Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2023-07-27
ECLI:NL:OGEAC:2023:188
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
1,873 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202301968
Vonnis in kort geding van 27 juli 2023
in de zaak van
[EISER],
wonende in Curaçao, eiser, gemachtigde: mr. S.C. Larmonie,
tegen
[GEDAAGDE],
wonend in Curaçao, gedaagde, gemachtigden: mrs. G.C.A. Scheperboer-Parris en N.F.C. Themen-Cairo.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 27 juni 2023,
de mondelinge behandeling van 20 juli 2023,
de pleitnotities (‘verweerschrift in eerste aanleg EJ-procedure’) van de gemachtigden van gedaagde.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten:
Partijen zijn sinds 1971 met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Zij wonen samen in een huis in Kanga.
Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort een recht van erfpacht ten name van eiser met betrekking tot een perceel van 680m2 aan [adres van het perceel] in de buurt Buena Vista, hierna: het perceel.
Eiser wenst tot verkoop over te gaan van het perceel en heeft een koper gevonden die het perceel voor NAf 50.000 wil kopen.
Door de notaris is een concept voor een akte van overdracht van het perceel opgesteld met eiser als verkoper. De conceptakte bevat de volgende passage:
“Voorts verscheen voor mijn notaris, mevrouw [personalia gedaagde], echtgenote van comparant sub 1, die verklaarde haar toestemming te verlenen tot het vorenstaande verkoop en levering en niet het mede-bestuur te hebben over het verkochte.”
Eiser heeft gedaagde tevergeefs verzocht haar medewerking aan de levering te verlenen en om daartoe naar de notaris te gaan om de nodige handtekeningen te plaatsen.
3De vordering en de standpunten van partijen
3.1.
Eiser vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
primair
Eiser vervangende toestemming te verlenen om het perceel aan de koper te verkopen en leveren ‘zonder de vereiste toestemming van de vrouw ex art. 1:88 BW’;
subsidiair
op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de door gedaagde tezamen met eiser op te maken transportakte of van een deel daarvan.
3.2.
Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde zonder enige rechtsgrond of rechtvaardiging weigert om haar medewerking te verlenen aan verkoop en overdracht van het perceel. Volgens eiser is het dringend nodig om het perceel te verkopen, omdat het echtpaar schulden heeft, hun woning reparaties behoeft en omdat verlies van het recht van erfpacht dreigt omdat de canon en belasting onbetaald blijven en omdat niet is voldaan aan de eis van bebouwing.
3.3.
Gedaagde voert verweer. Zij stelt goede redenen te hebben om de van haar gevraagde medewerking te weigeren. Zij stelt in dit verband onder meer:
dat het perceel eerder deel uitmaakte van een groter door [naam], een grootvader van gedaagde, van de overheid gehuurd terrein;
dat het een soort familieterrein is en dat rond het perceel familieleden van gedaagde wonen;
dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat hun tweede zoon op het perceel zou gaan wonen en dat dat nog steeds de wens is van gedaagde;
dat ook de familieleden die daar in de buurt wonen dat willen;
dat gedaagde het perceel in de familie wil houden;
dat de zoon een fundering op het perceel heeft aangelegd, in 2020 een bouwvergunning voor een woning heeft verkregen en inmiddels ongeveer NAf 11.000 aan het perceel heeft besteed;
dat een onderbouwing van de waarde van het perceel en daarmee van de door eiser beoogde verkoopprijs ontbreekt;
dat eiser gedaagde geen inzage heeft gegeven in de schulden die volgens hem zouden bestaan.
Beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang bij het gevorderde volgt genoegzaam uit de stellingen van eiser.
De gevraagde toestemming
4.2.
Het gerecht zal met partijen tot uitgangspunt nemen dat eiser – al was het maar vanuit praktisch oogpunt - de medewerking van gedaagde behoeft om tot verkoop en levering van het perceel te kunnen overgaan. Meer in het bijzonder komt het in dit kort geding aan op de vraag of gedaagde in redelijkheid kan weigeren tegenover de notaris een verklaring van toestemming af te leggen zoals hiervoor onder 2 d) weergegeven.
4.3.
Naar het oordeel van het gerecht is gedaagde jegens eiser niet gehouden om een dergelijke verklaring af te leggen. Gedaagde heeft uiteengezet dat zij het perceel in de familie wil houden en graag ziet dat de tweede zoon van partijen de rechthebbende van het perceel wordt en daar gaat wonen. De door eiser gestelde financiële noodzaak om tot verkoop over te gaan heeft gedaagde betwist. Ter zitting heeft de zoon bevestigd dat ook hij er steeds van is uitgegaan dat het perceel van hem zou worden, dat hij verder wil met de bouw en dat hij bereid en in staat is de eventuele achterstand in erfpachtcanon te voldoen. Onder die omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat een redelijke grond voor gedaagdes weigering om eiser terzake diens wensen met betrekking tot het perceel tegemoet te komen ontbreekt.
De tegenvorderingen
4.4.
Gedaagde sluit haar pleitnotities af met het verzoek om te bepalen ‘dat de gemaakte afspraak tussen partijen, het terrein althans een deel daarvan te schenken aan de zoon, standhoudt’ en ‘dat de dubbel verleende bouwvergunning aan de man nietig verklaard en die van de zoon van kracht is’. Voor zover eiseres hiermee een reconventionele vordering heeft willen instellen, moet daaraan vanuit het oogpunt van de goede procesorde worden voorbijgegaan. De reconventie is immers niet tijdig aangekondigd zoals voorgeschreven in artikel 58 Procesreglement Civiele Zaken. Afgezien daarvan betreft het declaratoire uitspraken, die in kort geding niet kunnen worden gedaan.
De kosten
4.5.
Omdat partijen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
4.6.
Gelet op het door haar overgelegde bewijs van onvermogen, zal aan gedaagde toestemming worden verleend kosteloos te procederen.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
verleent gedaagde toestemming kosteloos te procederen;
5.2.
wijst af het door eiser gevorderde;
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.