Rechtspraak 2026-08-19
ECLI:NL:OGEABES:2026:203
Een bouwbedrijf stelt dat zij slachtoffer is geworden van fraude en dat in drie jaar tijd geld aan haar onderneming is onttrokken. Op instructie van een medewerker van het bouwbedrijf is geld overgeschreven naar een accountantskantoor. Op instructie van dezelfde medewerker heeft het accountantskantoor het geld overgedragen aan de betreffende medewerker zelf, haar onderneming en haar levenspartner. Het Gerecht komt tot de conclusie dat de medeweker en haar onderneming onrechtmatig hebben gehandeld door het geld aan het bouwbedrijf te onttrekken. De levenspartner van de medewerker is ongerechtvaardigd verrijkt. Het accountantskantoor en haar bestuurder hebben hun zorgplicht geschonden. De vorderingen tot schadevergoeding worden grotendeels toegewezen. Het accountantskantoor en haar bestuurder hebben de medewerker, haar onderneming en de levenspartner van de medewerker in vrijwaring opgeroepen. De vordering in vrijwaring wordt afgewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van onrechtmatig handelen tegenover het accountantskantoor. GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire datum beslissing: 19 augustus 2026 in de hoofdzaak met registratienummer BON202400396 van J.V. CONSTRUCTION B.V. , gevestigd op Bonaire, eisende partij, hierna te noemen: JV Construction, gemachtigden: mrs. A. Schennink en J.R. Kanhai, tegen 1 ACCOUNTANCY & TAX PARTNERS B.V., gevestigd op Bonaire, hierna: ATP, 2. [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaringszaak] wonend op Bonaire, hierna: [bestuurder ATP], hierna gezamenlijk te noemen: ATP c.s., gedaagde partijen, gemachtigde: mr. G. de Hoogd, en 3 [gedaagde in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 1], wonend op Bonaire, hierna: [bestuurder Vania 1], 4. VANIA CAR RENTALS B.V. , gevestigd op Bonaire, hierna: Vania, 5. [gedaagde in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 2] , wonend op Bonaire, hierna: [bestuurder Vania 2], hierna gezamenlijk te noemen: Vania c.s., gedaagde partijen, gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas, en in de vrijwaringszaak met zaaknummer BON2025I00001 van 1 ACCOUNTANCY & TAX PARTNERS B.V., gevestigd op Bonaire, 2. [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in de vrijwaringszaak] , wonend op Bonaire, eisende partijen in de vrijwaringszaak, gemachtigde: mr. G. de Hoogd, tegen 1 [gedaagde in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 1], wonend op Bonaire, 2. VANIA CAR RENTALS B.V. , gevestigd op Bonaire, 3. [gedaagde in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 2] , wonend op Bonaire, gedaagde partijen in de vrijwaringszaak, gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Op 26 november 2025 is vonnis gewezen in een incident tot tussenkomst. Na dit vonnis zijn de volgende processtukken ingediend: de akte overlegging producties 31 tot en met 47 van JV Construction; de akte uitlating producties van ATP c.s. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 mei 2026. Namens JV Construction is de heer [directeur JV Construction] (directeur) verschenen, bijgestaan door mrs. Schennink en Kanhai. [bestuurder ATP] is voor zichzelf en namens ATP verschenen, bijgestaan door mr. De Hoogd. [bestuurder Vania 1] is voor zichzelf en namens Vania verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. De spreekaantekeningen die mr. Schennink heeft voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is. 1.3. Ten slotte is bepaald dat op 24 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan. Die datum is niet gehaald. Daarom wordt het vonnis vandaag uitgesproken. 2 De kern van het geschil 2.1. JV Construction vindt dat zij slachtoffer is geworden van een door ATP c.s. en Vania c.s. opgezette fraude. JV Construction heeft in drie jaar tijd geld overgeschreven naar de bankrekening van ATP. Uit de betaalomschrijvingen van die overschrijvingen blijkt dat het geld overgeschreven is voor het betalen van belasting. [bestuurder ATP] heeft het geld vervolgens doorbetaald aan [bestuurder Vania 1], [bestuurder Vania 2] en Vania. JV Construction stelt dat zij daardoor schade heeft geleden. Primair vindt JV Construction dat ATP c.s. en Vania c.s. in groepsverband onrechtmatig tegenover haar hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor haar schade. Subsidiair vindt JV Construction dat de verschillende gedaagde partijen individueel aansprakelijk zijn voor haar schade. Meer subsidiair meent JV Construction dat Vania en [bestuurder Vania 2] zich ten koste van haar ongerechtvaardigd hebben verrijkt. 2.2. Het Gerecht zal oordelen dat ATP c.s., [bestuurder Vania 1] en Vania onrechtmatig tegenover JV Construction hebben gehandeld. [bestuurder Vania 2] is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van JV Construction. ATP c.s. en [bestuurder Vania 1] zijn aansprakelijk voor de volledige schade van JV Construction. [bestuurder Vania 2] en Vania zijn aansprakelijk voor een deel van de schade van JV Construction. 2.3. ATP c.s. heeft Vania c.s. in vrijwaring opgeroepen. Als ATP c.s. in de hoofdzaak ergens toe veroordeeld wordt, wil zij dat op Vania c.s. kunnen verhalen omdat zij vindt dat Vania c.s. uiteindelijk verantwoordelijk is. De vordering in vrijwaring wordt afgewezen, omdat ATP c.s. onvoldoende heeft onderbouwd waarom Vania c.s. tegenover ATP c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. 3 De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 3.1. JV Construction is een bouwbedrijf dat zich bezighoudt met algemene burgerlijke en utiliteitsbouw. De eigenaar en enig bestuurder van JV Construction was de heer [voormalig eigenaar JV Construction] (hierna: [voormalig eigenaar JV Construction]). [voormalig eigenaar JV Construction] is op 25 oktober 2022 overleden. Sinds 24 februari 2023 is de heer [directeur JV Construction], de zoon van [voormalig eigenaar JV Construction], enig bestuurder van JV Construction. 3.2. ATP is een accountants- en administratiekantoor. [bestuurder ATP] is accountant en enig bestuurder van ATP. 3.3. Vania is een autoverhuurbedrijf dat tevens handelt onder de naam [handelsnaam Vania]. Vania is op 5 mei 2017 opgericht door [bestuurder Vania 1], die sindsdien ook haar bestuurder is. Op 23 april 2020 is [bestuurder Vania 2], de levenspartner van [bestuurder Vania 1], ook bestuurder geworden van Vania. 3.4. [ bestuurder Vania 1] heeft in de periode van 2012 tot en met 2022 als administratrice werkzaamheden voor JV Construction verricht. [bestuurder Vania 1] deed onder meer de boekhouding van JV Construction en verzorgde de aangiftes voor de algemene bestedingsbelasting (hierna: ABB) en loonbelasting (hierna: LB). Na verloop van tijd werd [bestuurder Vania 1] de rechterhand van [voormalig eigenaar JV Construction]. In het procesdossier bevindt zich een op 11 augustus 2020 gedateerd document waarin staat: “ MACHTIGING Hierbij verklaart [voormalig eigenaar JV Construction], dat hij [bestuurder Vania 1], werkzaam bij J.V. Construction B.V., machtigt opdat die: Hem te vertegenwoordigen bij onderhandelingen, besluiten, uitvoeren en verantwoorden, zulks met de macht van substitutie van het bedrijf J.V. Construction B.V. (…).” 