Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2025-02-13
ECLI:NL:OGEAA:2025:146
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,500 tokens
Inleiding
Parketnummer: P-2022/02995
Zaaknummer: 560 van 2023
Uitspraak van: 13 februari 2025 op tegenspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres],
hierna: de verdachte.
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 november 2024 en 23 januari 2025.
Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. A. Vroombout, en van wat de verdachte en haar raadslieden, mrs. C.J. Hart en D.G. Illes, advocaten in Aruba, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:
1.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 maart 2022 te Aruba, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
van voorwerpen, te weten
(contante) geldbedragen van totaal USD 15.474,-, waarmee goederen zijn gekocht bij [betrokkene 1], en/of
(contante) geldbedragen van totaal USD 26.605,-, waarmee goederen zijn gekocht bij [betrokkene 2], en/of
(contante) geldbedragen van totaal USD 20.700,-, waarmee goederen zijn gekocht bij [betrokkene 3], en/of
(contante) geldbedragen van totaal AWG 4.904,-, waarmee goederen zijn gekocht bij [plaats 1], en/of
een geldbedrag van totaal AWG 50.000,-, welk bedrag verdachte aan haar moeder heeft betaald/gegeven en/of waarmee verdachtes moeder (al dan niet voor verdachte) een auto (Toyota RAV4) heeft gekocht, en/of
een geldbedrag van totaal (ongeveer) AWG 55.000,-, waarmee een auto (witte Mercede Benz) is gekocht, en/of
een (contant) geldbedrag van AWG 30.000,-, waarmee een auto (Honda Odyssee) is gekocht, en/of
(contante) geldbedragen van totaal AWG 105.987,-, welke geldbedragen (contant) op verdachtes bankrekening (bij de RBC Bank Aruba) zijn gestort, en/of
(contante) geldbedragen van totaal (ongeveer) USD 78.000,-, welke geldbedragen (contant) zijn betaald voor de huur van de woning van verdachte,
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, althans heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen was, of wie die voorwerpen voorhanden had, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voormelde voorwerpen –onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf
en/of
die voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of omgezet, althans van die voorwerpen gebruikt heeft gemaakt, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormelde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
(Artikel 2:404 lid 1 ahf/onder a Wetboek van Strafrecht van Aruba
Artikel 2:406 lid 1 ahf/onder a Wetboek van Strafrecht van Aruba)
2.
zij op of omstreeks 30 maart 2022 te Aruba, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
voorwerpen, te weten
een auto (Toyota RAV Hybrid) en/of
diverse juwelen en sieraden, welke zijn genoemd in de lijst van inbeslaggenomen goederen onder IBN-codes:
PB4P303.08.01.001 en/of
PB4P303.08.04.003 en/of
PB4P303.08.04.004 en/of
PB4P303.08.04.006,
welke lijst achter deze dagvaarding is gehecht, en/of
- hoeveelheden contant geld van totaal USD 6909,25 en/of AWG 25.422,40,
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of omgezet, althans van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormelde voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
(Artikel 2:404 lid 1 ahf/onder b Wetboek van Strafrecht van Aruba
Artikel 2:406 lid 1 ahf/onder b Wetboek van Strafrecht van Aruba)
3Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en daartoe het volgende betoogd.
Volgens de officier van justitie is in deze geen sprake van een concreet gronddelict, maar wel van een stevig witwasvermoeden, gelet op de informatie uit BCI-meldingen over de betrokkenheid van de verdachte bij drugshandel en het behoren tot een criminele organisatie, en van met name contante uitgaven die gelet op de haar legaal ter beschikking staande inkomsten, niet kunnen worden verklaard. Verdachte heeft, aldus de officier van justitie, grote hoeveelheden contant geld gebruikt, welke niet op legale wijze verantwoord kunnen worden, voor het aanschaffen van luxegoederen, diverse juwelen en sieraden, auto’s, het betalen van huur, en stortingen op haar bankrekening. Verder had zij ook geldbedragen voorhanden. De verklaring van verdachte, dat zij het contante geld heeft verdiend met haar werkzaamheden als taxichauffeur, is nader onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat verdachte over de periode van 1 juli 2020 tot en met 29 maart 2022 een inkomen had van US$ 2.156,- per maand. Dat de verdachte vóór 1 juli 2020 al werkzaamheden verrichtte waarmee zij evenveel verdiende is niet aannemelijk geworden. De officier van justitie heeft betoogd, dat het sterke witwasvermoeden met de verklaring van de verdachte niet is ontzenuwd, en dat het dus niet anders kan dan dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben algehele vrijspraak bepleit van hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, en daartoe het volgende betoogd.
