Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2022-11-05
ECLI:NL:OGEAC:2022:376
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,227 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202200893
Vonnis d.d. 5 december 2022
inzake
[Eiser],
wonende in [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. S.A.T. Ayubi-Haakmeester,
tegen
[Gedaagde],
wonende in [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. N.B. Louisa.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het inleidend verzoekschrift met producties, op 3 februari 2022 ter griffie ingediend;
de mondelinge behandeling in kort geding gehouden op 18 februari 2022, waarbij de zaak is verwezen naar de bodemprocedure;
de conclusie van eis met producties d.d. 23 mei 2022;
de conclusie van antwoord d.d. 20 juni 2022;
de mondelinge behandeling gehouden op 11 oktober 2022.
1.2.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
Feiten
2.1. [
Eiser] en [gedaagde] zijn de biologische kinderen van wijlen de heer [erflater] (hierna: erflater). Erflater is op 9 januari 2008 overleden.
2.2. [
Eiser] heeft in het jaar 1995, met toestemming van erflater, een woning voor zichzelf gebouwd op een perceel grond aan [adres 1], gelegen in [plaats 1] te [buurt 1] in Curaçao, naast het (toenmalige) ouderlijk huis. Dit perceel, groot 412 m2, is op 29 juni 1995 krachtens toedeling op naam van de erflater gesteld en deze heeft ook hypotheek gegeven tot zekerheid van de door [eiser] ter financiering van de bouw aangegane lening van NAf 77.000. Deze lening heeft [eiser] (grotendeels) afbetaald. [eiser] woont nog steeds met zijn gezin in het door hem gestichte huis, plaatselijk bekend als (het appartement aan de [adres 1].
2.3. [
gedaagde] woont in het voormalige ouderlijk huis, dus naast [eiser]. Het gehele perceel waarop beide woningen staan staat nog op naam van erflater.
2.4.
Erflater had bij testament van 29 juni 1995 tevens over zijn nalatenschap beschikt.
In dit testament is, voor zover thans van belang, als volgt bepaald:
(…)
II. Ik legateer aan mijn zoon, de heer [EISER] bewakingsbeambte, wonende op [woonplaats]; het appartement, plaatselijk bekend als
[adres 1]
staande en gelegen op het perceel te [buurt 1] gelegen in [plaats 1] van Curaçao, ter grootte van vierhonderd éénentwintig vierkante meter (421 m²), nader omschreven in meetbrief nummer 122 van zesentwintig mei negentienhonderd vierenvijftig, welke opstallen volledig voor rekening van de legataris zijn gesticht.
III. Onder de last van gemeld legaat benoem ik tot mijn enige erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen, mijn kinderen, [kind 1 van erflater], [kind 2 van erflater], [gedaagde]-, [kind 3 van erflater] en voornoemde [eiser], onder de bepaling, dat ingeval één of meer van hen vóór of gelijktijdig met mij mocht(en) komen te overlijden de afstammelingen van de overledene(n) in zijn/hun plaats zullen treden op de wijze van plaatsvervulling als volgens de Wet, gaande deze plaatsvervulling voor de aanwas.
(…)
2.5.
Op 14 september 2006 heeft erflater opnieuw een testament laten verlijden. In dat testament heeft hij zijn eerdere uiterste wilsbeschikkingen herroepen en daarbij (onder meer) bepaald:
(…)
II. Ik benoem tot mijn enige erfgenaam, mevrouw [gedaagde] , geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum], onder de bepaling dat ingeval zij voor mij of gelijktijdig met mij mochten komen te overlijden de afstammelingen van de overledene(n) in zijn plaats zullen treden op de wijze van plaatsvervulling als volgens de wet, gaande deze plaatsvervulling voor de aanwas.
(…)
2.6.