3.5. Op 10 juni 2019 heeft [bestuurder ATP] namens ATP een offerte uitgebracht aan JV Construction voor het doen van de “financiële- en salarisadministratie, de samenstelling van de jaarrekening, fiscale aangelegenheden en disposities bij de bank ”. De offerte is niet door JV Construction ondertekend en geretourneerd aan ATP. 3.6. [ bestuurder ATP] stuurt namens ATP op 2 maart 2020 een brief aan JV Construction. In die brief staat onder meer het volgende: “(…) De offerte van vorig jaar is niet ondertekend en geretourneerd. Zolang deze niet is ondertekend, kunnen wij de werkzaamheden zoals genoemd in de offerte, niet aanvangen. Ook is de machtiging om uw belastingzaken te regelen niet ondertekend en geretourneerd. Ondanks het bovengenoemde, worden bedragen op rekening van Accountancy & Tax Partners B.V. gestort, terwijl u weet dat wij de loonadministratie niet verzorgen noch houden wij de boekhouding bij, zodat wij in staat zijn de ABB aangifte te doen. Langs deze weg, geven wij u te kennen, dat wij geen enkele verantwoordelijkheid dragen voor de inkomende geldstromen van uw zijde. (…)” 3.7. Op 20 maart 2020 stuurt [bestuurder Vania 1] een brief aan ATP. In die brief staat onder meer: “(…) Als gemachtigde van JV Construction, heb ik je brief van 2 maart 2020 doorgenomen met [voormalig eigenaar JV Construction]. Hij is van plan de administratie bij jullie onder te brengen. Hij zegt dat het daarom niet zoveel uitmaakt dat de betalingen naar je kantoor gaan. Hij geeft toestemming om de bedragen naar mij te storten totdat ATP de administratie gaat doen. De offerte en machtiging voor belastingdienst gaat [voormalig eigenaar JV Construction] ondertekenen en daarna ga ik het voor je brengen. (…)” . 3.8. Op 14 januari 2021 heeft ATP een factuur met de titel ‘voorschotnota’ aan JV Construction gestuurd voor een bedrag van USD 9.587,70. In de factuur staat dat het bedrag betrekking heeft op “het nog verwerken van de administratie en aan de hand hiervan nog samen te stellen jaarrekeningen over de boekjaren 2018, 2019 en 2020” . 3.9. JV Construction heeft op instructie van [bestuurder Vania 1] in 2020 een bedrag van USD 70.549,00, in 2021 een bedrag van USD 141.848,60 en in 2022 een bedrag van USD 127.104,00 overgeschreven naar de bankrekening van ATP. 3.10. ATP c.s. heeft op instructie van [bestuurder Vania 1] een groot deel van de betalingen die zij in de periode van 2020 tot en met 2022 van JV Construction heeft ontvangen doorbetaald aan [bestuurder Vania 1], Vania en [bestuurder Vania 2]. In 2020 en 2021 is een bedrag van in totaal USD 78.903,00 in contanten opgenomen en overhandigd aan [bestuurder Vania 1]. In 2021 en 2022 is een bedrag van in totaal USD 157.650,00 (USD 55.968,00 + USD 101.682,00) door ATP c.s. overgeschreven naar de bankrekening van Vania en een bedrag van in totaal USD 83.302,60 (USD 62.880,60 + USD 20.422,00) naar de bankrekening van [bestuurder Vania 2]. Een bedrag van USD 13.120,00 is achtergebleven op de bankrekening van ATP. 3.11. In de eerste helft van 2023 heeft ATP, na een daartoe door JV Construction gegeven opdracht, de jaarrekeningen van JV Construction over de jaren 2018 tot en met 2022 opgesteld. 3.12. Op 11 mei 2023 heeft Belastingdienst Caribisch Nederland (hierna: de Belastingdienst) een boekenonderzoek bij JV Construction afgerond en een onderzoeksrapport opgesteld. In het onderzoeksrapport staat dat JV Construction over de jaren 2018 tot en met 2022 te weinig ABB en LB heeft aangegeven en afgedragen. Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft de Belastingdienst op 15 juli 2023 een naheffingsaanslag ABB opgelegd van USD 388.028,00 en een naheffingsaanslag LB van USD 122.361,00. 3.13. Op 12 juli 2024 is door dit Gerecht vonnis gewezen in een kort gedingprocedure die is aangespannen door JV Construction tegen ATP c.s., Vania en [bestuurder Vania 1]. In die procedure heeft JV Construction – kort gezegd – afschrift van documenten gevorderd en voorschot op schadevergoeding. De vordering tot het verstrekken van afschrift van documenten is afgewezen. De vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen. Het Gerecht is tot de voorlopige conclusie gekomen dat [bestuurder Vania 1] en Vania onrechtmatig hebben gehandeld door het verduisteren van aan JV Construction toekomende gelden. Verder heeft het Gerecht overwogen dat ATP en [bestuurder ATP] een rol hierin hebben gehad, mogelijk onbewust en zonder dat het hen iets heeft opgeleverd, maar dat zij beter hadden moeten weten. ATP c.s., Vania en [bestuurder Vania 1] zijn hoofdelijk veroordeeld om een voorschot op schadevergoeding te betalen, waarbij de vergoedingsplicht van ATP c.s. is beperkt tot 50% vanwege eigen schuld van JV Construction. 3.14. De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD) heeft onderzoek gedaan naar het handelen van JV Construction, [bestuurder Vania 1], Vania, [bestuurder ATP] en ATP. Daarvan zijn verschillende processen-verbaal opgesteld die door JV Construction als productie zijn overgelegd. De strafrechtelijke procedure is op dit moment nog niet afgerond. 4 Het geschil in de hoofdzaak 4.1. JV Construction vordert – kort gezegd - dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: Primair I. voor recht verklaart dat ATP c.s. en Vania c.s. als groep onrechtmatig tegenover JV Construction hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan geleden schade en hen veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 341.981,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2023; Subsidiair II. voor recht verklaart dat [bestuurder Vania 1] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met JV Construction, althans onrechtmatig heeft gehandeld tegenover JV Construction en haar veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 341.981,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2023; III. voor recht verklaart dat Vania, [bestuurder Vania 2], ATP en [bestuurder ATP] onrechtmatig tegenover JV Construction hebben gehandeld en hen veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 341.981,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2023; Meer subsidiair IV. voor recht verklaart dat Vania ongerechtvaardigd is verrijkt en haar veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 236.553,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2023; V. voor recht verklaart dat [bestuurder Vania 2] ongerechtvaardigd is verrijkt en hem veroordeelt tot betaling van een bedrag van USD 83.302,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2023; Primair, subsidiair en meer subsidiair VI. ATP c.s. en Vania c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2023; VII. ATP c.s. en Vania c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten en beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift. in de vrijwaringszaak 4.2. In de incidentele conclusie tot vrijwaring van ATP c.s. staat geen duidelijke eis vermeld. In het vonnis in het vrijwaringsincident van 5 maart 2025 heeft het Gerecht de vordering van ATP c.s. zo begrepen dat zij vordert dat [bestuurder Vania 1], Vania en [bestuurder Vania 2] worden veroordeeld tot betaling van al hetgeen ATP en [bestuurder ATP] op grond van het vonnis in de hoofdzaak aan JV Construction moeten betalen. 