Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2023-11-03
ECLI:NL:OGEABES:2023:28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,269 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE
Uitspraak
in de zaak tussen:
[naam eiseres],
domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat te Bonaire,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
verweerder,
gemachtigde: R.R. Lamidi.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de intrekking van de eerder aan haar verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
1.1
In de brief van 2 september 2022 heeft verweerder aangekondigd van plan te zijn om de verblijfsvergunning van eiseres in te trekken. Op dit voornemen heeft eiseres in de brief van 19 september 2022 gereageerd. Deze brief van eiseres heeft verweerder niet op andere gedachten gebracht. Bij beschikking van 5 oktober 2022 (de bestreden beschikking) heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 11 maart 2022.
1.2
De intrekking van haar tijdelijke verblijfsvergunning per 11 maart 2022 heeft feitelijk niet geleid tot een beëindiging van eiseres’ verblijf op Bonaire. Per 24 mei 2022 is namelijk aan haar opnieuw een tijdelijke verblijfsvergunning verleend. Eisers heeft echter op de zitting toegelicht dat zij vanwege de periode zonder geldige verblijfstitel (tussen 11 maart en 24 mei 2022) voorlopig geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dit is de reden dat eiseres beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking.
1.3
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
Het Gerecht heeft het beroep van eiseres op 22 september 2023 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde waren daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Het Gerecht beoordeelt of de bestreden beschikking in stand kan blijven. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft namelijk te weinig onderzoek verricht om te kunnen concluderen dat eiseres de voorwaarden van haar verblijfsvergunning heeft overtreden. Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Eiseres beschikte over een verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. In deze vergunning is als beperking opgenomen dat werken in loondienst alleen is toegestaan als de werkgever hiervoor een geldige werkvergunning heeft.
3.2
Eiseres en haar echtgenoot wonen boven de [naam supermarkt].
De echtgenoot van eiseres is eigenaar van deze supermarkt. Op 11 maart 2022 heeft de arbeidsinspectie daar een controle uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport. In dit rapport staat onder andere geschreven dat eiseres werkend achter de kassa is aangetroffen, terwijl haar echtgenoot daarvoor geen geldige werkvergunning heeft.
Wat is het toetsingskader in deze zaak?
4. De wettelijke bevoegdheid om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken is geregeld in artikel 14 van de Wet toelating en uitzetting BES. Op grond van deze bepaling kan verweerder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd intrekken als – voor zover hier van belang – aan één of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:
- dit in het algemeen belang wenselijk is (aanhef en onder c);
- op grond van het verkeren in zodanige staat van behoeftigheid, dat de vreemdeling niet langer naar behoren in het onderhoud van zichzelf en zijn wettig gezin kan voorzien (aanhef en onder d);
- indien de vreemdeling niet voldoet aan één of meer van de aan zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verbonden beperkingen of voorschriften (aanhef en onder e).
Wat is de reden dat verweerder de vergunning van eiseres heeft ingetrokken?
5. Naar aanleiding van de inhoud van het hiervoor genoemde rapport van de arbeidsinspectie heeft verweerder aan eiseres het voornemen geuit om haar verblijfsvergunning in te trekken. Eiseres heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat zij slechts korte tijd achter de kassa stond omdat haar man na zijn ontbijt naar het toilet moest. In de bestreden beschikking heeft verweerder deze verklaring ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiseres door achter de kassa te werken zonder dat haar echtgenoot hiervoor een geldige werkvergunning had, de beperking van haar verblijfsvergunning overtreden. Op grond van artikel 14 onder c, d en e van de Wet toelating en uitzetting heeft verweerder de vergunning van eiseres per 11 maart 2022 ingetrokken. Op de zitting is toegelicht dat in de bestreden beschikking ten onrechte de grond van artikel 14, aanhef en ‘onder d’ als reden voor de intrekking is genoemd.
Wat voert eiseres aan tegen de bestreden beschikking?
6. Eiseres voert ook in beroep aan dat zij niet werkzaam was in de supermarkt van haar man. Zij heeft hem op diens verzoek slechts korte tijd waargenomen achter de kassa, omdat hij even elders bezig was. Eiseres was beschikbaar en ter plaatse om even bij te springen aangezien zij vanwege haar vergevorderde zwangerschap thuis was in hun woning boven de supermarkt.
6.1
Het Gerecht begrijpt dit betoog van eiseres zo, dat verweerder niet op basis van de in het rapport van de arbeidsinspectie vermelde enkele waarneming heeft kunnen concluderen dat eiseres daar werkzaam was. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dit als volgt.
6.2
Het intrekken van een verblijfsvergunning is een belastend besluit, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in principe rust op verweerder.
6.3
In dit geval heeft verweerder zijn conclusie dat eiseres bij [naam supermarkt] werkzaam was als kassière, uitsluitend gebaseerd op één enkele waarneming van de inspecteur die de controle op 11 maart 2022 heeft uitgevoerd. Eiseres heeft voor haar aanwezigheid op dat moment achter de kassa een verklaring gegeven die het Gerecht niet ongeloofwaardig voorkomt. Tegen deze achtergrond had van verweerder verwacht mogen worden dat hij nader onderzoek zou uitvoeren waaruit blijkt dat eiseres niet eenmalig voor korte tijd in de supermarkt achter de kassa stond, maar daar als kassière werkte. Dit nadere onderzoek had kunnen bestaan uit het ondervragen van de medewerkers van de supermarkt en/of uit het uitvoeren van meerdere controles op verschillende momenten. Nu verweerder dit heeft nagelaten, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat eiseres de voorwaarde van haar verblijfsvergunning heeft overtreden (grond e). Dat intrekking van de vergunning ook om een andere reden in het algemeen wenselijk zou zijn (grond c), blijkt niet uit de bestreden beschikking. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en al om deze reden niet in stand kan blijven. De overige beroepsgronden van eiseres kunnen daarom onbesproken blijven.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Het Gerecht zal de bestreden beschikking vernietigen.
Dit betekent dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres van tafel is en de vergunning geldig is gebleven.
7.1
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van USD 84,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt USD 782,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt USD 391,-).
Dictum
Het Gerecht:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden beschikking;
veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van haar proceskosten tot een bedrag van USD 782,-;
bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van USD 84,- aan haar vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2023, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van de uitspraak.