Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2023-09-21
ECLI:NL:OGEAC:2023:318
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,262 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202103917
Beschikking van 21 september 2023
in de zaak van [VERZOEKSTER], wonende in Curaçao, verzoekster, gemachtigde: mr. R.S.M. Moeniralam,
tegen
[VERWEERDER],
wonend in Curaçao, verweerder, gemachtigde: mr. R. Gonet,
en
[BELANGHEBBENDE 1],
(kennelijk) wonend in België,
belanghebbende,
gemachtigde: mr. R.S.M. Moeniralam,
en
[BELANGHEBBENDE 2],
wonend in Curacao,
belanghebbende,
verschenen in persoon,
en
de naamloze vennootschap RBTT BANK N.V.,
gevestigd in Curacao,
belanghebbende,
gemachtigde: mr. H.W. Braam.
Behoudens RBTT Bank, die hierna “RBTT” zal worden genoemd, zullen partijen hierna met hun respectieve achternamen worden aangeduid.
1Het verdere procesverloop
1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit:
de beschikking van 25 april 2023 (hierna: de tussenbeschikking),
de brief van 21 augustus van de gemachtigde van [verweerder], waarbij in verband met de na te noemen mondelinge behandeling een aantal stukken zijn toegestuurd,
de mondelinge behandeling op 23 augustus 2023, waar zijn verschenen [verzoekster], bijgestaan door haar gemachtigde, alsmede de gemachtigde van [verweerder]. Zij allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van hun spreekaantekeningen.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
het verzoek
2.1.
Het verzoek van [verzoekster], dat ter wille van de duidelijkheid hierna wordt herhaald, luidt als volgt:
- “te bepalen dat de bezwaardheid van de hypotheekhouder de naamloze vennootschap Rbtt Bank N.V. welke op een perceel [nummer A] welke is ingeschreven in register [registernummer] onder nummer 6 rust, wordt doorgehaald in het register;
- te bepalen dat de onroerende zaak bestaande uit het perceel [nummer A] welke is ingeschreven in register [registernummer] onder nummer 6 en alles wat daartoe middels natrekking behoort, alsmede 1/51 ste aandeel van afdeling [nummer B], beter bekend als de [adres], gedwongen onderhand wordt verkocht aan [verzoekster] voor het bedrag van Nafl. 395.000,00 en dat de opbrengst zal worden verrekend met de opeisbare vorderingen welke [verzoekster] op [verweerder] heeft;
- onder veroordeling van verweerder in de proceskosten;”
de oproeping en de verschijning van [verweerder]
2.2.
In de tussenbeschikking heeft het gerecht onder meer de deurwaarder bevolen [verweerder] op te roepen door middel van publicatie in de Landscourant en in het Antilliaans Dagblad. Dit is geschied.
2.3.
Nadat eerdere oproepen hem kennelijk niet hadden bereikt, is [verweerder] vervolgens in de procedure verschenen.
2.4.
Met betrekking tot [verweerder] als procespartij wordt het volgende overwogen. Volgens de verklaring van de gemachtigde van [verweerder] ter zitting heeft hij slechts moeizaam contact met [verweerder] gehad. Er is sprake geweest van een gedwongen opname van [verweerder] in een instelling. Van een beschermingsmaatregel zoals curatele of bewind ten aanzien van [verweerder] is de gemachtigde volgens zijn verklaring niets concreets bekend. Nu niet is gesteld of gebleken dat ten aanzien van [verweerder] een beschermingsmaatregel geldt en [verzoekster] dat zelfs uitdrukkelijk ontkent, moet [verweerder] geacht worden procesbekwaam te zijn en dus zelf in rechte te kunnen optreden.
het verzoek strekkende tot doorhaling van de hypothecaire inschrijving
2.5.
RTBB heeft bij monde van haar gemachtigde verklaard dat harerzijds geen bezwaar bestaat tegen de doorhaling van de hypothecaire inschrijving.
2.6. [
Verweerder] voert verweer tegen de toewijzing van dit verzoek, welk verweer is gebaseerd op het ontbreken van bevoegdheid aan de kant van [verzoekster] tot doorhaling en tot het verkrijgen van informatie over het saldo en de voldoening van de hypothecaire schuld.
