Rechtspraak 2017-11-17
ECLI:NL:OGEAC:2017:170
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO BESCHIKKING in de zaak van: [verzoeker], wonende in Curaçao, verzoeker, gemachtigden: mrs. M.J. Eisden en M. van Oorsouw-Hofhuis, tegen de naamloze vennootschap Kompania di Distribushon di Awa i Elektrisidat di Korsou (KODELA) N.V., gevestigd in Curaçao, verweerster, gemachtigde: mr. L.N. Asjes. Partijen zullen hierna [verzoeker] en Aqualectra genoemd worden. 1 Het procesverloop 1.1. Verzoeker heeft op 30 juni 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. Op 5 en 12 september 2017 heeft verzoeker aanvullende producties ingediend. Op 7 september 2017 heeft verzoeker een akte wijziging eis ingediend. Op 13 september 2017 heeft verweerster producties ingediend. Het verzoek is behandeld op 14 september 2017. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden het woord gevoerd aan de hand van (een) door hen overgelegde verweerschrift c.q. pleitnotities. Partijen is aangezegd dat het Gerecht een beschikking zal geven. 1.2. De uitspraak is (nader) bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. 2.2. [ verzoeker] is op 1 september 2005 in dienst van Aqualectra getreden als Controleur UVW/OVW. 2.3. Laatstelijk was [verzoeker] werkzaam in de functie van Inspector Client Installations tegen een brutosalaris van NAf 5.634,= exclusief emolumenten. Verzoeker is en was lid van de vakbond. 2.4. Op de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] is de cao tussen Aqualectra en Sindikato di Trahadonan di Kodela (hierna te noemen: de cao) van toepassing. De laatste versie daarvan is de cao 2014-2017. 2.5. Ingevolge artikel 8 lid 8 sub a van de cao (welke artikel vanaf 2005 qua formulering gelijk is gebleven) eindigt het dienstverband van de werknemer die deelnemer is van de Vidanova pensioenregeling, op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, dan wel op de eerste dag van de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt indien hij tot het einde van dat jaar wenst door te werken (hierna te noemen: pensioenbeding). 2.6. Volgens de pensioenregeling van Vidanova is de pensioengerechtigde leeftijd 60 jaar. 2.7. Met ingang van 1 maart 2013 is de wettelijke pensioenleeftijd in de landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering verhoogd van 60 jaar naar 65 jaar. 2.8. Bij de cao personeel Aqualectra distribution 2014-2017 zijn partijen overeengekomen dat er, ter overbrugging van de verhoging van de AOV-pensioenleeftijd van 60 naar 65 jaar, een regeling zal worden getroffen voor een vorm van tegemoetkoming in de door de gepensioneerden te betalen AOV premie en de AOV uitkering in de jaren na pensionering conform de vigerende bedrijfspensioenregeling. 2.9. Bij verklaring van 10 juni 2015 heeft [verzoeker] Aqualectra bericht dat hij per 31 december 2016 aangemeld wenste te worden als pensioengerechtigde bij bij Vidanova. 2.10. Bij aangifte afbouwregeling ten behoeve van de aanstaande gepensioneerde van 25 januari 2016, heeft [verzoeker] verklaard dat hij vanaf 1 januari 2016 de maandag en vrijdag als arbeidsduurverkorting zal opnemen. Aqualectra is daarmee akkoord gegaan op 28 januari 2016. 2.11. Verzoeker heeft op 28 mei 2016 de leeftijd van 60 jaar bereikt. 2.12. Bij brief van 8 december 2016 heeft Aqualectra [verzoeker] bevestigd dat hij per 1 januari 2017 uit dienst zal treden wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. 2.13. Bij brief van 23 juni 2017 heeft de gemachtigde van verzoeker verzocht om hem weder te werk te stellen en loon door te betalen. 3 Het geschil 3.1. [ verzoeker] verzoekt het Gerecht, na wijziging van eis, om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: Primair Niet is betwist dat deze leeftijd in het pensioenregeling van Vidanova is bepaald op 60 jaar. Aldus is de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt voor partijen, na de door werknemer gemaakte keuze, bepaalbaar. 