Rechtspraak 2026-01-21
ECLI:NL:OGEAA:2026:21
Beschikking van 21 januari 2026 Behorend bij AUA202503795 EJ GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de zaak van: FUELS MARKETING & SUPPLY ARUBA (FMSA) N.V. , te Aruba, verzoekster, hierna ook te noemen: FMSA, gemachtigden: de advocaten mrs. C.B.A. Coffie en L.D. Gomez, tegen: [Verweerder] , te Aruba, verweerder, hierna ook te noemen: [verweerder], gemachtigden: de advocaten mrs. R.P. Lee en D. Canwood. 1 DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 17, ingediend op 13 november 2025; - het verweerschrift met producties 1 tot en met 6; - de aanvullende producties 18 tot en met 28 van FMSA; - de pleitaantekeningen van de advocaten van partijen; - de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 4 december 2025. 1.2 Ter zitting zijn verschenen namens FMSA de heer [statutair directeur] (statutair directeur), bijgestaan door de gemachtigde mr. Coffie voornoemd, en [verweerder], bijgestaan door zijn gemachtigden voornoemd. 1.3 Beschikking is nader bepaald op heden. 2 DE FEITEN 2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen. 2.2 FMSA is een bedrijf dat zich in Aruba bezig houdt met de handel en distributie van aardolieproducten. FMSA is een dochterbedrijf van Reniferia di Aruba (RDA) N.V. (hierna: RDA). Enig aandeelhouder van RDA is het Land Aruba. 2.3 [ Verweerder] was sinds 31 januari 2018 werkzaam bij RDA. Per 1 december 2019 is [verweerder] in dienst getreden bij FMSA in de functie van ‘Operations, Health and Safety Advisor’, voor een bruto jaarloon van Afl. 175.000,-, inclusief een dertiende en veertiende maand. 2.4 Laatstelijk vervulde [verweerder] de functie van Health, Safety, Environmental & Operations Compliance Superintendent (hierna: HSE Superintendent). 2.5 Op 10 september 2025 is een brand ontstaan op het terrein van RDA, nabij het terrein van FMSA. Rond 8:32 uur in de ochtend heeft een voorbijganger aan de alarmcentrale van de brandweer melding gedaan van de brand. 2.6 In het verslag van de brandweer met betrekking tot de brand staat, voor zover hier van belang, het volgende: “ Situatie bij aankomst eerste eenheid: Om 9:49 AM was AS-2 ter plaatse en werd gelijk gemeld dat het brand aan het verspreiden is. Bij aankomst bij Gate # 5 weigerde de security van de RDA om het hek voor ons open te maken. De reden hiervoor was dat het hierbij ging om een privéterrein en dat het opdracht had om niemand op het terrein te laten komen. Als gevolg hiervan moesten we een omrit maken, om op het terrein te komen (…). Aanbevelingen en vervolgacties: -Bij aankomst bij Gate 5 van de RDA Aruba (…) wilde de beveiligingsagent het hek niet open maken, met als gevolg dat het brand de kans kreeg om sneller uit te breiden en uit de hand te lopen. Het is van groot belang dat het voor iedereen werkzaam bij de RDA bekend is, dat bij incidenten van deze grootte er altijd toegang dient te worden gegeven aan brandweerpersoneel. Dit incident had grotere consequenties kunnen hebben als gevolg van deze houding van het personeel van de RDA”. 2.7 Op 11 september 2025 heeft [verweerder] aan het management een e-mailbericht verstuurd met de volgende inhoud: “Hereby, I would like to share the following: Please find attached, an document of emergency concern from the department Operations HSE and Compliance. The fire incident from yesterday on the Refinery’s premises, was too close for comfort and should be address with grand emergency. I stayed up all night trying to put this emergency concern on letter, to have a input in trying to better our organization with its communication and preparedness protocol. All involve may and should feel free to put their opinion and point of view on paper to freely discuss. Hoping, we as a team (Upper and lower management) could have this meeting in bettering our communica Als gewichtige redenen worden beschouwd omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677, eerste lid, BW zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst om die reden onverwijld zou zijn opgezegd, alsook veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. 