5 De beoordeling in de hoofdzaak 5.1. JV Construction legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij slachtoffer is geworden van een door ATP c.s. en Vania c.s. gezamenlijk opgezette fraude en dat zij voor een bedrag van in totaal USD 341.981,60 schade heeft geleden doordat dit bedrag aan haar onderneming is onttrokken. JV Construction vordert dat ATP c.s. en Vania c.s. hoofdelijk worden veroordeeld de door haar geleden schade aan haar te vergoeden. 5.2. JV Construction baseert haar vorderingen op verschillende grondslagen. Primair stelt JV Construction dat Vania c.s. en ATP c.s. in groepsverband onrechtmatig tegenover haar hebben gehandeld. Subsidiair stelt JV Construction zich op het standpunt dat [bestuurder Vania 1], Vania, [bestuurder Vania 2], ATP en [bestuurder ATP] individueel aansprakelijk zijn voor haar schade: [bestuurder Vania 1] omdat zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomst van opdracht met JV Construction en [bestuurder Vania 1], Vania, [bestuurder Vania 2], ATP en [bestuurder ATP] omdat zij ieder voor zich onrechtmatig hebben gehandeld jegens JV Construction. Meer subsidiair stelt JV Construction dat Vania en [bestuurder Vania 2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt. Hierna zal eerst de hoogte van de vordering van JV Construction besproken worden. Vervolgens zullen de individuele aansprakelijkheden van de verschillende partijen worden beoordeeld. Daarna zal beoordeeld worden of sprake is van onrechtmatig handelen in groepsverband. De hoogte van de vordering van JV Construction 5.3. JV Construction stelt dat zij over de jaren 2020 tot en met 2022 een bedrag van USD 341.981,60 aan ATP heeft betaald en dat dit bedrag onrechtmatig aan haar onderneming is onttrokken. Het is niet duidelijk hoe JV Construction dit bedrag heeft opgebouwd. In haar verzoekschrift heeft JV Construction overzichten opgenomen waaruit volgt dat in het jaar 2020 een bedrag van USD 70.549,00 is overgemaakt aan ATP, in 2021 een bedrag van USD 141.848,60 en in 2022 een bedrag van USD 127.104,00. ATP c.s. voert terecht aan dat die bedragen bij elkaar opgeteld een totaalbedrag van USD 339.501,60 opleveren. In de akte overlegging (nadere) producties stelt JV Construction weliswaar dat met de overgelegde producties uit het strafdossier wordt onderbouwd dat zij in de periode 2020-2022 in totaal USD 341.981,60 onder het etiket ‘ABB/LB’ aan ATP heeft betaald, maar zij heeft niet toegelicht hoe dit is opgebouwd en hoe dit zich verhoudt met de overzichten in haar verzoekschrift. Het Gerecht gaat daarom uit van de juistheid van het hiervoor genoemde totaalbedrag dat JV Construction onder deze noemer aan ATP heeft betaald (USD 339.501,60). De vordering van JV Construction kan dus niet hoger zijn dan dit bedrag. De betalingen van JV Construction via ATP aan [bestuurder Vania 1] 5.4. In 2020 heeft JV Construction via verschillende bankoverschrijvingen op instructie van [bestuurder Vania 1] een totaalbedrag van USD 70.549,00 overgemaakt naar de bankrekening van ATP. Begin 2021 heeft zij nog eens USD 8.680,00 naar ATP overgemaakt. Uit de betaalomschrijvingen volgt dat dit geld bedoeld was voor het betalen van ABB en LB. [bestuurder ATP] heeft de overgeschreven bedragen (op USD 326,00 na, in totaal USD 78.903,00) contant opgenomen van de bankrekening van ATP en tegen kwitanties aan [bestuurder Vania 1] overhandigd. 5.5. [ bestuurder Vania 1] voert aan dat zij het ontvangen bedrag van USD 78.903,00 contant aan [voormalig eigenaar JV Construction] heeft overhandigd. Volgens [bestuurder Vania 1] betaalde [voormalig eigenaar JV Construction] het personeel van JV Construction contant uit en had [voormalig eigenaar JV Construction] behoefte aan extra contant geld voor de aankoop van twee huizen. Op de mondelinge behandeling heeft [bestuurder Vania 1] verklaard dat er een bespreking op het kantoor van ATP heeft plaatsgevonden tussen [bestuurder Vania 1], [voormalig eigenaar JV Construction], [bestuurder ATP], de heer [bestuurder ATP] (de zoon van [bestuurder ATP], hierna: [zoon bestuurder ATP]) en de heer [medewerker ATP] (een medewerker van ATP, hierna: [medewerker ATP]), waarbij het plan is bedacht om [voormalig eigenaar JV Construction] van contant geld te voorzien door dit via de bankrekening van ATP aan JV Construction te onttrekken. 5.6. Het staat vast dat het bedrag van USD 78.903,00 niet gebruikt is voor het betalen van ABB of LB. Van de door [bestuurder Vania 1] gestelde reden waarom [voormalig eigenaar JV Construction] contant geld nodig had ontbreekt iedere onderbouwing. Daarnaast ontbreekt iedere onderbouwing van haar stelling over de bespreking op het kantoor van ATP en het plan om [voormalig eigenaar JV Construction] van contant geld uit JV Construction te voorzien. Door ATP c.s. zijn schriftelijke verklaringen van [zoon bestuurder ATP] en [medewerker ATP] overgelegd, maar over een plan om [voormalig eigenaar JV Construction] van contant geld te voorzien hebben zij niets verklaard. Daarnaast valt op dat [bestuurder Vania 1] in de conclusie van antwoord slechts aanvoerde dat zij informatie heeft dat [voormalig eigenaar JV Construction] het geld volledig heeft aangewend voor persoonlijke aangelegenheden waaronder de aankoop/bouw van een perceel/woning, wat afwijkt van haar huidige verklaring. [bestuurder Vania 1] heeft ook overigens geen plausibele uitleg gegeven waarom het nodig zou zijn dat geld van JV Construction naar de bankrekening van ATP wordt overgemaakt, om door [bestuurder ATP] contant te worden opgenomen en overhandigd aan [bestuurder Vania 1] en vervolgens door haar te worden doorgegeven aan [voormalig eigenaar JV Construction]. 5.7. Gelet op het voorgaande heeft [bestuurder Vania 1] de stelling van JV Construction dat het bedrag van USD 78.903,00 op onrechtmatige wijze aan het vermogen van JV Construction is onttrokken onvoldoende gemotiveerd betwist. Aan bewijslevering komt het Gerecht dus niet toe. Zoals vermeld heeft dit handelen plaatsgevonden op instructie van [bestuurder Vania 1]. Zij is ook degene die het geld heeft ontvangen. Zij heeft hiermee onrechtmatig gehandeld jegens JV Construction. De schade die JV Construction als gevolg daarvan heeft geleden, staat gelijk aan het onttrokken bedrag. [bestuurder Vania 1] is dan ook verplicht om het bedrag van USD 78.903,00 aan JV Construction te vergoeden. De vordering tegen haar is dus in elk geval toewijsbaar tot dit bedrag. 