Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2025-08-15
ECLI:NL:OGEABES:2025:164
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,815 tokens
Volledig
ECLI:NL:OGEABES:2025:164 text/xml public 2026-05-20T17:28:17 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2025-08-15 BON202500175 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEABES:2025:164 text/html public 2026-05-20T17:27:11 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEABES:2025:164 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 15-08-2025 / BON202500175 Weigering bouwvergunning voor berging met twee verdiepingen. Onjuiste toepassing van meetvoorschrift artikel 52.2.1 onder e van het ROB. Minimale wandhoogte van 2,6 meter ten onrechte tegengeworpen. Rechtszekerheid. Limitatief-imperatief karakter weigeringsgronden. GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE Uitspraak in de zaak tussen: [naam eiseres], [naam eiser], wonende in Nederland, eisers, gemachtigde: mr. P.H. de Lange, advocaat, en Het bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire, verweerder, gemachtigden: mrs. M. Weijand en R. Bennink, advocaten. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eisers] tegen de beslissing van het bestuurscollege om de door [eisers] aangevraagde bouwvergunning te weigeren. 1.1 Bij beschikking van 28 februari 2025 (de bestreden beschikking) heeft het bestuurscollege dit besluit genomen. 1.2 Het bestuurscollege heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. 1.3 Het Gerecht heeft het beroep op de zitting van 23 mei 2025 in het gerechtsgebouw te Bonaire behandeld. [Eisers] hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Hun gemachtigde mr. De Lange was fysiek bij de zitting aanwezig. Het bestuurscollege heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Valdink (hoofd juridische en algemene zaken) en zijn gemachtigden. Mr. Weijand was fysiek bij de zitting aanwezig, mr. Bennink heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. 1.4 Bij e-mail van 27 juni 2025 heeft het Gerecht partijen laten weten dat het, vanwege drukte en de naderende recesperiode, niet mogelijk is om binnen zes weken uitspraak te doen. De uitspraaktermijn is daarom verlengd tot uiterlijk 15 augustus 2025. Beoordeling door het Gerecht 2.1 Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van [eisers]. 2.2 Het Gerecht is van oordeel dat het beroep gegrond is. De twee redenen die de minister aan de weigering van de bouwvergunning ten grondslag heeft gelegd, rechtvaardigen de weigering niet. Bij de berekening van de oppervlakte van de berging heeft de minister het meetvoorschrift onjuist toegepast. Bij een juiste berekeningswijze overschrijdt de oppervlakte van de berging niet het toegestane maximum. Verder heeft de minister ten onrechte aan [eisers] het vereiste tegengeworpen dat de minimale wandhoogte 2,6 meter moet zijn. 2.3 Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 3.1 [ Eisers] verhuren huizen en appartementen in Bonaire. Bij beschikking van 18 februari 2021 hebben zij een bouwvergunning gekregen voor de bouw van 12 appartementen en een berging. 3.2 Bij brief van 4 augustus 2021 heeft de Directie Toezicht en Handhaving (DTH) [eisers] bericht dat toezichthouders op 3 augustus 2021 hebben geconstateerd dat in afwijking van de verleende bouwvergunning wordt gebouwd. In de brief staat dat op de goedgekeurde tekeningen de berging bestaat uit één bouwlaag, zonder (binnen)trap, terwijl een berging met meerdere bouwlagen en een betonnen binnentrap wordt gebouwd. 3.3 In een schriftelijke reactie op de brief van DTH hebben [eisers] erkend dat zij in afwijking van de bouwvergunning bouwen en hebben zij die wijziging toegelicht. De berging is bedoeld voor het opslaan van huisraad en gereedschappen ten behoeve van de te bouwen 12 appartementen. De inhoud van de berging bleek niet handig ingedeeld en [eisers] hebben besloten om een verdiepingsvloer met trap in de berging te realiseren. Zij dachten dat dat kon en mocht omdat de berging qua uiterlijk verder niet zou veranderen. 