4.4 FMSA stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van een dringende reden, en subsidiair van veranderingen in de omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. FMSA legt aan deze stellingen ten grondslag (i) dat [verweerder] ernstig is tekortgeschoten in zijn functie tijdens de brand van 10 september 2025, (ii) dat [verweerder] vertrouwelijke informatie heeft doorgestuurd naar een derde, (iii) e-mailberichten die aan FMSA toebehoren heeft gewist, (iv) nalatig is geweest wat betreft het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen op de werkvloer, en (v) verantwoordelijk is voor het verlies van vertrouwen en/of een verstoorde arbeidsverhouding. Het Gerecht zal hierna deze punten achtereenvolgens bespreken. (i) de brand van 10 september 2025 4.5 FMSA verwijt [verweerder] kort gezegd dat hij tijdens de brand in zijn kantoor is blijven zitten, terwijl zijn collega’s hielpen met het beheersen/bestrijden van de brand. FMSA verwachtte van [verweerder] een actieve betrokkenheid bij de brand, gelet ook op zijn leidinggevende functie en zijn verantwoordelijkheid om veiligheidsincidenten te rapporteren. [Verweerder] betwist dat hij is tekortgeschoten in zijn functie ten tijde van de brand. 4.6 Het Gerecht volgt FMSA niet in haar betoog. Vooropgesteld wordt dat de brand heeft plaatsgevonden op het terrein van RDA en niet die van FMSA. [Verweerder] had dan ook niet direct te maken met de brand. Dat de terreinen van FMSA en RDA naast elkaar liggen, doet daaraan niet af. Ook maakt geen verschil, zoals FMSA stelt, dat de kantoorruimte van [verweerder] zich in een door RDA gehuurd gebouw bevindt. Dat betekent immers niet dat [verweerder] zich zou moeten gedragen als een medewerker van RDA. [Verweerder] heeft onweersproken gesteld dat RDA een eigen HSE Superintendent heeft die bij dergelijke incidenten de leiding behoort te nemen. Daarnaast stelt [verweerder] terecht dat de brandweer de aangewezen partij is om de brand te bestrijden en dat de brandweer ook redelijk snel ter plaatse was nadat een voorbijganger een melding van de brand had gemaakt. De bestrijding van de brand werd volgens [verweerder] vervolgens gecoördineerd door de brandweer in samenspraak met de HSE Superintendent van RDA. Gelet hierop valt niet in te zien waarom van [verweerder] (in het bijzonder) een actieve(re) betrokkenheid werd verwacht. Zoals gezegd was de brand niet bij FMSA en evenmin is gebleken dat een escalatie van de brand richting het terrein van FMSA dreigde. Dat de brandweer in het verslag van de brand als mogelijke uitbreidingsrisico’s de eigendommen van FMSA heeft genoemd, is daarvoor onvoldoende. 4.7 Uit de arbeidsovereenkomst van [verweerder] blijkt niet concreet hoe [verweerder] dient te handelen in het geval van brand. [Verweerder] heeft naar aanleiding van de brand een ‘ Emergency Response Plan ’ opgesteld en heeft dit plan de dag na de brand intern rondgemaild. In de visie van FMSA was dat echter niet genoeg en ‘mosterd na de maaltijd’. FMSA stelt dat [verweerder] tijdens de brand het volgende had kunnen doen: het bespreken van de brand met FMSA-personeel, ervoor zorgen dat er geen gevaarlijk werk werd verricht op het terrein van FMSA gedurende de brand, het registreren van incidenten en een debriefing aan het einde van de brand. Het Gerecht gaat ook hieraan voorbij. Gesteld noch gebleken is dat tijdens de brand ‘gevaarlijk werk’ werd verricht op het terrein van FMSA, waardoor ingrijpen van [verweerder] noodzakelijk was. Verder heeft FMSA niet toegelicht waarom het bespreken van de brand met FMSA-personeel en het doen van een debriefing aan he Conclusie 4.12 Al met al is het Gerecht van oordeel dat - anders dan FMSA meent - de gedragingen van [verweerder] op de dag van de brand geen (uitgestelde) dringende reden kunnen opleveren die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen, niet op zichzelf en ook niet in samenhang bezien met de andere omstandigheden waar FMSA zich op beroept. Die andere omstandigheden zijn gelet op de gemotiveerde betwisting van [verweerder] onvoldoende aannemelijk en overigens ook in deze procedure voor het eerst aan de orde gesteld. 