Rechtspraak 2025-08-19
ECLI:NL:OGEAA:2025:333
Uitspraak van 21 augustus 2025 BBZ nrs. AUA202402594 tot en met AUA202402596 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende] , gevestigd te Aruba, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN , zetelend in Aruba, de Inspecteur. 1 PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 9 november 2023 een naheffingsaanslag Bestemmingsheffing AZV (BAZV) over de maand augustus 2023 opgelegd van Afl. 15.476. 1.2 Aan belanghebbende is op 9 november 2023 een naheffingsaanslag Belasting over bedrijfsomzetten (BBO) en belasting additionele voorzieningen projecten (BAVP) over de maand augustus 2023 opgelegd van Afl. 20.842. 1.3 Belanghebbende heeft op 8 januari 2024 tegen de naheffingsaanslagen BAZV en BBO/ BAVP pro forma bezwaar gemaakt. Op 28 maart 2024 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaarschrift aangevuld. 1.4 De Inspecteur heeft op 23 mei 2024 uitspraken op bezwaar gedaan en heeft de naheffingsaanslagen BAZV en BBO/BAVP over de maand augustus 2023 gehandhaafd. 1.5 Belanghebbende heeft op 18 juli 2024 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. 1.6 De Inspecteur heeft op 17 september 2024 een verweerschrift ingediend. 1.7 Partijen zijn op 2 april 2025 uitgenodigd voor de zitting van 15 mei 2025. 1.8 De zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025 te Oranjestad. Namens belanghebbende is verschenen [A], alsmede haar gemachtigde [B], vergezeld door [C] en [D]. Namens de Inspecteur is verschenen [E]. 1.9 Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd aan de wederpartij en het Gerecht. 2 FEITEN 2.1 Belanghebbende heeft een onderneming die wordt gedreven in de vorm van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (VBA). De vennootschap is opgericht op 27 november 2020. 2.2 Belanghebbende is een houdstermaatschappij en heeft aandelen in verschillende dochterondernemingen. Belanghebbende vormt een fiscale eenheid voor de BBO met haar dochterondernemingen zoals [K] VBA, [L] NV handelend onder de naam [X] en [Z] NV handelend onder de naam [W]. 2.3 Belanghebbende heeft verklaard dat [K] VBA de goederen importeert en deze doorverkoopt aan de andere dochterondernemingen met een winstmarge en/of commissie van 15 procent tot 18 procent. 2.4 Er is op 6 oktober 2023 een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld in verband met de afgetrokken BBO/BAVP en BAZV bij invoer in de maand augustus 2023. In het rapport is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “ Aangifte BBO/BAZV augustus 2023 2.1 VERANTWOORDE AFTREK Belastingplichtige heeft in de maand augustus 2023 goederen ingevoerd en heeft derhalve ook BBO en BAZV bij invoer betaald. Belastingplichtige heeft in haar aangifte BBO/BAZV over de maand augustus 2023 aftrek geclaimd. De betaalde BBO en BAZV en het geclaimde aftrek is in de onderstaande schema weergegeven. Aangifte BBO/BAZV Betaald Aftrek BBO 22.984 20.842 BAZV 17.239 15.476 Totaal 40.223 36.318 Aan belastingplichtige is gevraagd hoe het aftrekbedrag is bepaald. Desgevraagd verklaarde belastingplichtige dat deze goederen betrekking hebben op eet- en drinkwaren die [K] VBA heeft ingevoerd en opgeslagen en zijn bestemd voor wederverkoop aan de dochterondernemingen. Het restant bedrag ad 3.905 (40.223 -/- 36.318) waarover geen aftrek is geclaimd heeft betrekking op goederen zoals computer, machines, keukeninstrumenten, keukengerei, uniform, waterfilters en overige artikelen en zijn niet voor wederverkoop bestemd. Hiermee heeft belastingplichtige bij haar aangifte al rekening gehouden. 