3.4 Op 20 februari 2022 hebben [eisers] een gewijzigde bouwtekening van de berging ingediend. Op 25 april 2023 hebben [eisers] een aanvraagformulier ingediend voor een gewijzigde bouwvergunning. Die aanvraag heeft geleid tot een fictieve weigeringsprocedure bij dit Gerecht. Die procedure is geregistreerd onder nummer BON202500107. Het Gerecht zal in die procedure vandaag ook uitspraak doen. 3.5 Op 11 juli 2024 hebben [eisers] wederom een aanvraag gedaan voor een aanpassing van de eerder verleende bouwvergunning. Zij hebben nu een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een berging met twee verdiepingen, waarbij de bouwhoogte niet hoger is dan 5 meter. Deze aanvraag heeft geleid tot de in de inleiding genoemde bestreden beschikking. Waarom heeft het bestuurscollege de bouwvergunning geweigerd? 4. Het bestuurscollege heeft de bouwvergunning geweigerd om twee redenen. Die redenen leidt het Gerecht af uit de bestreden beschikking, het verweerschrift en de toelichting van het bestuurscollege ter zitting. De eerste reden is dat de maximaal toegestane vloeroppervlakte wordt overschreden. De maximale vloeroppervlakte is 80 m2 en doordat nu een bouwvergunning van 2 verdiepingen wordt aangevraagd van ieder 76 m2 is sprake van een overschrijding. De tweede reden is dat de wandhoogten van de vertrekken in de berging niet minder mogen zijn dan 2,60 meter. De wandhoogten van de berging, die een totale bouwhoogte van 5 meter kent, zijn lager doordat er nu een verdiepingsvloer wordt aangevraagd. Wat voeren [eisers] hiertegen aan en wat vindt het Gerecht? 5. [ Eisers] voeren allereerst aan dat de maximaal toegestane bouwoppervlakte niet wordt overschreden. 6. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 6.1 Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast dat op het perceel waarop de berging staat en waarop de bestreden beschikking ziet de bestemming Woongebied - I rust. Het bouwen op de gronden met de bestemming Woongebied – I is volgens artikel 52.2 van het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Bonaire (ROB) geboden aan een aantal voorschriften. Artikel 52.2.1 onder e bepaalt onder meer dat de totale oppervlak van losstaande gebouwen bij een woning niet meer mag bedragen dan 80 m2 bij een kavel groter dan 1500 m2. 6.2 Artikel 2.1 van het ROB geeft een aantal meetvoorschriften. Onder 5 staat het meetvoorschrift voor de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 6.3 Uit dit meetvoorschrift volgt dat het bestuurscollege bij het bepalen van de oppervlakte van de berging ten onrechte de verdiepingsvloer heeft meegerekend. Er is ten aanzien van de gevraagde bouwvergunning voor de berging daarom geen sprake van een overschrijding van het voorschrift in artikel 52.2.1 onder e van het ROB. Ter zitting heeft het bestuurscollege dat ook erkend. 7. [ Eisers] voeren verder aan dat er geen rechtsregel aan te wijzen is waaruit volgt dat de wandhoogten van de vertrekken niet minder mogen zijn dan 2,60 meter. Die regel volgt niet uit de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES (Wet vrom BES) en evenmin uit het Bouwbesluit BES en de Bouw- en woningverordening. 8. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 8.1 Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vrom BES bepaalt onder meer dat het verboden is te bouwen zonder een door het bestuurscollege verleende bouwvergunning. 8.2 Artikel 2.10 van de Wet vrom BES bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd, indien: a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van het bestuurscollege niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2.3; b. het bouwen in strijd is met een ontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 7 van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES; c.
