Rechtspraak 2026-05-21
ECLI:NL:OGEABES:2026:105
Parketnummer: 500.00215/25 Uitspraak: 21 mei 2026 Tegenspraak Verkort vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteland], adres: [adres] in Curaçao, thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 en 21 mei 2026. De verdachte is beide keren verschenen, telkens bijgestaan door mr. E.F. Sulvaran, advocaat te Curaçao. Op 21 mei 2026 stond eveneens mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam, de verdachte bij. De officier van justitie, mr. R. Steen, heeft gevorderd dat het Gerecht (telkens) het primair tenlastegelegde van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden, met aftrek van het voorarrest, en een geldboete van Cg 200.000. Dit is conform de procesafspraken die het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben gemaakt over de uitkomst van deze strafzaak. De raadslieden van de verdachte hebben geen verweren gevoerd en hebben zich in het verlengde van de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging overeengekomen procesafspraken geconformeerd aan de vordering van de officier van justitie. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, die in kopie als bijlage I aan dit vonnis is gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen. Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, leest het Gerecht deze voor de leesbaarheid in de bewezenverklaring cursief verbeterd. De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van vier drugsfeiten van respectievelijk 600 kilo, 43 kilo, 5 kilo en 14 kilo cocaïne (volgens de artikelen 3, 11a en 14, derde lid onder sub a van de Opiumlandsverordening 1960), medeplegen van witwassen en het medeplegen van vuurwapenhandel. Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Bewezenverklaring Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair is ten laste gelegd, met dien verstande dat: Feit 1 - Primair hij in de periode van 1 februari 2021 tot en met 31 maart 2021 te Curaçao en/of Costa Rica, tezamen en in vereniging met anderen heeft verkocht, - een hoeveelheid van ongeveer 600 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne; Feit 2 - Primair hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 28 februari 2021 te Curaçao en/of Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, heeft verkocht en/of aanwezig heeft gehad, - een hoeveelheid van ongeveer 43 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne; Feit 3 - Primair hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 januari 2021 te Sint Maarten en/of Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960, - een hoeveelheid van ongeveer 5 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne (10 cilinder blokken ) ; Feit 4 - Primair hij in de periode van 1 januari 2021 tot en met 28 februari 2021 te Nederland en/of Colombia, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960, - een hoeveelheid van ongeveer 14 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne; Feit 5 primair hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021, te Curaçao en/of Nederland en/of Costa Rica en/of Sint Maarten en/of Colombia tezamen en in vereniging met anderen, meer geldbedragen, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, Het Gerecht heeft tijdens de inhoudelijke behandeling op 21 mei 2026 het afdoeningsvoorstel in samengevatte vorm voorgehouden en de consequenties daarvan met de verdachte besproken. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de verdachte de inhoud van de gemaakte afspraken kent en dat hij de procesrechtelijke gevolgen van de afspraken begrijpt en hiermee instemt. Het Gerecht is van oordeel dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling en de eisen van een eerlijk proces. Verdachte heeft rechtsbijstand gehad en heeft vrijwillig, op basis van voldoende en voor hem ook duidelijke informatie meegewerkt aan het afdoeningsvoorstel en het afstand doen van zijn verdedigingsrechten. Verdachte heeft de tijd gekregen en genomen om over de gevolgen van de procesafspraken na te denken en daarmee in te stemmen. Hij is zich bewust van de rechtsgevolgen. Naar het oordeel van het Gerecht is er geen afbreuk gedaan aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het Gerecht niet alleen of zij bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of de overeengekomen afspraken voor de beëindiging van de zaak in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak, mede gelet op de in artikel 392 en 394 Sv genoemde vraagpunten. Het Gerecht heeft bij de beoordeling daarvan mede in aanmerking genomen het tijdsverloop in deze zaak, maar ook de vraag of in deze zaak, als gevolg van de hiervoor genoemde procesafspraken, op voldoende wijze recht wordt gedaan aan de met het strafrecht te dienen doelen, waaronder vergelding, generale en speciale preventie en de bescherming van de maatschappij. Het Gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de gemaakte procesafspraken in deze zaak niet op gespannen voet staan met de strafdoelen en de in het strafproces spelende belangen. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezen verklaarde is voorzien in artikel 3, eerste lid onder c sub B van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod Het onder 2 primair bewezen verklaarde is voorzien in artikel 3, eerste lid onder c sub B en C van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B en C van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod Het onder 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde is voorzien in artikel 3, eerste lid onder c sub A, van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd: telkens : medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod Het onder 5 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:404 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van witwassen Het onder 6 primair bewezen verklaarde is voorzien in artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1960 Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk