Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2025-03-19
ECLI:NL:OGEAA:2025:168
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,932 tokens
Inleiding
Vonnis van 19 maart 2025
Behorend bij AUA202204588 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Verzoeker],
te Aruba,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock,
tegen:
1[Verweerster 1],
2. [ [Verweerster 2],
2. [ [Verweerster 3],
allen te Aruba,
verweerders, hierna ook te noemen: [verweerster 1], [verweerster 2] en [verweerster 3],
procederend in persoon,
4De publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND ARUBA,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.J.S. Poeran (DWJZ),
5Overige belanghebbenden,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
verweerders, hierna ook te noemen: de overige belanghebbenden,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 24 november 2022;
- de conclusie van antwoord van het Land, ingekomen op 10 maart 2023;
- het oproepexploot van 4 april 2023, waarin [verweerster 1], [verweerster 2], [verweerster 3], het Land en de andere belanghebbenden (de laatsten door middel van een advertentie) zijn opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting van 28 juni 2023;
- de conclusie van antwoord van [verweerster 1], ingekomen op 28 juni 2023;
- de conclusie van antwoord van [verweerster 2], ingekomen op 28 juni 2023;
- de conclusie van antwoord van [verweerster 3], ingekomen op 28 juni 2023;
- de beschikking van 28 juni 2023, waarin de wederoproeping van de overige belanghebbenden is bepaald;
- het oproepexploot van 3 juli 2023, waarin de overige belanghebbenden zijn opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting op 4 oktober 2023;
- de beschikking van 4 oktober 2023, waarin het oproepexploot van 3 juli 2023 nietig is verklaard en (opnieuw) de wederoproeping van de overige belanghebbenden is bepaald;
- het oproepexploot van 18 oktober 2023, waarin de overige belanghebbenden zijn opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting van 14 februari 2024;
- de rolzitting van 14 februari 2024, waarop de overige belanghebbenden niet zijn verschenen en tegen hen verstek is verleend;
- het bericht van de griffie aan mr. Kock van 13 en 20 maart 2024, waarin is bericht dat de zaak is verwezen naar de rolzitting van 23 april 2024 voor overlegging van een verklaring van erfrecht en stamboom van [overgrootvader van verzoeker];
- de akte van [verzoeker] van 23 april 2024.
1.2
De zaak is daarna in het ongerede geraakt, waardoor de beslissing lang op zich heeft laten wachten. Naar aanleiding van een e-mail van mr. Kock van 11 februari 2025 is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
Feiten
2.1 [
Verzoeker] bewoont en gebruikt sinds 1966 de volgende percelen in [adres]:
- een perceel eigendomsgrond groot 2.515 m2, kadastraal aangeduid als [kadastraal nummer 1];
- een perceel eigendomsgrond groot 2.435 m2, kadastraal aangeduid als [kadastraal nummer 2].
Op perceel [kadastraal nummer 1] is het woonhuis met adres [adres] gebouwd. De beide percelen worden hierna aangeduid als “de percelen”.
2.2 [
[Verzoeker] staat sinds 13 juni 1966 in het bevolkingsregister ingeschreven op het adres [adres].
3HET VERZOEK EN HET VERWEER
3.1 [
[Verzoeker] vordert dat het Gerecht de volgende beslissingen zal nemen:
Primair:
a. Voor recht te verklaren dat [verzoeker] de percelen in eigendom heeft verkregen door middel van verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:105 BW;
Subsidiair:
De percelen aan te merken als een langdurig onverdeelde gemeenschap in de zin van artikel 3:200a BW;
De percelen in eigendom toe te kennen aan [verzoeker];
Een notaris te benoemen voor de werkzaamheden inzake de overdracht van percelen aan [verzoeker];
Althans een andere beslissing te nemen die het Gerecht billijk voorkomt;
Onder compensatie van proceskosten.
3.2 [
Verweerster 1], [verweerster 2] en [verweerster 3] hebben laten weten dat zij instemmen met toewijzing van de vordering.
3.3
Het Land heeft zich op het standpunt gesteld dat het Land geen belanghebbende is in de procedure (in ieder geval voor wat betreft de primaire vordering), omdat het gaat om eigendomsgrond.
Beoordeling
4.1
Ter onderbouwing van zijn vordering voert [verzoeker] aan dat de percelen oorspronkelijk eigendom waren van zijn overgrootvader [overgrootvader van verzoeker] (hierna: [overgrootvader van verzoeker]). Volgens de informatie van het Archivo Nacional Aruba, die [verzoeker] in het geding heeft gebracht, is [overgrootvader van verzoeker] geboren op [geboortedatum] 1861 en overleden op 15 maart 1946. Hij was getrouwd met [overgrootmoeder van verzoeker] (hierna: [overgrootmoeder van verzoeker]), die is geboren op [geboortedatum] 1859 en overleden op 17 januari 1938.
4.2
Volgens diezelfde informatie hadden [overgrootvader van verzoeker] en [overgrootmoeder van verzoeker] 10 kinderen:
- [ Kind 1] (geboren op 1881 en overleden in 1961);
- [ Kind 2] (geboren in 1883 en overleden in 1971);
- [ Kind 3] (geboren in 1885 en overleden in 1965);
- [ Kind 4] (geboren in 1888 en overleden in 1979);
- [ Kind 5] (geboren in 1891 en overleden in 1967);
- [ Kind 6] (geboren in 1893 en overleden in 1956);
- [ Kind 7] (geboren in 1895 en overleden in 1980);
- [ Kind 8] (geboren in 1898 en overleden in 1987);
- [ Kind 9] (geboren in 1901 en overleden in 1921);
- [ Kind 10] (geboren in 1904 en overleden in 1977).
4.3
Volgens verdere informatie van het Archivo Nacional Aruba is [verzoeker] is een kleinzoon van [kind 5]. [Verweerster 1], [verweerster 2] en [verweerster 3] zijn zijn zussen.
4.4
Het Gerecht begrijpt de stellingname van [verzoeker] aldus, dat [verzoeker] ervan uitgaat dat [kind 5] [overgrootvader van verzoeker] dezelfde persoon is als [kind 5].
4.5 [
Verzoeker] stelt dat hij al in de jaren ’70 en ’80 heeft geprobeerd de percelen in eigendom te verkrijgen, maar dat dat toen niet is gelukt. Als bewijs van die stelling heeft [verzoeker] kwitanties in het geding gebracht van betalingen aan notaris [notaris] in verband met werkzaamheden voor “transport-akte met familie [overgrootvader van verzoeker]”.
4.6
De eerste vraag is, of de primaire vordering van [verzoeker] kan worden toegewezen. In het kader van die vordering heeft het Gerecht [verzoeker] gevraagd een stamboom en verklaring van erfrecht van [overgrootvader van verzoeker] in het geding te brengen, zodat zou kunnen worden bepaald wie de belanghebbenden zijn bij deze vordering. Anders dan namens [verzoeker] is betoogd, is dit verzoek niet in strijd met het uitgangspunt van de wettelijke bepalingen over langdurige nalatenschappen. De primaire vordering is immers niet gegrond op de artikelen 3:200a e.v. BW: een vordering wegens verkrijgende verjaring is een “gewone” civiele vordering. Voor de behandeling daarvan moeten alle belanghebbenden worden opgeroepen. Dat zijn alle afstammelingen van [overgrootvader van verzoeker] en [overgrootmoeder van verzoeker].
4.7
Uit de informatie die [verzoeker] in het geding heeft gebracht, blijkt echter genoegzaam dat Censo geen stamboom kan opstellen, en dat om die reden ook geen verklaring van erfrecht kan worden opgesteld. Het Gerecht zal het moeten doen met de informatie die wel voorhanden is. Dit betekent dat niet precies kan worden vastgesteld wie de deelgenoten zijn in de percelen, en dat moet worden volstaan met de aanduiding “overige belanghebbenden”.
4.8
De overige belanghebbenden zijn (tot tweemaal toe) door middel van een advertentie opgeroepen om in het geding te verschijnen en verweer te voeren. Zij hebben dat niet gedaan. Het Gerecht moet er dan ook vanuit gaan dat zij het eens zijn met toewijzing van de vordering. Datzelfde geldt voor [verweerster 1], [verweerster 2] en [verweerster 3]. Het Land heeft evenmin bezwaar gemaakt.
4.9
Het Gerecht is van oordeel dat [verzoeker] voldoende heeft onderbouwd dat hij de percelen al sinds 1966 (en dus bijna 60 jaar) onafgebroken in bezit heeft. De toepasselijke verjaringstermijn is dus lang en breed verstreken. Dit betekent dat het Gerecht voor recht zal verklaren dat de percelen door middel van verkrijgende verjaring eigendom zijn geworden van [verzoeker].
4.10 [
Verzoeker] heeft bij brief van 27 juni 2023 aan het Gerecht gevraagd hem in de gelegenheid te stellen een conclusie van repliek in te dienen, zodat hij zijn eis kan wijzigen. Hij wil, zo blijkt uit deze brief, zijn vordering aanvullen in die zin dat het Gerecht zal bepalen dat de zinsnede “in gebruik” in de kadastrale uittreksels van de percelen moet worden verwijderd / geschrapt en dat zal worden bepaald dat het vonnis in de openbare registers van het Kadaster moet worden ingeschreven.
4.11
Wat [verzoeker] beoogt, vloeit al voort uit de wet. [Verzoeker] kan dit vonnis immers in de daartoe bestemde registers laten inschrijven als het in kracht van gewijsde is gegaan (vgl. artikel 3:17 lid 1 onder d in samenhang met artikel 3:19 BW). Daarvoor is geen afzonderlijk rechterlijk bevel nodig. Daarmee kan [verzoeker] zelf bewerkstelligen dat hij als eigenaar van de percelen wordt geregistreerd in het kadaster en dat de aanduiding “in gebruik” komt te vervallen. [Verzoeker] heeft dan ook geen belang bij het instellen van de aanvullende vorderingen. Daarbij komt dat zo’n eisvermeerdering weer aan alle belanghebbenden zou moeten worden betekend. Om die redenen zal [verzoeker] niet in de gelegenheid worden gesteld een conclusie van repliek te nemen en/of zijn eis te vermeerderen. Zijn belang is immers voldoende gediend met toewijzing van zijn primaire vordering.
4.11 [
Verzoeker] heeft gevorderd dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. De aard van de beslissing verzet zich echter daartegen. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat [verzoeker] de beslissing kan laten inschrijven, als de appeltermijn is verstreken en geen van de belanghebbenden hoger beroep heeft ingesteld.
4.12
Gelet op de aard van de zaak, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten zal moeten dragen.
5DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
5.1
verklaart voor recht dat [verzoeker] als gevolg van verjaring eigenaar is geworden van de percelen [kadastraal nummer 1]
5.2 (
(groot 2.515 m2) en [kadastraal nummer] (groot 2.435 m2) te [adres], Aruba;
5.2
wijst het meer of anders gevorderde af;
5.3
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.