Volledig
voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet BES is vereist en deze niet is verleend; d. het bouwen in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, of e. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van het bestuurscollege niet aannemelijk maken dat het bouwen voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening nog niet in overeenstemming is gebracht met de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, aan laatstbedoelde voorschriften. 8.3 Het Gerecht overweegt dat artikel 2.10 van de Wet vrom BES een zogeheten limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden bevat. Dat houdt in dat het bestuurscollege moet beoordelen of zich één of meer weigeringsgronden uit artikel 2.10 voordoen. Als dat niet het geval is, moet de gevraagde vergunning worden verleend. Als zich wel een weigeringsgrond voordoet, moet het bestuurscollege de bouwvergunning weigeren. Het bestuurscollege heeft geen ruimte om een nadere belangenafweging te maken. 8.4 In de bestreden beschikking is niet vermeld welke weigeringsgrond van artikel 2.10 Wet vrom BES aan eisers op dit onderdeel is tegengeworpen. Ook in het verweerschrift en ter zitting heeft het bestuurscollege niet toegelicht op welke specifieke weigeringsgrond de afwijzing berust. Het Gerecht heeft daarom beoordeeld of de door het bestuurscollege genoemde reden – het niet voldoen aan een minimale wandhoogte van 2,6 meter – kan worden aangemerkt als een weigeringsgrond in de zin van artikel 2.10. Dit zou naar het oordeel van het Gerecht mogelijk kunnen vallen onder onderdeel a (niet voldoen aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit BES) of onderdeel e (niet voldoen aan de bouwvoorschriften van de bouwverordening of een daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur). 8.5 Het bestuurscollege heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat op Bonaire sinds jaar en dag wordt uitgegaan van 2,6 meter. Het bestuurscollege sluit met deze norm aan bij de praktijk in Curaçao en Aruba. Het bestuurscollege heeft hierbij verwezen naar een passage in de nota van toelichting bij het BES Bouwbesluit. Daarin staat op pagina 10 onder het kopje “Technische voorschriften”: “Voor bouwkundige en constructieve voorschriften wordt in artikel 19 van de Bouw- en woningverordening van Bonaire en Sint Eustatius verwezen naar een eilandsbesluit houdende algemene maatregelen. Tot op heden is dit nooit opgesteld, informeel wordt het besluit van 18 september 1935 van de Gouverneur van Curaçao met daarin technische bouwkundige voorschriften gehanteerd. Saba beschikt over een decree van 16 augustus 1999 van hun eilandsraad bevattende technische bouwkundige en constructieve voorschriften.” In artikel 2 van dat besluit staat dat de kleinste wandhoogte van de vertrekken niet minder mag zijn dan 2,6 meter. 8.6 Tussen partijen is niet in geschil, en ook het Gerecht stelt vast, dat het Bouwbesluit BES geen voorschrift bevat dat een minimale wandhoogte van 2,6 meter verplicht stelt. Het niet voldoen aan dat vereiste valt daarom niet onder de in artikel 2.10, onder a, genoemde weigeringsgrond. Voor de in onderdeel e genoemde weigeringsgrond geldt hetzelfde. De Bouw‑ en woningverordening Bonaire zelf bevat geen bepaling over een minimale wandhoogte. Artikel 19 van die verordening bepaalt slechts dat bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen nadere voorschriften worden vastgesteld over onder meer de minimumafmetingen van vertrekken en trappen en de toegangswegen voor licht en lucht. Een dergelijk eilandsbesluit is echter nooit vastgesteld. Het Gerecht begrijpt het bestuurscollege zo dat, bij gebreke aan een eilandsbesluit, aansluiting kan worden gezocht bij de regel in de praktijk dat moet worden uitgegaan van een minimale wandhoogte van 2,6 meter. Het Gerecht volgt het bestuurscollege daarin niet. Een informele regel is immers iets wezenlijk anders dan een eilandsbesluit dat volgens een vaste procedure wordt vastgesteld en wordt bekendgemaakt. Daarbij komt dat deze norm uitsluitend kenbaar is door een nota van toelichting te raadplegen en vervolgens het besluit van 18 september 1935 dat niet in Bonaire maar in Curaçao geldt. Het onder deze omstandigheden tegenwerpen van die norm aan de burger zou in strijd komen met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit verdraagt zich bovendien niet met het limitatief‑imperatieve karakter van de weigeringsgronden, waarin het strikt volgen van de wettelijke regels vooropstaat en geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep van [eisers] is gegrond. Het Gerecht zal de bestreden beschikking vernietigen en het bestuurscollege opdragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag om een bouwvergunning te beschikken. De twee gronden die het bestuurscollege tot nu toe heeft gehanteerd om de bouwvergunning te weigeren, kunnen die weigering niet dragen. Het gevolg daarvan is dat als het bestuurscollege geen andere weigeringsgronden heeft, het de aangevraagde bouwvergunning moet verlenen. 10. Omdat het beroep gegrond is, moet het bestuurscollege het door [eisers] betaalde griffierecht van USD 84,- aan hen vergoeden. [Eisers] krijgen ook een vergoeding voor hun proceskosten. Omdat de gemachtigde van [eisers] een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt USD 391,-) bedragen die proceskosten USD 782,-. Beslissing Het Gerecht: verklaart het beroep gegrond ; vernietigt de bestreden beschikking; draagt het bestuurscollege op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beschikken op de aanvraag van [eisers]; veroordeelt het bestuurscollege tot betaling aan [eisers] van hun proceskosten tot een bedrag van USD 782,-; bepaalt dat het bestuurscollege het door [eisers] betaalde griffierecht van USD 84,- aan hen vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2025, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend. Voor het instellen van hoger beroep is griffierecht verschuldigd.