In 2020 zijn op aanwijzing van [eiser] meetbrieven door het Kadaster opgemaakt waarbij de grenzen tussen de door hem resp. [gedaagde] bewoonde perceelsgedeelten zijn aangegeven. Meetbrief 628/2020 geeft het terrein waarop de voormalige ouderlijke woning zich bevindt weer en beslaat 184 m2, meetbrief 629/2020 het (L-vormige) terrein met het door [eiser] gebouwde huis, aangeduid als [kavel 1], ter grootte van 237 m2. Over deze begrenzing zijn partijen het niet eens.
Geschil
3.1. [
eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
‘Primair
Gedaagde te veroordelen om conform wat de erflater voor ogen had over te gaan tot verdeling van het stukje grond zoals opgemeten in de meetbrieven 628/2020 en 629/2020 met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet ingeval gedaagde haar medewerking daartoe weigert te verlenen.
Subsidiair
Gedaagde te veroordelen om het stukje grond waarop de woning bekend als [adres 1] is gebouwd en met meetbrief no 629/2020 aan eiser over te dragen tegen een getaxeerde prijs per m2 waarbij in de overdracht aktes tevens de erfdienstbaarheid met betrekking tot de beerput zal moeten worden opgenomen met de bepaling dat alle tot nu te gemaakte kosten zoals meetbrieven beerputten en OZB door beiden ieder voor de helft moet worden gedragen of verrekend.
Meer subsidiair
Voor recht te verklaren dat het testament van erflater, verleden voor notaris G.C.A Smeets te Curaçao op 14 september 2006 nietig is dan wel als vernietigd heeft te gelden;
Voor recht te verklaren dat de nalatenschap van de erflater dient te worden afgewikkeld in overeenstemming met zijn wilsbeschikking gedateerd 29 juni 1995 verleden ten overstaan van notaris G.C.A. Smeets te Curaçao.
Kosten rechtens.’
3.2. [
gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Uit de overgelegde stukken is het onvermogen van [gedaagde] om proceskosten te dragen genoegzaam gebleken, zodat aan haar toestemming zal worden verleend om kosteloos te procederen.
4.2.
In deze zaak is geen verklaring van erfrecht overgelegd. [eiser] heeft wel het bestaan van het tweede testament, dat van 14 september 2006 (zie hiervoor onder 2.5.) erkend. Het gerecht zal er daarom van uitgaan, dat, behoudens een succesvol beroep op nietigheid of vernietiging (waaromtrent hierna nader), [gedaagde] als enig erfgenaam heeft te gelden en veronderstellenderwijs ook dat zij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Dat betekent dat zij eigenaresse is van het gehele perceel waarop zich de beide woningen bevinden.
4.3.
De primaire vordering, gebaseerd als deze is op verdeling, moet daarom worden afgewezen. Partijen zijn bij deze stand van zaken geen deelgenoten.
4.4.
De rechtsgrond van de subsidiaire vordering (voor zover niet gebaseerd op verdeling) is door [eiser] niet verduidelijkt. Hij lijkt aansluiting te zoeken bij de oorspronkelijke bedoeling van de erflater, nl. dat hij na diens dood eigenaar van het stuk grond zou worden waarop hij zijn huis heeft gebouwd, doch, gelet op de inrichting van zijn vorderingen, zonder het laatste testament aan te vechten. Dit lijkt met elkaar in tegenspraak. Het gerecht zal echter, gelet op het verhandelde ter comparitie, thans de subsidiaire vordering niet direct afwijzen. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord erkend dat zij is verrijkt met de waarde van de door [eiser] gestichte opstallen en zich bereid verklaard bij vertrek door [eiser] uit diens woning hem zijn schade (investering) te vergoeden (ondanks hetgeen hierboven onder 4.1. is overwogen). [eiser] is echter van plan in de door hem bewoonde woning te blijven wonen en [gedaagde] heeft in deze procedure niet (in reconventie) ontruiming door hem gevorderd. Verder heeft [gedaagde] bij conclusie van antwoord gesteld dat zij een taxateur opdracht heeft gegeven om de woning van [eiser] te waarderen, doch het resultaat daarvan was ter comparitie nog niet bekend. Mogelijk bedoelt [eiser] met zijn subsidiaire vordering dat [gedaagde] ingevolge het bepaalde in artikel 6:212 BW vanwege haar verrijking gehouden is tot schadevergoeding aan [eiser], welke schadevergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 6:103 BW ook anders dan in geld kan worden toegekend, bijvoorbeeld door overdracht van het perceelsgedeelte waarop de door hem gebouwde woning zich bevindt (of wellicht nog op iets anders). Het gerecht tekent hierbij in de eerste plaats nadrukkelijk aan dat thans nog niet kan worden beslist of een dergelijke vordering toewijsbaar is omdat het partijdebat hierop nog niet gericht is geweest. In de tweede plaats merkt het gerecht op dat dan in ieder geval ook overeenstemming moet worden bereikt over de in aanmerking te nemen grondwaarde die [eiser] in dat geval in principe verschuldigd is en waarmee de alsdan door [gedaagde] verschuldigde schadevergoeding kan worden verrekend. In de derde plaats geldt dat dan ook overeenstemming moet worden bereikt over de begrenzing van de percelen die dan door opsplitsing van het huidige zullen ontstaan. Over de in de subsidiaire vordering genoemde erfdienstbaarheid en beerput heeft nog helemaal geen partijdebat plaatsgevonden. Als een minnelijke regeling langs deze lijnen mogelijk lijkt, dan dienen partijen met hun advocaten hierover met elkaar nader te onderhandelen, het resultaat in een uitgewerkte vaststellingsovereenkomst vast te leggen en bovendien een notaris in te schakelen. Als partijen hun vaststellingsovereenkomst in een proces-verbaal van dit gerecht vastgelegd wensen te hebben, dan is dat in principe mogelijk. Het gerecht zal deze procedure vooralsnog aanhouden. Mochten partijen tot overeenstemming komen, dan kunnen zij eenparig dit bij akte berichten en tevens of volstaan kan worden met doorhaling van deze procedure, dan wel dat tevens proces-verbaal wordt verlangd, in welk geval zij de getekende vaststellingsovereenkomst bij het gerecht moeten indienen.
4.5.
Indien een dergelijke minnelijke regeling niet mogelijk blijkt, dan moet worden voortgeprocedeerd en dient [eiser] eerst zich hierover bij akte uit te laten waarbij hij tevens dient aan te geven in hoeverre hij de subsidiaire vordering wenst te handhaven en zo nodig zijn vorderingen kan aanpassen (mede gelet op hetgeen hierna onder 4.5. wordt overwogen), waarna [gedaagde] daarop kan reageren.
4.6.
Voor het geval [eiser] zijn subsidiaire vordering niet handhaaft, of indien deze moet worden afgewezen, komt de meer subsidiaire vordering aan de orde. Deze dient dan bij de door [eiser] te nemen akte te worden toegelicht. Het gerecht tekent hierbij aan, dat in dat geval op [eiser] in beginsel de bewijslast rust van feiten en omstandigheden die tot het oordeel leiden dat het testament nietig is of voor vernietiging in aanmerking komt. Alvorens tot eventuele bewijslevering te worden toegelaten, dient [eiser] die feiten en omstandigheden concreet te stellen, waarna [gedaagde] hierop kan reageren.
4.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
verleent [gedaagde] toestemming om kosteloos te procederen;
5.2.
stelt partijen in de gelegenheid om zich bij akte, bestemd voor de rol van maandag 13 februari 2023, eenparig uit te laten over het bereikt zijn van een minnelijke regeling, een en ander zoals hierboven onder 4.4. overwogen, dan wel, indien een dergelijke regeling niet is bereikt, stelt [eiser] in de gelegenheid op die roldatum een nadere akte te nemen, een en ander zoals hierboven onder 4.5. en 4.6. overwogen, waarna [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. van Leeuwen, rechter, bijgestaan door mr. C.L. Navarro, griffier, en op 5 december 2022 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.