Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2025-11-05
ECLI:NL:OGEAA:2025:340
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,187 tokens
Inleiding
Vonnis van 5 november 2025
Behorend bij A.R. no. AUA202304450
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,
tegen:
[Gedaagde],
wonende te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: de man,
gemachtigde: de advocaat mr. Z.T.M. Arendsz-Marchena.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in deze zaak van 16 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de aanvullende conclusie van repliek van 14 mei 2025;
- de aanvullende conclusie van dupliek van 17 september 2025.
1.2
Vonnis is vervolgens bepaald op vandaag.
2DE VERDERE BEOORDELING
Vermeerdering van eis
2.1
De vrouw heeft bij aanvullende conclusie van repliek haar eis vermeerderd, in die zin dat zij vordert dat de man (tevens) wordt bevolen ex artikel 3:173 BW rekening en verantwoording af te leggen over de door hem ontvangen inkomsten uit de verhuur van de woning en het daarbij behorende appartement. De man heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis, stellende dat de eis te laat is ingesteld en leidt tot een onredelijke vertraging en onredelijke bemoeilijking van de verdediging. Dit bezwaar wordt gepasseerd. Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de vrouw in beginsel bevoegd haar eis te vermeerderen. De man heeft in zijn aanvullende conclusie van dupliek op de eiswijziging kunnen reageren. Door de eisvermeerdering wordt de man niet onredelijk bemoeilijkt in zijn verdediging en er is geen sprake van onredelijke vertraging van het geding. Door de man is niets aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt. De eiswijziging is niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en is daarom toegestaan.
De ontbonden huwelijksgoederengemeenschap
2.2
Nu in dezen het voor 1 september 2021 geldende recht van toepassing is, is de huwelijksgoederengemeenschap ontbonden door het eindigen van het huwelijk tussen partijen. Het huwelijk eindigde door echtscheiding en de echtscheiding is tot stand gekomen door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De echtscheidingsbeschikking is op 17 september 2017 ingeschreven. De tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap is dan ook per die datum ontbonden. Dit is de peildatum voor de omvang van de gemeenschap.
2.3
Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd blijkt dat op de peildatum het volgende tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorde:
1. het recht van erfpacht op een perceel grond, met daarop gebouwd een houten opstal
(hierna: de woning) en een appartement, gelegen aan de [adres] te Aruba;
2. de inboedel;
3. een viertal auto’s;
4. gereedschap.
2.4
Verder is volgens de vrouw sprake van schulden (waaronder de erfpachtcanon), ontvangt de man huurpenningen voor de verhuur van de woning en het appartement en heeft zij, de vrouw, recht op de helft daarvan en dient de man aan haar een vergoeding voor het gebruik van de woning te betalen. De man voert hiertegen verweer en stelt zich op het standpunt dat de vrouw haar aandeel in de eigenaarslasten van de woning dient te betalen.
Het recht van erfpacht met de woning en het appartement
2.5
Zowel de vrouw als de man stelt zich op het standpunt dat het recht van erfpacht aan haar/hem moet worden toegedeeld. Zij hebben echter geen van beiden gesteld en onderbouwd dat zij de eventuele toedeling kunnen financieren. Ook is de huidige waarde van de woning niet bekend en blijkt uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd onvoldoende duidelijk of (nog) sprake is van een hypothecaire geldlening en zo ja, wat daarvan op de peildatum de hoogte was en wie daarna de hypotheeklasten heeft betaald. Evenmin is duidelijk wat de (overige) eigenaarslasten zijn en wat de man dan precies heeft betaald. Het Gerecht ziet daarom aanleiding een comparitie van partijen te gelasten teneinde de toedeling en/of de (wijze van) verkoop van het recht van erfpacht net partijen te bespreken en om vragen te kunnen stellen over de (hoogte van en betalingen voor) de (eventuele) hypothecaire geldlening en andere lasten. Tevens zal aan de orde worden gesteld het gebruik van de woning door partijen na de peildatum, de (wijze van berekening van de) door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding, de door de man in de woning gedane investeringen en de volgens de vrouw door de man ontvangen huurinkomsten en de daarover af te leggen rekening en verantwoording. Ook op deze onderdelen bestaat vooralsnog onvoldoende duidelijkheid om beslissingen te kunnen nemen.
