Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2025-03-19
ECLI:NL:OGEAA:2025:170
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,030 tokens
Inleiding
Vonnis van 19 maart 2025
Behorend bij AUA202303758 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,
gevestigd in Aruba,
eiseres,
hierna ook te noemen: IFA,
gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba, [adres],
gedaagde,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
procederende in persoon.
Procesverloop
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
-het verzoekschrift, met producties;
-de conclusie van antwoord;
-de conclusie van repliek, met producties;
-de tegen [gedaagde] verleende akte niet dienen van dupliek.
1.2 Vonnis is nader bepaald op heden.
Geschil
2.1
IFA vordert dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt:
a. om aan IFA te betalen Afl. 7.349,73, te vermeerderen met 27% aan gematigde contractuele rente gerekend vanaf 31 januari 2021 waarbij na iedere na die datum verrichte betaling die rente telkens verschuldigd is over de dan nog resterende hoofdsom tot een maximum van Afl. 9.828,35, en na het bereiken van dat maximum te vermeerderen met wettelijke rente tot de algehele voldoening, verder te vermeerderen met Afl. 750,-- aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;
b. in de proceskosten, waaronder begrepen die van het beslag.
2.2 [
Gedaagde] voert verweer.
2.3
Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.
Beoordeling
3.1 [
Gedaagde] heeft de in de conclusie van repliek door IFA neergelegde stellingen niet of niet nader bestreden. Die stellingen komen daarom vast te staan. In het licht van die vaststaande stellingen komt het door IFA verzochte onrechtmatig noch ongegrond voor, behoudens de door IFA verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Niet is gebleken immers dat IFA dienaangaande meer werkzaamheden heeft verricht of laten verrichten dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor krachtens artikel 63a Rv alleen de regels ter zake van proceskosten van toepassing zijn. De enkele door IFA overgelegde aan [gedaagde] uitgebrachte schriftelijke sommatie (productie 7 bij het verzoekschrift) valt zonder meer binnen het bereik van die wettelijke bepaling. Met inachtneming hiervan zullen vorderingen van IFA worden toegewezen als na te melden. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld door [gedaagde] die een ander oordeel kunnen dragen.
3.2 [
Gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van IFA, waaronder begrepen die van het bij partijen genoegzaam bekende ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire derdenbeslag. Tot aan deze uitspraak worden die kosten begroot op (450,-- + 211,20 + 277,50 + 199,20 + 199,20 =) Afl. 1.337,10 aan verschotten (griffiegeld en explootkosten) en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten, tarief 3).
3DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
-veroordeelt [gedaagde] om aan IFA te betalen Afl. 7.349,73, te vermeerderen met 27% aan gematigde contractuele rente gerekend vanaf 31 januari 2021 waarbij na iedere na die datum verrichte betaling die rente telkens verschuldigd is over de dan nog resterende hoofdsom tot een maximum van Afl. 1.337,10, en na het bereiken van dat maximum te vermeerderen met wettelijke rente tot de algehele voldoening;
-veroordeelt [gedaagde] voorts in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van IFA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.837,10;
-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
-wijst af het meer of anders door IFA verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier