Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2019-04-30
ECLI:NL:OGEAC:2019:89
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,785 tokens
Dictum
op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening
hangende het bezwaar van:
[verzoekster],
verblijvende in Curaçao,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. G.C.A. Scheperboer-Parris, B.W. Scheperboer, A.K.H. Ayubi en R.S.M. Moeniralam, advocaten
en
DE MINISTER VAN JUSTITIE,
verweerder,
gemachtigden: mrs. G.B. Steward en S.X.T. Hato, advocaten.
Procesverloop
Bij beschikking van 11 april 2019 heeft verweerder, voor zover hier van belang, bepaald dat verzoekster in vreemdelingenbewaring wordt gesteld en uiterlijk 11 mei 2019 uit Curaçao wordt verwijderd (de bestreden beschikking).
Daartegen heeft verzoekster op 18 april 2019 bezwaar gemaakt (het bezwaar). Daarbij heeft verzoekster op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verzocht om niet verwijderd te worden naar Venezuela (het verzoek).
Op 23 april 2019 heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij het Gerecht strekkende tot schorsing van de op grond van de bestreden beschikking bevolen bewaring en verwijdering.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De openbare behandeling van het verzoek heeft ter zitting van het Gerecht op 26 april 2019 plaatsgevonden. Namens verzoekster zijn de gemachtigden voornoemd verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden voornoemd, die werden vergezeld door mr. D. Victorina, adviseur van verweerder, en L. Curiel, werkzaam bij de vreemdelingenpolitie. Aansluitend aan de behandeling van de zaak in het Gerechtsgebouw heeft de rechter en de griffier in het bijzijn van de gemachtigden van partijen de lokaliteit waar de bewaring wordt ondergaan bezichtigd.
Overwegingen
1.1
Op grond van artikel 85, eerste lid, van de Lar kan, voor zover thans van belang, een beschikking, waaromtrent een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt, op verzoek van de indiener geheel of gedeeltelijk worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen doel. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel, als in de eerste volzin bedoeld.
1.2
Op grond van artikel 16 van de Landsverordening Toelating en uitzetting (Ltu) kan in geval van uitzetting ter verzekering van het vertrek inbewaringstelling van de betrokkene worden bevolen, indien deze gevaar oplevert voor de openbare orde, de publieke rust of veiligheid of de goede zeden dan wel indien gegronde vrees bestaat dat betrokkene zal trachten zich aan zijn vertrek te onttrekken.
Op grond van artikel 19, eerste lid, onder a kan de minister van Justitie uit Curaçao verwijderen, voor zover hier van belang, personen die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnengekomen.
Op grond van het derde lid geschiedt de verwijdering krachtens een met redenen omkleed bevelschrift, hetwelk aan betrokkene in persoon wordt uitgereikt.
1.3
Op grond van het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers inzake de Landsverordening Toelating en Uitzetting (P.B. 1966, no. 17), zoals gewijzigd en het Toelatingsbesluit (P.B. 1985, no. 57) zoals gewijzigd, van juni 2006 is in paragraaf 10.3 bepaald in welke gevallen er aanleiding bestaat om de maatregel van bewaring niet toe te passen. Dit zijn de gevallen wanneer er betrouwbaar geachte particulieren of instanties bereid zijn zich voor het onderbrengen van de vreemdeling garant te stellen gedurende de tijd dat nog over de verwijdering moet worden beslist of de verwijdering niet kan worden geëffectueerd, indien er geen uitzicht op verwijdering van de vreemdeling naar enig land bestaat, met name omdat hij niet in het bezit is of kan komen van geldige reispapieren, indien de vreemdeling een vaste woon- en verblijfplaats hier te lande heeft of er een lichter middel kan worden toegepast, bijvoorbeeld een meldingsplicht of afgifte van zijn paspoort.
1.4
Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
2. Met dit schorsingsverzoek beoogt verzoekster te bewerkstelligen dat zij de beslissing op het bezwaar, in het kader waarvan verweerder op het verzoek moet beslissen, in Curaçao kan afwachten zonder dat zij daarbij bewaring moet ondergaan.
Verwijdering
3. Aangezien verzoekster dat niet heeft betwist staat vooralsnog het volgende vast. Verzoekster is een alleenstaande zestienjarige Venezolaanse die zich op 11 april 2019 om 02.38 uur samen met meer dan dertig andere Venezolanen aan boord van een boot bevond die binnen de territoriale wateren van Curaçao voer. Na het waarnemen van de boot onstond bij de Kustwacht het vermoeden dat de opvarenden naar Curaçao voeren om daar in strijd met de wettelijke bepalingen inzake toelating van vreemdelingen aan wal te gaan. Hierna zijn de opvarenden, onder wie verzoekster, aangehouden en is de bestreden beschikking gegeven. Verzoekster ondergaat de bewaring op de vrouwenafdeling van de strafgevangenis Sentro di Detenshon i Korekshon Kòrsou waar zij twee uur per dag mag luchten.