5.8. Gesteld noch gebleken is dat Vania en [bestuurder Vania 2] hierbij waren betrokken. Van (persoonlijk) onrechtmatig handelen van hun kant is hierbij dan ook geen sprake geweest. De vordering tegen hen is in zoverre dus niet toewijsbaar. De overige betalingen van JV Construction via ATP 5.9. Zoals vermeld onder 3.9, heeft JV Construction op instructie van [bestuurder Vania 1] in 2021 in totaal USD 141.848,60 en in 2022 in totaal USD 127.104,00 overgeschreven naar de bankrekening van ATP. De USD 8.680,00 die daarvan is doorbetaald aan [bestuurder Vania 1] is hiervoor al besproken. Van het resterende bedrag is een groot deel doorbetaald aan Vania en [bestuurder Vania 2] en een gedeelte bij ATP achtergebleven. Dat wordt hierna besproken. - De betalingen van JV Construction via ATP aan Vania 5.10. Van de bedragen die ATP van JV Construction heeft ontvangen, heeft ATP op instructie van [bestuurder Vania 1] in 2021 een bedrag van in totaal USD 55.968,00 en in 2022 een bedrag van in totaal USD 101.682,00 overgeschreven naar de bankrekening van Vania. Ook deze bedragen zijn dus niet direct naar de Belastingdienst overgemaakt voor de betaling van belastingen van JV Construction, waarvoor de gelden volgens de betalingsomschrijvingen waren bestemd. 5.11. Vania voert aan dat zij een deel van de bedragen die zij van ATP in 2021 en 2022 ontving wel heeft overgeschreven naar de Belastingdienst om ten behoeve van JV Construction belasting te betalen. Daarover zal later in dit vonnis worden geoordeeld. Een bedrag van USD 123.639,16 heeft Vania gehouden, naar zij stelt als vergoeding voor door JV Construction via Vania ingehuurd personeel. Vania stelt zich op het standpunt dat zij verschillende personeelsleden die bij haar in dienst waren heeft gedetacheerd bij JV Construction. Ter onderbouwing hiervan verwijst Vania naar facturen van [handelsnaam Vania] BV aan JV Construction over de periode 1 februari 2021 tot en met 29 juli 2022, met als omschrijving “Renta de personal” . Daarnaast heeft Vania vier verklaringen in het geding gebracht van werknemers die hebben verklaard dat zij in 2021 en 2022 werkzaamheden voor JV Construction hebben verricht. Tot slot heeft Vania een verzamelloonstaat overgelegd waaruit blijkt dat een deel van de vier werknemers die een verklaring hebben afgelegd in die periode op de verzamelloonstaat van Vania stond. 5.12. JV Construction heeft weersproken dat zij personeel heeft ingehuurd van Vania en heeft betoogd dat de facturen waar Vania een beroep op doet spookfacturen zijn. Ter onderbouwing heeft zij een proces-verbaal van de FIOD overgelegd van het digitaal onderzoek op de laptop van Vania naar de betreffende facturen. In haar rapport van 12 november 2024 concludeert de FIOD dat alle facturen op 16 april 2024 in een tijdsbestek van iets meer dan twee uur zijn aangemaakt. Op de mondelinge behandeling zijn de conclusies van de FIOD aan [bestuurder Vania 1] voorgehouden. [bestuurder Vania 1] heeft verklaard dat zij over een verouderde laptop beschikte en zij al haar facturen op een USB-stick heeft gekopieerd en dat zij de facturen vervolgens vanaf de USB-stick op haar nieuwe laptop heeft overgezet. Hoewel dat mogelijk zou kunnen verklaren dat alle facturen dezelfde aanmaakdatum hebben, verklaart dat niet dat de facturen in een tijdsbestek van iets meer dan twee uur zijn aangemaakt. Als de facturen gekopieerd zouden zijn van een USB-stick, zou het tijdstip van het digitale bestand hoogstens enkele seconden uit elkaar moeten liggen omdat het kopiëren van bestanden heel snel gaat, aldus de FIOD in haar rapportage. Dit is [bestuurder Vania 1] op de mondelinge behandeling voorgehouden, maar zij had hiervoor geen verklaring. Naast de bevindingen over de aanmaakdata en tijdstippen van de digitale bestanden, heeft de FIOD geconstateerd dat verschillende factuurnummers van de facturen aan JV Construction door Vania ook gebruikt zijn voor facturen aan andere klanten van Vania. Van die klanten heeft Vania onder vermelding van die factuurnummers betalingen op haar bankrekening ontvangen. Voor het gebruik van dubbele factuurnummers heeft [bestuurder Vania 1] geen verklaring gegeven. Tot slot is onbetwist dat de betreffende facturen niet in de administratie van JV Construction voorkomen. Gelet op dit alles moet het ervoor worden gehouden dat de facturen pas achteraf zijn opgesteld om de betalingen aan Vania te verantwoorden. Nu ook geen enkele specificatie is gegeven van de in rekening gebrachte bedragen - niet is vermeld welke werknemers zijn ingezet en wanneer, hoeveel uren zijn gemaakt en welk tarief is gehanteerd - bieden de facturen geen grondslag om aan te kunnen nemen dat Vania recht had op het ontvangen bedrag. 5.13. De verklaringen van medewerkers waarop Vania zich verder beroept, zijn identiek en buitengewoon summier. Daartegenover staan verklaringen van medewerkers van JV Construction die in 2021 en 2022 werkzaam waren voor JV Construction . Zij verklaren consequent tegenover de FIOD dat zij de medewerkers die voor Vania een verklaring hebben afgelegd niet kennen. Bovendien komen de vermeende werknemers van Vania niet voor op de verzamelloonstaat 2021 van Vania en slechts twee van de vier medewerkers komen voor op de verzamelloonstaat 2022 van Vania. Vania heeft daarvoor geen verklaring gegeven. Ook hiermee wordt het standpunt van Vania dus niet genoegzaam onderbouwd. 5.14. Vania heeft ook nog aangevoerd dat een deel van het bedrag van USD 123.639,16 betrekking heeft op de werkzaamheden van [bestuurder Vania 1] als administratrice van JV Construction. Hoewel niet in geschil is dat [bestuurder Vania 1] werkzaamheden voor JV Construction heeft verricht, is het niet duidelijk hoeveel uur zij voor JV Construction heeft gewerkt en wat het uurtarief is dat zij bij JV Construction in rekening mocht brengen. Facturen voor de werkzaamheden van [bestuurder Vania 1] voor JV Construction zijn niet overgelegd. Op de mondelinge behandeling heeft [bestuurder Vania 1] verklaard dat het aantal uur dat zij voor JV Construction werkte iedere week verschilde. 5.15. Omdat Vania geen goede uitleg heeft gegeven over het bedrag van USD 123.639,16 dat zij via ATP van JV Construction heeft ontvangen, heeft zij de stelling dat het bedrag op onrechtmatige wijze aan het vermogen van JV Construction is onttrokken onvoldoende gemotiveerd betwist. Aan bewijslevering komt het Gerecht hierbij niet toe. De schade die JV Construction op dit punt heeft geleden, staat gelijk aan het onttrokken bedrag, verminderd met het bedrag dat Vania aan belastingen voor JV Construction heeft betaald (zie hierna). Vania is dan ook verplicht om het verschil aan JV Construction te vergoeden. De vordering tegen haar is dus tot zover toewijsbaar. 5.16. Het is niet in geschil dat de bedragen op instructie van [bestuurder Vania 1], één van de bestuurders van Vania, door ATP aan Vania werden doorbetaald. [bestuurder Vania 1] bepaalde ook de geldstromen binnen Vania. Daarom is [bestuurder Vania 1] ook aansprakelijk voor het bedrag dat via de bankrekening van Vania onrechtmatig aan JV Construction is onttrokken. 