechter, en op 13 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.