4.6. In artikel 34 lid 4 en 6 van voormelde cao is daarbij een overbruggingsregeling getroffen voor de door gepensioneerden te betalen AOV- en BVZ-premie en de AOV-uitkering in de jaren na pensionering conform de vigerende bedrijfspensioenregeling. Uitdrukkelijk is daarbij vermeld dat pensionering conform de vigerende bedrijfspensioenregeling op 60 jaar geschiedt. In het vijfde lid van voormeld artikel is afgesproken dat met ingang van 1 januari 2021 de pensioenleeftijd van het Aqualectra personeel geleidelijk doch in maximaal 3 jaar zou worden verhoogd tot de dan geldende AOV pensioenleeftijd. 4.7. Gelet op het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het de bond en diens achterban bij het sluiten van de cao 2014-2017 duidelijk was dat de pensioenleeftijd 60 jaar was en dat dit ook zo zou blijven tot uiterlijk het jaar 2024. Aldus is na de verhoging van de AOV leeftijd op 1 maart 2013 nog gekozen voor een pensioenleeftijd van 60 jaar. Gelet op de bewoordingen van lid 5 van artikel 34 van de cao, staat vast dat het uitgangspunt van partijen daarbij was dat de pensioenleeftijd een andere leeftijd was dan de AOV pensioenleeftijd. Verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd in diens betoog dat het pensioenbeding door partijen zo moet worden uitgelegd dat met de pensioengerechtigde leeftijd, de AOV leeftijd en eventuele wijzigingen daarop was bedoeld. De berichten van 10 juni 2015 en 25 januari 2016 van verzoeker dat hij per 31 december 2016 met pensioen wilde gaan en verzoekt om arbeidsduurverkorting per 1 januari 2016, bevestigen daarbij dat hij er van op de hoogte was dat de pensioengerechtigde leeftijd 60 jaar was. 4.8. Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het pensioenbeding tot discriminatie leidt op grond van leeftijd en derhalve in strijd is met artikel 3 van de Staatsregeling en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechte en Politieke Rechten. Het pensioenbeding is nietig, aldus verzoeker en derhalve de beëindiging van het dienstverband ook. 4.9. Niet ter discussie staat dat het verbod op leeftijdsdiscriminatie verboden is, tenzij sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. In dit geval heeft te gelden dat partijen zijn overeengekomen, zoals hiervoor is overwogen, dat het dienstverband eindigt op de eerste dag van de maand volgende op, dan wel de eerst dag van de maand januari volgend op, het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. Verzoeker heeft in dit verband bloot gesteld dat, nu de in het pensioenbeding bepaalde pensioenleeftijd onder de AOV-leeftijd ligt, geen sprake kan zijn van objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. 4.10. Van belang in deze is dat niet wordt betwist dat partijen een overbruggingsregeling zijn overeengekomen in de cao van 2014-2017 om de financiële nadelige gevolgen voor de werknemer die nu met 60 jaar met pensioen gaat terwijl eerst vanaf 65 jaar een AOV-uitkering wordt ontvangen, te compenseren. Weliswaar stelt verzoeker dat hij in inkomen achteruit is gegaan, maar van belang is daarbij dat door verzoeker niet is betwist dat hij eerst op 49-jarige leeftijd een bedrijfspensioen is gaan opbouwen. Het Gerecht houdt het er, gelet op het vorenstaande voor, dat de door verzoeker ervaren achteruitgang in inkomen te wijten is aan de (relatief) korte duur van de pensioenopbouw. Nu niet is betwist dat verzoeker momenteel hetzelfde ontvangt als hij zou hebben ontvangen als de AOV leeftijd ongewijzigd op 60 jaar was gebleven en nu verzoeker heeft nagelaten te onderbouwen waarom het gemaakte onderscheid, ondanks het vorenstaande, niet objectief gerechtvaardigd is, acht het Gerecht het gemaakte onderscheid op basis van leeftijd objectief gerechtvaardigd. 4.11. Voor zover het vorenstaande geen stand zou houden, overweegt h