5.17. JV Construction stelt dat [bestuurder Vania 2] ook individueel aansprakelijk is voor het geld dat via de bankrekening van Vania is onttrokken, omdat hij als bestuurder van Vania bekend had behoren te zijn met de geldstromen binnen Vania. Daarin wordt JV Construction niet gevolgd. Het enkele feit dat [bestuurder Vania 2] als bestuurder op de hoogte had moeten zijn van de geldstromen binnen Vania is onvoldoende om aan te nemen dat hij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover JV Construction. Dat geldt te meer omdat het geld op de bankrekening van Vania niet afkomstig was van JV Construction, maar van de bankrekening van ATP. - De betalingen van JV Construction via ATP aan [bestuurder Vania 2] 5.18. Van de bedragen die ATP van JV Construction heeft ontvangen, heeft ATP op instructie van [bestuurder Vania 1] in 2021 een bedrag van in totaal USD 62.880,60 en in 2022 een bedrag van in totaal USD 20.422,00 overgeschreven naar de bankrekening van [bestuurder Vania 2]. Ook deze bedragen zijn dus niet direct naar de Belastingdienst overgemaakt voor de betaling van belastingen van JV Construction. 5.19. [ bestuurder Vania 2] voert aan dat hij het gehele bedrag van USD 83.302,60 contant heeft opgenomen en aan [bestuurder Vania 1] heeft afgegeven. [bestuurder Vania 1] zou van dit bedrag USD 5.000,00 contant aan [voormalig eigenaar JV Construction] hebben gegeven en de rest van het bedrag hebben aangewend voor de betaling van de facturen van Vania aan JV Construction. 5.20. JV Construction heeft [bestuurder Vania 2] primair aangesproken op grond van onrechtmatige daad en subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Het Gerecht zal de subsidiaire grondslag eerst bespreken. 5.21. Op de eigen verklaring van [bestuurder Vania 2] na blijkt nergens uit dat hij het bedrag van USD 83.302,60 contant heeft opgenomen en aan [bestuurder Vania 1] heeft afgegeven. Een bankoverzicht van pintransacties is niet overgelegd. En ook als wordt aangenomen dat [bestuurder Vania 2] het bedrag aan [bestuurder Vania 1] heeft afgegeven, blijkt nergens uit dat zij een deel ervan aan [voormalig eigenaar JV Construction] heeft gegeven en de rest voor de betaling van facturen van Vania aan JV Construction heeft gebruikt. Dat Vania recht had op het geld, valt evenmin aan te nemen, gelet op hetgeen hiervoor (onder 5.13-5.15) over de facturen van Vania is overwogen. Een verklaring waarom het nodig zou zijn dat geld van JV Construction via de bankrekeningen van ATP en [bestuurder Vania 2] contant werd opgenomen om dit vervolgens aan [voormalig eigenaar JV Construction] te overhandigen en voor de betaling van facturen van Vania te gebruiken, heeft [bestuurder Vania 2] ook niet gegeven. Gelet op dit alles heeft [bestuurder Vania 2] de stelling van JV Construction dat hij door de betalingen ongerechtvaardigd is verrijkt onvoldoende gemotiveerd betwist. Het is niet vast komen te staan dat [bestuurder Vania 2] het geld heeft overgedragen en dat het geld ten behoeve van JV Construction is uitgegeven. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het geld bij [bestuurder Vania 2] is achtergebleven, althans dat hij er (via [bestuurder Vania 1]) mede van heeft geprofiteerd, en dat hij daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van JV Construction. Hij moet daarom de schade van JV Construction vergoeden tot het bedrag van de verrijking. De schade en de verrijking staan gelijk aan het van de bankrekening van JV Construction via ATP naar [bestuurder Vania 2] overgeschreven bedrag. De vordering tegen [bestuurder Vania 2] is op grond daarvan toewijsbaar tot dit bedrag. De andere grondslag voor de vordering behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer. 5.22. Vaststaat dat het bedrag van USD 83.302,60 op instructie van [bestuurder Vania 1] door ATP aan [bestuurder Vania 2] werd overgeschreven. Nu niet is gebleken dat het geld via [bestuurder Vania 2] aan JV Construction ten goede is gekomen, moet worden geoordeeld dat [bestuurder Vania 1] dit bedrag onrechtmatig aan JV Construction heeft onttrokken. Op grond daarvan is zij tevens aansprakelijk voor dit bedrag. De vordering tegen haar is in zoverre dus ook toewijsbaar. 5.23. JV Construction heeft niet gesteld dat Vania bij deze transacties betrokken is geweest. Van (persoonlijk) onrechtmatig handelen van haar kant is hierbij dan ook geen sprake geweest. De vordering tegen haar is in zoverre dus niet toewijsbaar. - De betalingen van JV Construction aan ATP die niet zijn doorbetaald 5.24. Van de bedragen die JV Construction op instructie van [bestuurder Vania 1] aan ATP heeft overgeschreven, is in 2022 een bedrag van USD 13.120,00 achtergebleven op de bankrekening van ATP. 5.25. ATP heeft aangevoerd dat het bedrag van USD 13.120,00 betrekking heeft op drie facturen van 4 februari 2020, 14 januari 2021 en 18 januari 2021 voor werkzaamheden van ATP voor JV Construction. JV Construction heeft niet weersproken dat ATP werkzaamheden voor haar heeft verricht en dat JV Construction daarvoor een vergoeding aan ATP verschuldigd is. Ten aanzien van het bedrag van USD 13.120,00 heeft JV Construction onvoldoende onderbouwd dat het onrechtmatig aan haar onderneming is onttrokken. - Het bedrag dat ten behoeve van JV Construction aan de Belastingdienst is betaald 5.26. Het is niet in geschil dat van de betalingen van JV Construction aan ATP via de bankrekeningen van Vania en [bestuurder Vania 2] bedragen aan de Belastingdienst zijn betaald. In haar verzoekschrift heeft JV Construction zich nog op het standpunt gesteld dat die bedragen niet in mindering strekken op haar vorderingen. Maar op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van JV Construction gezegd dat voor zover komt vast te staan dat bedragen ten behoeve van JV Construction aan de Belastingdienst zijn betaald, die bedragen wel in mindering moeten worden gebracht op haar vorderingen. 5.27. Uit het onderzoek van de FIOD is gebleken dat van de bedragen die door JV Construction aan ATP zijn overgemaakt een totaalbedrag van USD 115.394,84 ten behoeve van JV Construction aan de Belastingdienst is betaald. Na vragen van het Gerecht heeft JV Construction op de mondelinge behandeling niet uit kunnen leggen waarom niet uitgegaan moet worden van de conclusies van de FIOD. Weliswaar blijkt niet uit de bankafschriften van de betalingen aan de Belastingdienst dat bij iedere betaling van Vania of [bestuurder Vania 2] een betaalkenmerk is gebruikt, maar in de betaalomschrijving staat consequent het CRIB-nummer van JV Construction genoemd. Er moet daarom van worden uitgegaan dat het bedrag van USD 115.394,84 ten goede is gekomen aan JV Construction, in die zin dat het mindering is gekomen op haar schuld aan de Belastingdienst, en daarom niet onrechtmatig aan haar onderneming is onttrokken of in elk geval geen schade vormt. Dat bedrag moet daarom in mindering strekken op de vorderingen van JV Construction. Tussenconclusie 5.28. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. [bestuurder Vania 1] is individueel aansprakelijk voor een bedrag van 78.903,00 plus 55.968,00 plus 101.682,00 plus 83.302,60 minus 115.394,84 = USD 204.460,76. Vania is individueel aansprakelijk voor een bedrag van 55.968,00 plus 101.682,00 minus 115.394,84 = USD 42.255,16. [bestuurder Vania 2] is ongerechtvaardigd verrijkt voor een bedrag van USD 83.302,60. De aansprakelijkheid van ATP c.s. voor de betalingen aan Vania c.s. 5.29. Vast is komen te staan dat een bedrag van USD 339.501,60 op instructie van [bestuurder Vania 1] door JV Construction aan ATP is betaald. Vervolgens is een bedrag van 339.501,60 minus 13.120,00 = USD 326.381,60 op instructie van [bestuurder Vania 1] aan Vania c.s. doorbetaald. 5.30. Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van ATP c.s. wordt het volgende vooropgesteld. Het is niet in geschil dat ATP c.s. in de loop der tijd verschillende diensten aan JV Construction heeft verleend. Volgens ATP c.s. zelf heeft zij tot 2018 wel eens ad hoc advies gegeven aan JV Construction of berekeningen gemaakt. Op 13 juni 2019 heeft ATP een offerte uitgebracht voor het doen van de administratie van JV Construction, het opstellen van de jaarrekeningen en fiscale aangelegenheden. Later heeft zij de jaarrekeningen voor JV Construction opgesteld. In de tussentijd heeft zij toegelaten dat JV Construction in 2021 en 2022 grote geldbedragen naar haar bankrekening overmaakte. Op instructie van [bestuurder Vania 1] heeft zij de ontvangen bedragen eerst contant opgenomen en aan [bestuurder Vania 1] afgegeven en later overgemaakt naar bankrekeningen van Vania en [bestuurder Vania 2], zoals hierna verder wordt besproken. Weliswaar had JV Construction de offerte van ATP op dat moment niet ondertekend en geretourneerd, maar dat neemt niet weg dat ATP c.s. als accountant en financieel dienstverlener wel een zorgplicht tegenover JV Construction had. ATP c.s. moest bij haar handelen in elk geval rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van JV Construction. 5.31. JV Construction stelt dat ATP c.s. een cruciale rol heeft gespeeld bij het wegsluizen van geld naar Vania c.s. Volgens JV Construction zijn de banktransacties naar Vania en [bestuurder Vania 2] zodanig ongebruikelijk, dat ATP c.s. deze transacties in haar rol en verantwoordelijkheid als accountant niet had mogen uitvoeren. Bovendien is het volgens JV Construction zeer ongebruikelijk dat [bestuurder Vania 1] op grond van een volmacht van JV Construction via de bankrekening van ATP opdracht geeft voor een betaling aan haarzelf of aan haar echtgenoot of vennootschap terwijl in de betaalomschrijvingen staat dat het geld bedoeld was voor betaling van ABB en LB. 5.32. ATP c.s. voert aan dat [voormalig eigenaar JV Construction] in 2019 en 2020 op kantoor bij ATP is geweest en dat [voormalig eigenaar JV Construction] heeft verklaard dat opdrachten van [bestuurder Vania 1] altijd stipt moeten worden uitgevoerd. Ter onderbouwing daarvan heeft ATP c.s. twee ondertekende verklaringen van [medewerker ATP] en [zoon bestuurder ATP] overgelegd. In de verklaring van [medewerker ATP] staat dat [bestuurder Vania 1] in de periode van maart 2020 op kantoor bij ATP is geweest om potentiële bouwprojecten te bespreken en dat [voormalig eigenaar JV Construction] [bestuurder Vania 1] heeft voorgesteld als degene die alle belangen van zowel de financiële als marketingzaken van JV Construction zou behartigen. In de verklaring van [zoon bestuurder ATP] staat dat [voormalig eigenaar JV Construction] omstreeks begin juni 2019 op kantoor bij ATP is geweest om te bespreken welke diensten ATP zou kunnen aanbieden aan JV Construction en dat [voormalig eigenaar JV Construction] [bestuurder Vania 1] als gemachtigde van JV Construction heeft voorgesteld die alle financiële en fiscale zaken namens JV Construction behartigt. De verklaringen van [medewerker ATP] en [zoon bestuurder ATP] gaan over twee momenten: een bespreking van potentiële toekomstige bouwprojecten en een bespreking van diensten die ATP aan JV Construction zou kunnen aanbieden. Uit beide verklaringen blijkt dat [voormalig eigenaar JV Construction] gezegd zou hebben dat [bestuurder Vania 1] de financiële zaken van JV Construction behartigt. Maar dat is niet in geschil. Uit de verklaringen blijkt niet dat [voormalig eigenaar JV Construction] gezegd zou hebben dat alle opdrachten van [bestuurder Vania 1] stipt en zonder beperkingen of restricties moeten worden uitgevoerd. Op de mondelinge behandeling heeft ATP c.s. getuigenbewijs aangeboden om te bewijzen dat [voormalig eigenaar JV Construction] op haar kantoor is geweest en wat er in aanwezigheid van [zoon bestuurder ATP] en [medewerker ATP] besproken is. Welk feit zij daarmee precies wil bewijzen, heeft zij echter niet toegelicht, zodat het bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd. De relevantie heeft zij daarmee ook onvoldoende toegelicht. 5.33. Vanaf 12 februari 2020 ontving ATP geld op haar bankrekening van JV Construction met betaalomschrijvingen waaruit volgt dat het geld bedoeld was voor betaling van ABB en LB. Dat geld werd in 2020 door [bestuurder ATP] bij de bank opgenomen en op instructie van [bestuurder Vania 1] contant aan haar overhandigt. Hoewel ATP c.s. wist dat in de betaalomschrijvingen stond dat het geld bedoeld was voor het betalen van ABB en LB ten behoeve van JV Construction, heeft ATP c.s. ervoor gekozen om het geld contant op te nemen en aan [bestuurder Vania 1] te overhandigen, zoals [bestuurder Vania 1] hem dat vroeg. Daarbij wist ATP c.s. niet wat [bestuurder Vania 1] met het geld zou doen en of het geld ten goede zou komen aan JV Construction. Omdat uit de betaalomschrijvingen volgt dat het geld bedoeld zou zijn voor het betalen van ABB en LB, had ATP c.s. zich op zijn minst moeten afvragen of deze vreemde gang van zaken naar de wens van JV Construction was en of haar belang daarmee wel werd gediend. Dat ATP de gang van zaken zelf ook ongebruikelijk vond, blijkt uit het e-mailbericht van 2 maart 2020 waarin [bestuurder ATP] constateert dat bedragen op de bankrekening van ATP worden gestort en dat hij geen verantwoordelijkheid wil dragen voor inkomende geldstromen van JV Construction. ATP c.s. beschikte weliswaar niet over de betalingskenmerken van de Belastingdienst voor het betalen van belasting ten behoeve van JV Construction en zij kon daarom niet eigenhandig ten behoeve van JV Construction belasting afdragen, maar zij had [voormalig eigenaar JV Construction] wel eenvoudig kunnen vragen wat de bedoeling was en/of de ontvangen bedragen kunnen terugstorten. Op de mondelinge behandeling heeft het Gerecht hier vragen over gesteld aan [bestuurder ATP], maar daarop heeft hij geen overtuigend antwoord kunnen geven. [bestuurder ATP] heeft verklaard dat hij op grond van de aan hem gepresenteerde volmacht van 11 augustus 2020 deed wat hem door [bestuurder Vania 1] werd opgedragen. Maar ook al was het zo dat [bestuurder Vania 1] gevolmachtigde was van JV Construction, wat JV Construction betwist, dan nog ontsloeg hem dat niet van zijn verplichting om [voormalig eigenaar JV Construction] zelf over deze ongebruikelijke gang van zaken te bevragen. Door dat niet te doen, heeft ATP c.s. haar zorgplicht tegenover JV Construction ten aanzien van de betalingen in 2020 geschonden. 