Rechtspraak 2026-03-11
ECLI:NL:OGEABES:2026:51
Wet administratieve rechtspraak BES Uitspraakdatum: 11 maart 2026 Zaaknummer: SAB202500023 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA, ZITTINGSPLAATS SABA UITSPRAAK In het geding van: [eiser], wonende te Saba, eiser, gemachtigde: mr. G.B. SIMMONS-DE JONG, tegen DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE, verweerder, gemachtigde: mr. P.J. DE GRAAF. Procesverloop Bij beschikking van 4 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken. Eiser heeft bij proforma beroepschrift (met producties) van 23 juli 2025, ingediend ter griffie van het Gerecht op 30 juli 2025, tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld. Daarna zijn bij aanvullend beroepschrift (met producties) de gronden aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift (met producties) ingediend. Eiser heeft aanvullende producties (6 tot en met 13) ingediend. Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 januari 2026. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld van [naam echtgenoot] en bijgestaan door zijn gemachtigde (per videolink) voornoemd. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde (per videolink). Partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Uitspraak is (nader) bepaald op heden. Overwegingen Wat is relevant om te weten in deze zaak? 1.1. Eiser is op 22 april [geboortejaar] geboren te Colombia en heeft de Colombiaanse nationaliteit. 1.2. Eiser is op 12 november 2018 in het huwelijk getreden met [naam echtgenoot] (hierna: echtgenoot), die de Nederlandse nationaliteit bezit. In de periode daarna hebben eiser en zijn echtgenoot eerst in Nederland en daarna in Sint Eustatius gewoond. 1.3. Op 13 maart 2023 heeft eiser bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst Caribisch Nederland te Bonaire (hierna: de IND) een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning. Bij besluit van verweerder is aan eiser een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘ verblijf bij echtgenoot ’, geldig voor de periode van 10 juni 2023 tot en met 9 juni 2028. 1.4. Vanaf 2023 stonden eiser en zijn echtgenoot beiden op hetzelfde adres ingeschreven in de basisadministratie van Bonaire. Met ingang van 2024 staan zij beiden op hetzelfde adres ingeschreven in de basisadministratie van Saba. 1.5. Uit bij de IND bekende reisgegevens blijkt dat de echtgenoot in 2023 in totaal 28 dagen in Bonaire heeft verbleven, in 2024 in totaal 6 dagen in Saba en in 2025 1 dag in Saba. 1.6. Bij brief van 13 mei 2025 heeft de IND aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om de aan hem verleende verblijfsvergunning in te trekken, op de grond dat geen sprake zou zijn van feitelijke samenwoning tussen eiser en zijn echtgenoot. 1.7. Bij brief van 19 mei 2025 heeft eiser een zienswijze ingediend naar aanleiding van dit voornemen. Op 3 juli 2025 is eiser in het kader van dit voornemen gehoord. De inhoud van de bestreden beschikking 2. Verweerder heeft aan eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’. Op grond van de bij verweerder bekende reisgegevens van de echtgenoot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van feitelijke samenwoning tussen eiser en zijn echtgenoot, noch van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Daarmee voldoet eiser volgens verweerder niet aan de aan de verleende verblijfsvergunning verbonden voorwaarde en evenmin aan de voorwaarde van artikel 5.10, sub b, van het Besluit toelating en uitzetting BES (hierna: Btu BES). Verweerder heeft bij zijn beoordeling de door eiser naar gebrachte omstandigheden betrokken, inhoudende dat de echtgenoot wegens werkzaamheden woonachtig is in Sint Maarten, dat het hem niet is gelukt om werkzaamheden op Saba te verkrijgen alsmede de intentie van eiser en de echtgenoot om zich in de toekomst gezamenlijk op Saba te vestigen. Verweerder heeft bij de beoordeling echter ook betrokken dat