2.7.
In het licht van het hiervoor weergegeven standpunt van RBTT legt dit onvoldoende gewicht in de schaal. Naar aanleiding van het door hem gevoerde verweer wordt [verweerder] erop gewezen dat niet [verzoekster] de hypothecaire inschrijving doorhaalt, maar dat het gerecht bepaalt dat zulks dient te geschieden.
2.8.
Het verzoek zal worden toegewezen.
het verzoek strekkende tot onderhandse verkoop en tot verrekening
2.9. [
Verweerder] voert verweer en verzet zich tegen de toewijzing van het verzoek.
2.10.
Het verzoek te bepalen dat [verweerder] de onroerende zaak gedwongen onderhands verkoopt aan [verzoekster] zal worden afgewezen nu daartoe een wettelijke grondslag ontbreekt en bovendien [verweerder] zich daartegen verzet, waartoe het volgende wordt overwogen.
2.11. [
Verzoekster] baseert haar verzoek op de artikelen 545 jo. 548 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Die beide artikelen staan in Boek 2, titel 3, afdeling 4 Rv met het opschrift “Executie door een hypotheekhouder”. Daaruit moet worden afgeleid dat die afdeling en de artikelen daarin alleen betrekking hebben op gevallen van executie door een hypotheekhouder. Daarvan is in dit onderhavige geval geen sprake. Het verzoek kan dan ook niet met succes op die voornoemde artikelen worden gebaseerd.
2.12.
Daarbij komt het volgende. De wet kent in Boek 2, titel 3 Rv een uitgebreide regeling betreffende de gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerende zaken. Die voorziet voor een geval als het onderhavige niet in de mogelijkheid van gedwongen onderhandse verkoop door de debiteur aan de crediteur die (executoriaal) beslag heeft gelegd. Integendeel, met betrekking tot de verkoop van onroerende zaken bepaalt artikel 519 Rv uitdrukkelijk:
“De verkoop vindt in het openbaar plaats, eerst bij opbod en vervolgens bij afmijning.”.
Het gerecht acht niet ondenkbaar dat onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat executoriale verkoop en geen onderhandse verkoop plaatsvindt, maar [verzoekster] heeft dat niet aan haar vordering ten grondslag gelegd en bovendien onvoldoende gesteld om tot die conclusie te kunnen komen.
2.13.
In het licht van het bovenstaande ontbreekt een wettelijke basis voor dit verzoek en de toewijzing ervan zou slechts denkbaar kunnen zijn ingeval [verweerder] zich daartegen niet zou verweren, maar dat is niet het geval.
Wat betreft dit laatste merkt het gerecht het volgende op. [Verweerder] is niet verplicht tot medewerking aan een onderhandse verkoop door hem aan [verzoekster] en behoeft daarom, anders dan [verzoekster] kennelijk van mening is, niet te onderbouwen wat hij aanvoert over zijn plannen met de woning.
2.14.
De vordering zal op grond van het bovenstaande worden afgewezen.
2.15.
Tijdens de behandeling op 23 augustus 2023 gaf [verzoekster] te kennen ernstige financiële problemen te hebben en als het gerecht zou bepalen dat de onroerende zaken openbaar zouden moeten worden verkocht, zij die route zou volgen. Het gerecht zal een dergelijke beslissing niet nemen, aangezien een verzoek daartoe haar niet is voorgelegd.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
bepaalt dat de bezwaardheid van de hypotheekhouder de naamloze vennootschap Rbtt Bank N.V. welke op een perceel [nummer A] welke is ingeschreven in register [registernummer] onder nummer 6 rust, wordt doorgehaald in het register;
5.2.
wijst af hetgeen anders of meer is verzocht;
5.3.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] ten bedrage van NAf 3.000,-, in de proceskosten aan de zijde van [belanghebbende 1] ten bedrage van NAf 3.000,- en in de proceskosten aan de zijde van [belanghebbende 2] ten bedrage van NAf 3.000,-;
5.4.
veroordeelt RTBB in de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] ten bedrage van NAf 2.500,-.
Deze beschikking is gegeven door mr. O. Nijhuis, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.