4.13 Hoewel gelet op het voorgaande het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden niet toewijsbaar is, blijkt uit de stellingen van partijen evident dat zij niet meer met elkaar overweg kunnen. Volgens [verweerder] heeft de nieuwe directeur van FMSA het wegens politieke redenen op hem gemunt en is naar aanleiding van de brand gezocht naar redenen om [verweerder] te ontslaan. Het Gerecht acht de arbeidsverhouding tussen FMSA, haar nieuwe directeur in het bijzonder, en [verweerder] dermate verstoord dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is. Op grond daarvan staat naar het oordeel van het Gerecht voldoende vast dat sprake is van een verandering in de omstandigheden, die tot gevolg heeft dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt daarom toegewezen. 4.14 Het Gerecht dient vervolgens te beoordelen of aan [verweerder] een vergoeding toekomt in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en – indien dat het geval is – op welk bedrag deze vergoeding dient te worden vastgesteld. Nu gelet op het voorgaande geen verwijtbaar handelen van [verweerder] kan worden vastgesteld, is het Gerecht van oordeel dat de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de verstoorde arbeidsrelatie in sterk overwegende mate aan FMSA zijn te wijten. Het Gerecht is daarom van oordeel dat aan [verweerder] een ten laste van FMSA komende billijke vergoeding toekomt. 4.15 Bij de vaststelling van de hoogte van die vergoeding houdt het Gerecht rekening met alle omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat [verweerder] [leeftijd] jaar is en in 2028 met pensioen zal gaan, zijn bruto jaarsalaris Afl. 175.000,- bedraagt en een dienstverband van 6 jaar heeft. Gelet hierop komt het Gerecht de door [verweerder] verzochte vergoeding van Afl. 437.490,- billijk en gepast voor. Op dit bedrag dient een eventuele aan [verweerder] toekomende cessantia-uitkering in mindering te worden gebracht. 4.16 Op grond van artikel 7:685, negende lid, BW zal FMSA de gelegenheid krijgen, zoals hierna is beslist, om het ontbindingsverzoek in te trekken. Indien FMSA daartoe overgaat, zal zij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder]. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,- aan gemachtigdensalaris. Indien FMSA haar ontbindingsverzoek niet (tijdig) intrekt brengen de aard en de uitkomst van de procedure met zich dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd, aldus dat ieder de eigen kosten draagt. 5 DE UITSPRAAK Het Gerecht: 5.1 stelt FMSA in de gelegenheid om haar ontbindingsverzoek in te trekken middels een daartoe uiterlijk op woensdag 28 januari 2026 ter griffie van het Gerecht af te leggen schriftelijke verklaring, met gelijktijdig afschrift daarvan aan [verweerder]; 5.2 veroordeelt FMSA in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-; voor het geval FMSA haar verzoek niet (tijdig) intrekt 5.3 ontbindt de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst met ingang van donderdag 29 januari 2026 ; 5.4 kent ten laste van FMSA aan [verweerder] toe een ontbindingsvergoeding van Afl. 437.490,-, met dien verstande dat een eventueel door FMSA aan [verweerder] uit te keren bedrag aan cessantia in mindering strekt op die vergoeding; 5.5 compenseert de proceskosten, aldus dat iedere pa