2.2 INZAGE IN INVOERDOCUMENTATIE Ik ga niet akkoord met de aangegeven aftrek. De reden is er wordt in het algemeen geen BBO afgedragen bij het leveren van goederen of het verrichten van diensten tussen vennootschappen binnen een fiscaal eenheid. De vennootschappen van de fiscale eenheid mogen elkaar namelijk hiervoor geen BBO in rekening brengen. Dit is inherent aan het hebben van een fiscale eenheid voor belastingdoeleinde Er wordt een belasting geheven ter zake van invoer van goederen door ondernemers. De belasting is verschuldigd op het tijdstip waarop de invoer geschiedt. 2. (…). 3. De krachtens het eerste lid betaalde belasting komt in aanmerking voor aftrek overeenkomstig artikel 10, derde tot en met vijfde lid. Artikel 10 1. De in een tijdvak verschuldigde belasting wordt op aangifte voldaan. 2. Het tijdvak is een kalendermaand. 3. Op de belasting die de ondernemer verschuldigd is ingevolge het eerste lid, kan in aftrek worden gebracht de door de ondernemer ter zake van de invoer handelsgoederen in het tijdvak van aangifte betaalde belasting. (…) 4.2 Van de in artikel 1, lid 5 Lv BBO geboden bevoegdheid om nadere regels te stellen is gebruik gemaakt bij de ministeriële regeling van 13 september 2023 (Regeling handelsgoederen). Voor zover hier van belang is in de Regeling handelsgoederen het volgende bepaald: Artikel 2 Voor de toepassing van het begrip handelsgoederen wordt in geval van levering van een goed als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening, respectievelijk artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening BAZV mede aangemerkt: goederen die bestemd zijn om bedrijfsmatig doorverkocht te worden, waarbij het goed materieel gezien hetzelfde is gebleven en de wezenlijke kenmerken van het goed niet zijn veranderd na eventuele bewerking of verwerkingshandelingen binnen de eigen onderneming; onderdelen die door de ondernemer in de eigen onderneming worden geassembleerd of verwerkt worden tot een nieuw handelsgoed dat bedoeld is om bedrijfsmatig doorverkocht te worden; en elke bewerkingshandeling van de ondernemer ten aanzien van eet- en drinkwaren, die bestemd zijn om bedrijfsmatig doorverkocht te worden, waarbij de levering van eet- en drinkwaren nagenoeg uitsluitend de overhand heeft en niet ondergeschikt is aan het verrichten van een dienst. Artikel 3 1. Deze ministeriële regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar plaatsing in het Afkondigingsblad van Aruba, en werkt terug tot en met 1 augustus 2023. 2. Deze ministeriële regeling wordt aangehaald als: Regeling handelsgoederen. 4.3 Belanghebbende vormt samen met een aantal dochtermaatschappijen een fiscale eenheid in de zin van artikel 1, lid 4, Lv BBO . Genoemd artikel bepaalt: 4. Indien een in Aruba gevestigde ondernemer, de moedermaatschappij, juridisch en economisch eigenaar is van alle aandelen in het nominaal geplaatst kapitaal van de dochtermaatschappij van een andere in Aruba gevestigde ondernemer, de dochtermaatschappij, wordt op verzoek van beide ondernemers de belasting geheven alsof er één ondernemer is. De Inspecteur der belastingen beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking. De belasting wordt geheven bij de moedermaatschappij; van een fiscale eenheid als bedoeld in de eerste volzin, kan meer dan één dochtermaatschappij uitmaken. De Minister kan regels stellen ten aanzien van de vorming, wijziging en beëindiging van een fiscale eenheid als bedoeld in de eerste volzin. Fiscale eenheid en het recht op aftrek voorbelasting bij intercompany transacties 4.4 Belanghebbende vormt een fiscale eenheid met [K] VBA, alsook met dochtermaatschappijen aan wie [K] VBO de geïmporteerde goederen waarvoor aftrek van voorbelasting wordt geclaimd heeft geleverd. Kenmerkend voor een fiscale eenheid is dat de moedermaatschappij en de dochtermaatschappijen die daarvan deel uitmaken voor fiscale doeleinden worden aangemerkt als één belastingplichtige. Transacties tussen verschillende maatschappijen (intercompany transacties) leiden daardoor niet tot verschuldigdheid van BBO/BAVP en BAZV. Als belastingplichtige van de fiscale eenheid wordt aangemerkt de moedermaatschappij. 