Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2023-11-29
ECLI:NL:OGEABES:2023:33
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,786 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202300173
datum uitspraak: 29 november 2023
VONNIS
in de zaak van:
[eiser],
wonende te Bonaire,
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,
tegen
de coöperatieve vereniging KRIABON U.A.,
gevestigd te Bonaire,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel.
Partijen zullen hierna [eiser] en Kriabon genoemd worden.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift
de conclusie van antwoord
de mondelinge behandeling van 30 oktober 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
Feiten
2.1. [
eiser] is bestuurslid geweest van Kriabon van 13 maart 2022 tot en met
29 juli 2022. Aan zijn aftreden als bestuurder op 29 juli 2022, lag een conflict binnen het bestuur en een conflict met de raad van commissarissen ten grondslag.
2.2.
De raad van commissarissen bestaat, althans bestond, uit de heren [lid 1 van de raad van commissarissen], [lid 2 van de raad van commissarissen] en [lid 3 van de raad van commissarissen]. Met de eerste twee heren bleef [eiser] na zijn ontslag een goed contact houden.
2.3.
Op 9 december 2022 is het gehele bestuur, waarvan [eiser] al geen deel meer uitmaakte, door de raad van commissarissen geschorst. Daardoor zouden, naar stelling van [eiser], de salarissen over december niet kunnen worden betaald omdat er onvoldoende geld in kas was en de bankrekeningen door de schorsing waren geblokkeerd. [eiser] zou daarom aan [lid 1 van de raad van commissarissen], op diens verzoek, een bedrag van USD 4.090,18 hebben gegeven voor de betaling van die salarissen, met de afspraak om dit bedrag binnen een maand aan hem terug te betalen.
2.4.
Voormelde afspraak en betaling is door [lid 1 van de raad van commissarissen] en [lid 2 van de raad van commissarissen] bevestigd in een door hen opgestelde en door hen ondertekende verklaring van 21 december 2022. Een afschrift van deze verklaring is overgelegd als productie in deze procedure.
2.5.
Het onder 2.3. genoemde bedrag is niet aan [eiser] terugbetaald.
3De vordering
3.1. [
eiser] vordert dat Kriabon wordt veroordeeld tot betaling aan hem van
USD 4.090,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2023 tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede tot betaling aan hem van USD 418,50 als vergoeding voor door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, kosten rechtens waaronder nakosten.
3.2.
De gevorderde hoofdsom betreft een nakomingsvordering van een door [eiser] gestelde verbintenis tot terugbetaling van een door hem gestelde lening die hij met Kriabon zou zijn overeengekomen. Subsidiair stelt hij dat in dit verband sprake is van onverschuldigde betaling en meer subsidiair van ongerechtvaardigde verrijking.
3.3.
Kriabon voert als verweer aan dat zij kan bevestigen noch ontkennen dat het genoemde bedrag door haar is ontvangen of anderszins aan haar of haar werknemers ten goede is gekomen voor de betaling van de salarissen voor december. Zij was er niet bij, zo voert zij aan. De commissarissen zouden niet bevoegd zijn tot het aangaan van overeenkomsten waaronder deze door [eiser] gestelde overeenkomst van geldlening. Daarnaast zou met betrekking tot deze overeenkomst niet zijn voldaan aan het in de statuten opgenomen schriftelijkheidsvereiste voor besluiten van de raad van commissarissen.
3.4.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De vordering zal worden toegewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.2.
Als al geen sprake is van een rechtsgeldig overeengekomen geldlening, dan staat in ieder geval nog wel als onvoldoende weersproken vast dat het gevorderde bedrag aan Kriabon is betaald of aan haar ten goede is gekomen door het daarmee betalen van de salarissen van haar werknemers voor december. Kriabon stelt dat zij kan bevestigen noch ontkennen dat het bedrag door haar is ontvangen of ten behoeve van de betaling van de salarissen van haar werknemers is aangewend. Gelet echter op de gemotiveerde, en met de onder 3.3. bedoelde verklaring onderbouwde stelling, moet het ervoor worden gehouden dat het bedrag daadwerkelijk door of namens Kriabon is ontvangen en het is aangewend voor de betaling van de salarissen van de werknemers voor december. Als Kriabon daarover twijfelt dan zou zij moeten aangeven met welke middelen zij de salarissen voor december dan wél zou hebben betaald. Dat zou zij in haar boekhouding en/of rekeningafschriften moeten kunnen nazien. Tijdens de comparitie van partijen is namens haar verklaard dat zij in dat verband nog niets heeft ondernomen. Met die stand van zaken moet de vordering worden aangemerkt als onvoldoende, althans onvoldoende gemotiveerd, door haar weersproken, en zal deze daarom worden toegewezen, met de wettelijke rente zoals gevorderd. Ook de door [eiser] gevorderde vergoeding in verband met door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen.
4.3.
Kriabon zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op USD 136,58 voor de deurwaarder, USD 251,00 voor het griffierecht en USD 558,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief 3). Als gevorderd, zal Kriabon ook in de nakosten worden veroordeeld.
Dictum
Het gerecht,
5.1.
veroordeelt Kriabon tot betaling aan [eiser] van USD 4.090,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt Kriabon tot betaling aan [eiser] van USD 418,58 in verband met door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt Kriabon in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op USD 945,50,
5.4.
veroordeelt Kriabon in de nakosten van USD 140,00 en worden verhoogd tot USD 224,00 indien betekening van het vonnis plaatsvindt indien Kriabon niet binnen twee weken na een daarop gericht verzoek vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en uitgesproken op
29 november 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.