3.1
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) heeft met toepassing van artikel 39 van het EVRM bij “decision on interim measure” van 23 april 2019 bepaald dat verzoekster niet verwijderd kan worden naar Venezuela totdat het Hof aan de hand van door partijen uiterlijk op 23 mei 2019 bij het Hof in te dienen stukken kan bepalen of de door hem bevolen schorsing van de verwijdering al dan niet wordt opgeheven (de interim measure).
3.2
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij meteen na kennisneming van de interim measure ter uitvoering daarvan de verwijdering van verzoekster heeft stopgezet. Verder heeft verweerder verklaard dat verzoekster aldus niet vóór 23 mei 2019 zal worden verwijderd en dat geen sprake zal zijn van verwijdering zolang niet op het verzoek dat in het kader van het bezwaar is gedaan, is beslist. Verweerder heeft daarbij nog verklaard dat het in het verleden is voorgekomen dat een vreemdeling die in bezwaar is gegaan tegen de afwijzing van een verzoek op grond van artikel 3 van het EVRM hangende dat bezwaar niet is verwijderd.
3.3
Het Gerecht vat het voorgaande op als een toezegging van verweerder dat hij zich zal houden aan de interim measure en verzoekster niet zal verwijderen naar Venezuela zolang hij niet op het verzoek heeft beslist. Daargelaten dat kennelijk niet uitgesloten is dat verweerder ook na een eventuele afwijzing van het verzoek ambtshalve de verwijdering zal schorsen zolang hij niet heeft beslist op een tegen de afwijzing ingesteld bezwaar, staat het verzoekster vrij om in het kader van een dergelijk bezwaar een verzoek om voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van de verwijdering bij het Gerecht in te dienen. Op grond van het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat verzoekster thans geen spoedeisend belang heeft bij de verzochte schorsing van de verwijdering. Dat schorsingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Bewaring
4.1
Verzoekster verblijft zonder een geldige verblijfstitel in Curaçao en heeft hier geen vast adres. Volgens vaste jurisprudentie van het Gerecht mocht verweerder al gelet daarop in redelijkheid oordelen dat verzoekster gevaar oplevert voor de openbare orde en dat gegronde vrees bestaat dat zij zich aan haar verwijdering zal onttrekken. Het Gerecht is daarom vooralsnog van oordeel dat de bewaring in zoverre dan ook niet onrechtmatig is.
4.2
Verweerder heeft aangevoerd dat verzoekster niet in aanmerking komt voor toepassing van een lichter middel dan bewaring, omdat krachtens het door hem gevoerde beleid een dergelijk lichter middel (zie overweging 1.4) niet wordt toegepast als de vreemdeling niet via een officiële haven of de luchthaven tot Curacao is toegelaten. Verweerder heeft verder toegelicht dat hij krachtens vast beleid minderjarige vreemdelingen die jonger zijn dan zestien jaar niet in vreemdelingenbewaring stelt, maar voor andere opvangmogelijkheden zorgt. Minderjarigen van zestien jaar of ouder worden, aldus verweerder, wel in vreemdelingenbewaring gesteld.
4.3
Verzoekster, die zestien jaar oud is, heeft niet betwist dat verweerder dat beleid voert en heeft evenmin betwist dat zij niet via een officiële (lucht)haven Curaçao is binnengekomen, zodat dient te worden aangenomen dat zij krachtens het beleid van verweerder niet in aanmerking komt voor een lichter middel dan bewaring.
4.4
Doordat verzoekster een alleenstaande minderjarige is, acht het Gerecht haar belang bij schorsing van de bewaring echter groter dan het belang van verweerder bij het continueren daarvan. Naast het feit dat volgens de jurisprudentie van het Hof in principe geen vreemdelingenbewaring dient te worden opgelegd bij alleenstaande minderjarigen, tenzij daar zwaarwegende redenen voor zijn, houdt het Gerecht daarbij ook rekening met het feit dat verzoekster de bewaring op de vrouwenafdeling van de strafgevangenis ondergaat. Om te voorkomen dat verzoekster aan extreme armoede en daarmee gepaard gaande gevaren zoals uitbuiting wordt blootgesteld, zal verweerder haar, zolang zij niet is verwijderd, op dezelfde wijze opvangen als hij dat krachtens zijn vast beleid doet bij minderjarige vreemdelingen die jonger zijn dan zestien jaar.
Dictum
Het Gerecht:
wijst af het verzoek om schorsing van de verwijdering;
schorst de bewaring met ingang van 7 mei 2019;
bepaalt dat verweerder verzoekster met ingang van 7 mei 2019, op dezelfde wijze als hij dat krachtens zijn vast beleid doet bij minderjarigen jonger dan zestien jaar, zal voorzien van een woonruimte en haar kosten van levensonderhoud zal dragen zolang zij niet uit Curaçao is verwijderd;
veroordeelt verweerder om het bedrag van NAf 1.400,- (zegge: veertienhonderd gulden) aan verzoekster te betalen als gemachtigdensalaris;
draagt het Land op om het door verzoekster voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig gulden) aan haar te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter in het Gerecht, en bekend gemaakt op 30 april 2019 te Curaçao, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.
Tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.