5.34. Vanaf 2021 werden de bedragen die ATP van JV Construction ontving niet meer contant opgenomen, maar overgeschreven naar de bankrekeningen van Vania en [bestuurder Vania 2]. Ook voor deze betalingen beroept ATP c.s. zich op de vermeende door JV Construction afgegeven volmacht van 11 augustus 2020 en dat [bestuurder Vania 1] gezegd zou hebben dat het geld gebruikt werd voor het betalen van belasting van JV Construction en het betalen van facturen van Vania voor door JV Construction ingehuurd personeel. 5.35. Op vragen van het Gerecht heeft ATP c.s. geen verklaring kunnen geven waarom het betalen van facturen van Vania via de bankrekening van ATP zou moeten lopen. De opdracht van [bestuurder Vania 1] daartoe had bij ATP c.s. vragen moeten oproepen, zeker omdat het geld niet werd gebruikt voor het betalen van ABB en LB. Ook als [bestuurder Vania 1] over een volmacht van JV Construction zou beschikken, zou haar opdracht bij ATP c.s. vragen moeten oproepen, omdat [bestuurder Vania 1] de volmacht dan zou gebruiken om betalingen aan haar eigen onderneming (Vania) en aan haar man ([bestuurder Vania 2]) te doen. ATP c.s. had zich moeten afvragen of [bestuurder Vania 1] daarbij dan wel het belang van JV Construction diende en onderzoek daarnaar moeten doen. 5.36. ATP c.s. hebben ook geen verklaring kunnen geven waarom het betalen van belasting via de bankrekeningen van ATP en Vania/[bestuurder Vania 2] zou moeten plaatsvinden. ATP c.s. voert aan dat zij een keer een steekproef heeft gedaan en dat uit die steekproef bleek dat Vania inderdaad belasting betaalde voor JV Construction. Ter onderbouwing daarvan heeft ATP c.s. bankafschriften van Vania overgelegd. Uit de overgelegde bankafschriften begrijpt het Gerecht dat die steekproef ná 31 augustus 2021 heeft plaatsgevonden. Op dat moment werd al ruim anderhalf jaar lang geld via de bankrekening van ATP afgedragen aan of overgeschreven naar Vania c.s. De steekproef bestaat uit niet meer dan twee bankafschriften over de maanden juli en augustus 2021 van Vania. Op die bankafschriften staat dat ten behoeve van JV Construction een bedrag aan belasting werd betaald. Dat ontsloeg ATP c.s. niet van de verplichting om nader onderzoek te doen. Integendeel, uit het bankafschrift van juli 2023 blijkt dat Vania meer geld ontving van ATP dan dat zij ten behoeve van JV Construction aan de Belastingdienst betaalde. Uit niets bleek dat er met dat geld door JV Construction ingehuurd personeel werd betaald, zoals [bestuurder Vania 1] zou hebben gezegd. Dat gaf dus juist aanleiding om verder onderzoek te doen. Dat heeft ATP c.s. niet gedaan. 5.37. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ATP c.s. haar zorgplicht tegenover JV Construction heeft geschonden door mee te werken aan het overhevelen van gelden van JV Construction via haar bankrekening naar [bestuurder Vania 1], Vania en [bestuurder Vania 2], en daarmee onrechtmatig jegens JV Construction heeft gehandeld. Dat geldt zowel voor [bestuurder ATP], die als accountant verwijtbaar heeft gehandeld, als voor ATP aan wie het handelen van [bestuurder ATP] moet worden toegerekend. ATP c.s. is dan ook verplicht de schade die JV Construction als gevolg hiervan heeft geleden te vergoeden. 5.38. ATP c.s. heeft een beroep gedaan op eigen schuld van JV Construction. Artikel 6:101 BW BES bepaalt dat de schadevergoedingsplicht wordt verminderd wanneer de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de schadelijdende partij kan worden toegerekend. ATP c.s. stelt dat JV Construction aan haar heeft medegedeeld dat zij de instructies van [bestuurder Vania 1] moet opvolgen en dat JV Construction daarvoor een volmacht heeft afgegeven. Daarnaast stelt ATP c.s. dat zich gebeurtenissen hebben voorgedaan zoals verwoord in de verklaringen van [medewerker ATP] en [zoon bestuurder ATP]. Daarom meent ATP c.s. dat de schadevergoedingsplicht van ATP c.s. tot 0% moet worden verminderd. Volgens haar eist de billijkheid ook geen andere verdeling, gelet op de ernst en mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en de overige omstandigheden, waaronder dat zij zelf niet van de gang van zaken heeft geprofiteerd. 5.39. ATP c.s. heeft onvoldoende gesteld waarom JV Construction aan het handelen van [bestuurder Vania 1] zou moeten twijfelen. JV Construction was in de veronderstelling dat belasting werd betaald van het geld dat naar ATP werd overgeschreven. Uit de naheffingsaanslagen van 15 juli 2023 van de Belastingdienst blijkt dat JV Construction daadwerkelijk belasting verschuldigd was ter grootte van de bedragen die zij aan ATP betaalde. ATP c.s. had bij het handelen van [bestuurder Vania 1] wél moeten twijfelen. Dat JV Construction [bestuurder Vania 1] zou hebben gepresenteerd als haar gemachtigde die de financiële belangen van JV Construction behartigt, kan daarom niet worden beschouwd als een aan JV Construction toe te rekenen omstandigheid die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Het beroep van ATP c.s. op eigen schuld van JV Construction wordt daarom verworpen. Voor een andere verdeling van de schade dan in evenredigheid naar de mate waarin de aan ieder van partijen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen bestaat daarom al geen grond. Ook overigens ziet de rechter daarvoor geen aanleiding, gelet op de ernst van de fouten die ATP c.s. heeft gemaakt. Dat ATP c.s. mogelijk beperkt heeft geprofiteerd, maakt dat niet anders. 5.40. Dit betekent dat ATP en [bestuurder ATP] individueel aansprakelijk zijn voor de volledige door JV Construction geleden schade. Dat is het volledige bedrag dat ATP aan Vania c.s. heeft doorbetaald minus het bedrag waarvoor belasting is betaald. Dat komt neer op een bedrag van 78.903,00 plus 55.968,00 plus 101.682,00 plus 83.302,60 minus 115.394,84 = USD 204.460,76. Groepsaansprakelijkheid 5.41. JV Construction stelt zich primair op het standpunt dat ATP c.s. en Vania c.s. door de manier waarop de fraude is opgezet in groepsverband onrechtmatig tegenover haar hebben gehandeld. 5.42. ATP c.s. en [bestuurder Vania 1] zijn individueel aansprakelijk voor de gehele schade van JV Construction. Voor de primaire vordering van JV Construction uit hoofde van groepsaansprakelijkheid is daarom alleen nog relevant of [bestuurder Vania 2] en Vania aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het geld dat in 2020 via ATP c.s. contant aan [bestuurder Vania 1] is overhandigd, of Vania aansprakelijk kan worden gehouden voor het geld dat aan [bestuurder Vania 2] is doorbetaald en of [bestuurder Vania 2] aansprakelijk kan worden gehouden voor het geld dat aan Vania is doorbetaald. 