4.5 Vanwege de aanwezigheid van een fiscale eenheid wordt de import van goederen voor de heffing van BBO/BAVP en BAZV niet geacht te hebben plaatsgevonden door [K] VBA, maar door belanghebbende. De civielrechtelijke wederverkoop van [K] VBA aan Voor wat betreft de genoemde verruiming ten aanzien van eet- en drinkwaren is het volgende voorbeeld gegeven: ‘De verstrekking van eet- en drinkwaren kan als een handelsgoed worden aangemerkt indien de levering van eet- en drinkwaren nagenoeg uitsluitend de overhand heeft en niet ondergeschikt is aan het verrichten van een dienst (hoofdprestatie), zoals bijvoorbeeld bij de aankoop van een hamburgermenu (hamburger, frietjes, en milkshake) met de daarbij behorende wegwerpservetjes, mayonaisesticks of ketchupsticks. Dit ligt geheel anders bij activiteiten, waarbij het verstrekken van eet- en drinkwaren ondergeschikt is aan het verrichten van een dienst (hoofdprestatie), zoals bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van restaurantinfrastructuur (lees: restaurantmeubilair, linnen servet, serviesgoed, tafellaken, ambiance, airconditioning, het adviseren en informeren van gasten over het aanbod aan eet- en drinkwaren, het opdienen van eet- en drinkwaren aan tafel, het na de maaltijd weer afruimen van de tafel en eventuele live muziek). Hierbij is het van belang om vast te stellen dat deze voornoemde activiteiten gekwalificeerd worden als diensten, in de zin van de Landsverordening belasting op invoer van goederen, over bedrijfsomzetten en additionele PPS-projecten en de Landsverordening bestemmingsheffing AZV.’ 4.12 In geschil is of de door belanghebbende ingevoerde goederen, voor zover daarvoor het recht op aftrek van voorbelasting is geclaimd (hierna: de door belanghebbende ingevoerde goederen), kunnen worden beschouwd als handelsgoederen, te weten goederen die bestemd zijn voor wederverkoop. Naar het oordeel van het Gerecht is dit niet het geval. Het Gerecht zal hierna toelichten waarom dit niet het geval is. 4.12.1 Handelsgoederen zijn goederen bestemd voor de handel , goederen bestemd om te verhandelen . De wetgever heeft dit tot uitdrukking gebracht door te bepalen dat het moet gaan om goederen die zijn bestemd voor de wederverkoop en heeft wederverkoop in de Memorie van Toelichting omschreven als doorverkopen van de ingevoerde goederen zonder enige bewerking (zie onderdeel 4.10). Aldus is naar het oordeel van het Gerecht een duidelijke omschrijving gegeven van handelsgoederen die overeenstemt met wat in het normale spraakgebruik daaronder wordt verstaan. De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting daarnaast benadrukt dat het bij handelsgoederen moet gaan om goederen . Onder goederen dient met name niet te worden begrepen de goederen die bij ‘doorverkoop’ onderdeel gaan uitmaken van een dienst, althans een ondergeschikt onderdeel uitmaken van die dienst. Ook deze toelichting draagt naar het oordeel van het Gerecht bij aan het duiden van het begrip ‘handelsgoederen’ en is alleszins begrijpelijk. 4.12.2 De door belanghebbende ingevoerde goederen zijn nu juist niet bestemd om door te verkopen zonder enige bewerking. Veeleer is sprake van het tegendeel. De door belanghebbende ingevoerde goederen vinden namelijk na te zijn ingekocht en na te zijn bewerkt hun weg naar de door belanghebbende in haar restaurants uitgeserveerde maaltijden. Zoals ter zitting is vast komen te staan betreffen dit de maaltijden die worden geserveerd in [X] en [Z]. Het enkele feit dat door belanghebbende ingevoerde goederen worden bewerkt en verwerkt in maaltijden betekent op grond van de tekst van de Lv BBO en de daarop betrekking Memorie van Toelichting dat geen recht bestaan op aftrek van voorbelasting, omdat de door belanghebbende ingevoerde goederen aldus niet zijn bestemd voor wederverkoop. Daarbij komt dat de door belanghebbende ingevoerde goederen in een type restaurant worden bewerkt en verwerkt ([X] en [Z]) waarbij kan worden aangenomen dat de bewerkte en verwerkte goederen een ondergeschikt onderdeel uitmaken van een dienst. Zulks is althans gesteld door de Inspecteur en onvoldoende betwist door belanghebbende. In verband met hetgeen in de vorige zin is opgemerkt, stelt het Gerecht vast dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust (zie 4.9), Het door de Minister gemaakte onderscheid, waarbij een grens wordt getrokken tussen een levering (onder omstandigheden wel handelsgoederen) en een dienst (geen handelsgoederen), is naar het oordeel van het Gerecht gerechtvaardigd en leidt er niet toe dat de ‘wide margin of appreciation’ die de Minister heeft, wordt overschreden. Het Gerecht wijst er, ten overvloede, op dat een vernietiging van de Regeling handelsgoederen belanghebbende overigens niet zou baten, omdat zij in een dergelijk geval enkel zou kunnen terugvallen op de wettelijke regeling, op grond waarvan zij sowieso geen recht zou hebben op aftrek van voorbelasting. 4.12.6 Naar het oordeel van het Gerecht is, in het bijzonder met betrekking tot de Regeling handelsgoederen, geen sprake van enige schending van algemeen bestuur, zoals genoemd door belanghebbende in diens beroepschrift. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien de Minister onderscheid mag maken tussen leveringen en diensten en gesteld noch gebleken is dat andere dienstverlenende restaurants dan de door belanghebbende geëxploiteerde [X] en [Z] wél aftrek van voorbelasting hebben gekregen. Er is geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel, omdat het gevolg (geen aftrek van voorbelasting) in een evenredige verhouding staat tot het doel van de Regeling handelsgoederen (aftrek van voorbelasting wordt slechts verleend ter zake van invoer van handelsgoederen en daar is bij dienstverlening, zoals in het geval van belanghebbende, geen sprake van). Anders dan belanghebbende stelt, is het Gerecht van oordeel dat de Regeling handelsgoederen niet op onzorgvuldige wijze is vastgesteld, ook niet indien in het in de Toelichting gegeven voorbeeld voor onduidelijkheid zou hebben gezorgd, zoals bij belanghebbende kennelijk het geval is. Tot slot is evenmin sprake van willekeur, omdat de door belanghebbende geëxploiteerde restaurants [X], en [Z] zowel ‘take out’, ‘delivery’, als het ter plaatse nuttigen aanbieden en de aftrek van voorbelasting in het geheel is gecorrigeerd. Door belanghebbende, op wie de bewijslast rust, is namelijk op geen enkel moment in de procedure enige inhoudelijke informatie verschaft ter zake van het mogelijke leveringskarakter, alsmede van de omvang daarvan, van de ‘take out’ en ‘delivery’. 5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht. 6 BESLISSING Het Gerecht: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken op 21 augustus 2025, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel- van der Biezen BSc. De griffier, De rechter, Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden. HOGER BEROEP Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij: Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer) J.G. Emanstraat 51 Oranjestad Aruba U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen: 1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener, b. de dagtekening, c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org . Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd: - natuurlijke personen: Afl. 75 - personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300 Hiervoor dient ook gelezen te worden: Landsverordening Bestemmingsheffing AZV (BAZV). Voor Lv BBO dient gelezen te worden: Lv BAZV. Voor Lv BBO dient ook gelezen te worden: Lv BAZV. Zoals vermeld onder 2. Feiten is de aftrek van voorbelasting door de Inspecteu