eiser, zoals uit het hoorgesprek is gebleken, werkzaam Het Gerecht stelt voorop dat de verblijfsvergunning aan eiser is verleend onder de beperkende voorwaarde ‘verblijf bij echtgenoot’. Gelet op het bepaalde in artikel 5.13 van het Btu BES en hetgeen hierover is opgenomen in de Circulaire, dient deze voorwaarde aldus te worden uitgelegd dat de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen én een gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze vereisten zijn cumulatief, zodat het ontbreken van één van beide reeds meebrengt dat niet (langer) aan de aan de vergunning verbonden voorwaarde wordt voldaan. 5.2. Het Gerecht overweegt voorts dat onder samenwonen in vorenbedoelde zin dient te worden verstaan het hebben van het feitelijk hoofdverblijf in dezelfde woning. Doorslaggevend is waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven van betrokkenen bevindt. De enkele inschrijving op een adres is daarbij niet bepalend; beslissend zijn de feitelijke omstandigheden van het geval. 5.3. Niet in geschil is dat eiser sinds 2023 zijn hoofdverblijf had in Bonaire en sinds 2024 in Saba. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de echtgenoot vanaf 2023 overwegend in het buitenland verbleef. De overgelegde gegevens over zijn reisbewegingen tonen aan dat hij in de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking slechts incidenteel in Bonaire en Saba aanwezig was. Daarbij betrekt het Gerecht dat de echtgenoot in 2024 slechts zes dagen in Saba heeft verbleven en in 2025, tot aan de datum van de bestreden beschikking, slechts één dag. Gelet op de duur, de frequentie en het structurele karakter van zijn verblijf buiten Bonaire en Saba, is het Gerecht van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de echtgenoot niet (langer) was gelegen op het adres van eiser. Dat tussen eiser en de echtgenoot nog steeds sprake is van een huwelijk en een affectieve relatie, en dat zij in zekere mate financieel met elkaar zijn verweven, maakt dit niet anders. Deze omstandigheden zijn op zichzelf onvoldoende om feitelijk samenwonen in de zin van artikel 5.13 van het Btu BES aan te nemen. 5.4. Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking niet langer werd voldaan aan de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking ‘verblijf bij echtgenoot’. Nu niet is gebleken dat eiser en de echtgenoot hun feitelijk hoofdverblijf deelden, was geen sprake van samenwonen in de zin van artikel 5.13 van het Btu BES. 5.5. Nu eiser niet langer voldeed aan de aan zijn vergunning verbonden beperking, was verweerder gelet op het bepaalde in artikel 14, aanhef en onder e, van de Wtu BES bevoegd tot intrekking van de verblijfsvergunning over te gaan. Beroep op vertrouwensbeginsel? 6. Eiser heeft zich beroepen op het vertrouwensbeginsel en daartoe aangevoerd dat hij en zijn echtgenoot zich, op advies van de IND, in Saba hebben gevestigd. Het Gerecht overweegt dat uit de door eiser overgelegde correspondentie geenszins blijkt van een toezegging dan wel van een concreet advies over de vestiging in Saba in verband met (het behoud van) de verblijfsvergunning. Daar komt bij dat, zoals hiervoor is overwogen, niet is gebleken dat eiser en zijn echtgenoot zich beiden daadwerkelijk en duurzaam gezamenlijk in Saba hebben gevestigd. Het betoog van eiser slaagt derhalve niet. Kon verweerder in redelijkheid tot intrekking van de verblijfsvergunning overgaan? 7.1. Eiser heeft aangevoerd dat het langdurige verblijf van zijn echtgenoot in het buitenland het gevolg is van externe omstandigheden, in het bijzonder diens werkzaamheden, en dat op Saba onvoldoende mogelijkheden bestaan om in het levensonderhoud te voorzien. Volgens eiser is de afwezigheid van zijn echtgenoot weliswaar langdurig, maar tijdelijk van aard. Voorts heeft eiser gewezen op de ingrijpende gevolgen van intrekking van zijn verblijfsvergunning, waaronder de noodzaak terug te keren naar Col