5.43. Wil grond bestaan voor groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 lid 1 BW BES, dan moet zijn voldaan aan vier vereisten: (i) er moet sprake zijn van handelen in groepsverband waarbij de groep kan bestaan uit twee of meer personen; (ii) de deelneming aan de gedragingen in groepsverband levert een onrechtmatige daad op, die hierin bestaat dat de kans op het toebrengen van schade de deelnemer van deelneming aan de gemeenschappelijke gedragingen had behoren te weerhouden; (iii) deelneming aan de gedragingen in groepsverband kan de deelnemer als een onrechtmatige daad worden toegerekend; en (iv) de handeling waardoor de schade de facto wordt toegebracht, levert een onrechtmatige daad jegens de benadeelde op. 5.44. Niet gesteld of gebleken is dat Vania of [bestuurder Vania 2] op enige manier betrokken is geweest bij de overboeking van gelden van JV Construction naar de rekening van ATP en de contante opname en afgifte ervan aan [bestuurder Vania 2] in 2020 en begin 2021. Evenmin is gesteld of gebleken dat Vania of [bestuurder Vania 2] betrokken is geweest bij de overschrijvingen naar de bankrekening van de ander. JV Construction stelt zich op het standpunt dat Vania en [bestuurder Vania 2] ook aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade van vóór het moment dat Vania en [bestuurder Vania 2] aan het gestelde handelen in groepsverband zijn gaan deelnemen, maar daarin wordt JV Construction niet gevolgd. Een deelnemer is slechts aansprakelijk voor schade die gedurende zijn deelneming wordt toegebracht. Dit kan slechts anders zijn bij schade die is ontstaan ná het beëindigen van de deelneming aan het handelen in groepsverband (zogenaamde ‘Fortwirkung’). Maar van die situatie is in dit geval geen sprake. Verder is niet gebleken dat in 2021 en 2022 sprake was van handelen in groepsverband van Vania en [bestuurder Vania 2] met [bestuurder Vania 1], zodanig dat zij ook aansprakelijk zijn voor schade door handelen waarbij zij feitelijk niet waren betrokken. De vordering van JV Construction op Vania en [bestuurder Vania 2] uit hoofde van groepsaansprakelijkheid wordt daarom afgewezen. Conclusie 5.45. ATP c.s. en [bestuurder Vania 1] zijn aansprakelijk voor de gehele schade die JV Construction heeft geleden. Zij zullen hoofdelijk worden veroordeeld een bedrag van USD 204.460,76 aan JV Construction te betalen. Van dat bedrag kan [bestuurder Vania 2] hoofdelijk worden aangesproken tot een bedrag van USD 83.302,60 en Vania hoofdelijk worden aangesproken tot een bedrag van USD 42.255,16. 5.46. JV Construction vordert wettelijke rente vanaf 31 juli 2023. JV Construction heeft niet gesteld waarom wettelijke rente vanaf 31 juli 2023 verschuldigd zou zijn. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van het verzoekschrift. Dat is 1 augustus 2024. Verklaringen voor recht 5.47. In het verlengde van het voorgaande zijn de volgende gevorderde verklaringen voor recht toewijsbaar. Het Gerecht zal voor recht verklaren dat [bestuurder Vania 1], Vania, ATP en [bestuurder ATP] onrechtmatig tegenover JV Construction hebben gehandeld en dat [bestuurder Vania 2] ten koste van JV Construction ongerechtvaardigd is verrijkt. Niet gebleken is dat JV Construction daarnaast nog belang zou hebben bij een verklaring voor recht over het gestelde onrechtmatig handelen van [bestuurder Vania 2]. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen 5.48. JV Construction vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten, omdat zij de gedaagde partijen heeft moeten aanmanen en uiteindelijk deze procedure is gestart. JV Construction heeft een aanmaningsbrief van 22 november 2023 en een aansprakelijkstelling van 22 juli 2024 overgelegd. 5.49. Buitengerechtelijke incassokosten kunnen voor toewijzing in aanmerking komen als daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt en die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, voor welke verrichtingen de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit. 5.50. In de brief van 22 november 2023 heeft de gemachtigde JV Construction aan Vania verzocht om documenten te verstrekken. In de daaropvolgende kort gedingprocedure is de vordering tot het verstrekken van documenten in het vonnis van 12 juli 2024 afgewezen. De enkele aansprakelijkstelling van 22 juli 2024 is onvoldoende onderbouwing dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt die meer omvatten dan het inleiden van deze procedure waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen. ATP c.s. en Vania c.s. moeten de proceskosten betalen 5.51. ATP c.s. en Vania c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van JV Construction worden begroot op USD 795,00 aan betekeningskosten van het verzoekschrift (vijf keer USD 159,00), USD 3.169,00 aan griffierecht, USD 3.352,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x liquidatietarief 8) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing). 5.52. De veroordeling in de proceskosten wordt, zoals gevorderd, hoofdelijk uitgesproken. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing staat vermeld. 5.53. Tot de proceskosten behoren ook de kosten voor de gelegde conservatoire beslagen. JV Construction heeft een factuur overgelegd van ‘R.C. Anzola Gerechtsdeurwaarders & Incasso’ waarin de kosten per gedaagde partij staan gespecificeerd. ATP c.s. wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de beslagkosten voor het leggen van beslag ten laste van ATP en [bestuurder ATP]. Dat is een bedrag van USD 1.557,00. [bestuurder Vania 1] en Vania worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de beslagkosten voor het leggen van beslag ten laste van hen. Dat is een bedrag van USD 2.299,00. De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard 5.54. De veroordelingen worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiertegen hebben ATP c.s. en Vania c.s. geen verweer gevoerd en van kenbare bezwaren van ATP c.s. en Vania c.s. tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het Gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de veroordelingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als ATP c.s. of Vania c.s. in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de rechter in hoger beroep een andere beslissing mocht worden genomen. in de vrijwaringszaak 5.55. ATP c.s. heeft Vania c.s. in vrijwaring opgeroepen en vordert – zo heeft het Gerecht dat begrepen – dat Vania c.s. wordt veroordeeld om datgene aan ATP c.s. te betalen, waartoe ATP c.s. als gedaagde in de hoofdzaak tegenover JV Construction mocht worden veroordeeld. 5.56. ATP c.s. stelt dat de onrechtmatige gedragingen tegenover JV Construction alleen plaats hebben gevonden binnen de kring van Vania c.s. Uit de beoordeling in de hoofdzaak volgt dat dit standpunt niet wordt gevolgd. ATP c.s. is in de hoofdzaak namelijk veroordeeld voor de volledige schade van JV Construction. 5.57. ATP c.s. heeft niet gesteld in welk opzicht Vania c.s. tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk zou moeten worden gehouden voor de schade die zij aan JV Construction moet betalen. Daarmee voldoet ATP c.s. niet aan haar stelplicht om Vania c.s. daartoe te veroordelen. De vordering van ATP c.s. in de vrijwaringszaak zal daarom worden afgewezen. 5.58. ATP c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de vrijwaringsprocedure worden veroordeeld. De proceskosten van Vania c.s. worden begroot op USD 1.676,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x liquidatietarief 8) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).