De inboedel
2.6
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de inboedel van de woning een waarde heeft van Afl. 15.000,- en dat de inboedel tegen die waarde aan de man moet worden toegedeeld. De man heeft weersproken dat de inboedel een dergelijke waarde heeft en zich op het standpunt gesteld dat als de vrouw bij deze waarde blijft, de inboedel tegen die waarde aan haar kan worden toegedeeld. Tevens heeft de man aangevoerd dat de vrouw bij haar vertrek uit de woning al spullen heeft meegenomen en dat de inboedel tweedehandsgoederen zijn die bij het aangaan van het huwelijk (dus begin 2006) zijn aangeschaft. Nu de vrouw deze laatste stellingen van de man niet heeft weersproken, geen van partijen heeft benoemd wat precies tot de inboedel behoort en de man al een aantal jaren alleen in de woning verblijft en gebruik van de inboedel maakt, ziet het Gerecht aanleiding de inboedel toe te delen aan de man tegen een, om proceseconomische redenen geschatte, waarde van Afl. 2.000,-. De man is gehouden de vrouw een overbedelingsvergoeding van Afl. 1.000,- te betalen.
De auto’s
2.7
Niet is in geschil dat tot de gemeenschap vier auto’s behoren: een Suzuki Grand Vitara bouwjaar 1989, een Suzuki Grand Vitara bouwjaar 2002, een BMW en een pick-up. Partijen verschillen van mening over de waarde van de auto’s. Volgens de vrouw zijn de auto’s respectievelijk Afl. 1.000,-. Afl. 2.000,-, Afl. 6.000,- en Afl. 1.000,- waard. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat alle auto’s gezamenlijk een waarde hebben van Afl. 2.000,-. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de man een brief van Garage Centraal van 31 oktober 2019 overgelegd, waarin staat dat de auto’s “een gezamenlijke waarde van (4x 500) Afl. 2.000,-” hebben. De vrouw wil dat de BMW en de Suzuki met bouwjaar 2002 aan haar worden toegedeeld en de andere twee auto’s aan de man, het Gerecht begrijpt zonder nadere verrekening. De man wil op zijn beurt dat de auto’s aan hem worden toegedeeld.
2.8
Nu de vrouw de door haar gestelde waarde van de auto’s op geen enkele wijze heeft onderbouwd, gaat het Gerecht uit van het door de man overgelegde stuk waaruit blijkt dat de waarde van ieder van de auto’s in 2019 Afl. 500,- was. Partijen hebben niets aangevoerd waaruit de huidige waarde van de auto’s blijkt. De man heeft, zo begrijpt het Gerecht, steeds de beschikking over deze auto’s gehad en na de peildatum reparaties aan de auto’s verricht en gelden in de auto’s geïnvesteerd. Gelet hierop en op de tussen partijen als gewezen echtgenoten in acht te nemen redelijkheid en billijkheid, ziet het Gerecht aanleiding te bepalen dat de auto’s aan de man worden toegedeeld onder de verplichting een overbedelingsvergoeding van Afl. 1.000,- aan de vrouw te betalen.
Het gereedschap
2.9
Volgens de vrouw behoort tot de gemeenschap gereedschap met een waarde van Afl. 25.000,-. De man heeft hiertegen aangevoerd dat slechts aanwezig is een tweedehands aangeschafte luchtcompressor, een beperkt aantal schroevendraaiers, een hamer en tuingereedschap en dat dit gereedschap - indien nieuw aangeschaft - nog geen Afl. 1.000,- zou kosten. Gelet hierop en nu de vrouw haar stelling op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd en onderbouwd, gaat het Gerecht ervan uit dat tot de te verdelen gemeenschap een luchtcompressor, schroevendraaiers, een hamer en tuingereedschap behoren.