De informatie van het Bureau Criminele Inlichtingen (BCI), dat cliënte zou behoren tot een criminele organisatie die zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen en witwassen van drugsgeld, op grond waarvan het onderzoek is gestart, is onjuist. Verder is het beweerdelijke bewijs, namelijk de kasopstelling waaruit zou volgen dat cliënte meer heeft uitgegeven dan waarover zij beschikte, gebaseerd op onvolledige gegevens, fouten in timing, veronderstelde uitgaven, terwijl geen rekening is gehouden met contant geld, zoals fooien, die cliënte ontving, of eenmalige inkomsten of kosten, zoals de bedragen die zij van het openbaar ministerie teruggestort heeft gekregen. Er is ook geen rekening gehouden met leningen die cliënte heeft afgesloten voor de aanschaf van de auto’s noch met de omstandigheid dat cliënte al jarenlang contant geld uit haar verdiensten als hulpchauffeur heeft. Het openbaar ministerie gaat ten onrechte uit van een beginsaldo van 0 bij cliënte, terwijl dit niet de realiteit is. Aldus de raadslieden. Zij concluderen ten aanzien van feit 1 dat de telling van de goederen niet klopt, de geldbedragen door de verdachte uitgegeven voor de auto’s niet kloppen, de gestorte bedragen niet kloppen, en de betaalde huur niet klopt en derhalve niet bewezen kan worden dat de bedragen die wel door de cliënte zijn uitgegeven onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Beoordeling
4.3.1.
Bewijsoverwegingen
De verdachte wordt -kort gezegd- ervan beschuldigd dat zij (1) contante geldbedragen heeft gebruikt voor de aanschaf van luxegoederen (bij [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [plaats 1]) en auto’s en (2) goederen, waaronder juwelen en sieraden, een auto en geldbedragen voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat deze geldbedragen en goederen uit misdrijf afkomstig waren.
Voor een bewezenverklaring van witwassen is onder andere vereist dat komt vast te staan dat de desbetreffende geldbedragen en goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Bij de beoordeling hiervan neemt het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
Aanleiding onderzoek
Volgens informatie verkregen door het Bureau Criminele Inlichtingen (BCI) in 2019, behoren de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], bijgenaamd [medeverdachte], tot een criminele organisatie in Aruba, die zich bezighoudt met -kort gezegd- de handel in verdovende middelen en het witwassen van drugsgelden. De verdachte rijdt rond in een witte Mercedes Benz en is eigenaar van een rode motorfiets van het merk Ducati.
In januari 2021 werd verdachte op de luchthaven van Aruba aangehouden, nadat bij de medeverdachte [medeverdachte] een contant bedrag ad US$ 24.255,- werd aangetroffen, waarvan de herkomst niet kon worden aangetoond. Verdachte is in vrijheid gesteld nadat de medeverdachte verklaarde eigenaar te zijn van het geld.
De verdachte staat met ingang van 1 januari 2020 bij de belastingdienst (Departamento di Impuesto) beschreven voor de heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekering en vanaf 19 februari 2020 voor de belasting op bedrijfsomzetten. Op naam van verdachte staat een witte Toyota Fortuner (kenteken [autokenteken 1]) geregistreerd. Zij is vanaf 19 februari 2020 vergunninghouder van [autokenteken 1] (map 2, pag. 351).
Doorzoeking verblijfplaats verdachte
Op 30 maart 2022 zijn bij de doorzoeking in de woning van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] te [plaats 1], diverse gouden en zilveren sieraden, dure horloges, en contante geldbedragen (totaal: US$ 6.909,25 en Afl. 25.422,40) aangetroffen en in beslag genomen. Tevens is onder de verdachte een witte Toyota Fortuner, met kenteken [autokenteken 1], in beslag genomen (map 3, pag. 991 -998). Deze auto is op 19 mei 2022 aan de moeder van de verdachte, mevrouw [moeder van verdachte], teruggegeven (map 3, pag. 1025). Onder de moeder van de verdachte is een grijskleurige Toyota Rav 4 Hybrid, met kenteken [autokenteken 2], in beslag genomen.
Verklaringen verdachte
De verdachte heeft bij de politie verklaard, dat zij jarenlang als hulptaxichauffeur heeft gewerkt, dat zij zes dagen per week werkt, en dat zij vanaf 2020 een eigen taxivergunning heeft. Verder heeft zij verklaard dat zij maandelijks tussen 3000 en 5000 dollar verdient, exclusief tips, dat zij contant krijgt betaald maar ook een POS-apparaat in de taxi heeft, waarmee het geld direct op haar bankrekening wordt gestort, dat zij Afl. 30.000,- aan spaargeld op haar bankrekening heeft, en dat zij daarnaast commissie ontvangt van autoverhuurbedrijven en restaurants wanneer zij toeristen naar hen stuurt. Verder heeft zij verklaard dat zij vanaf 2020 belastingplichtig is en sindsdien maandelijks een bbo-aangifte doet en jaarlijks de aangifte inkomstenbelasting.
Ter zitting heeft verdachte verklaard, dat zij vanaf 2016 als hulptaxichauffeur een inkomen had van tussen US$ 150 en US$ 200 per dag, exclusief tips. Aan tips ontving zij gemiddeld US$ 50 per dag. Zij betaalde de taxivergunninghouder tussen US$ 80 en US$ 100 per dag. Van deze inkomsten heeft zij geen aangifte van inkomstenbelasting gedaan.
Gronddelict
Ingevolge artikel 68, eerste lid aanhef en onder sub b van de Algemene Landsverordening Belastingen, is -voor zover hier van belang- strafbaar degene die niet voldoet aan zijn verplichting om binnen de gestelde termijn een aangifte inkomstenbelasting aan te vragen.
Verdachte was vanaf 2016 verplicht om jaarlijks aangifte te doen van de inkomsten die zij genereerde als hulptaxichauffeur.
Met haar verklaring, dat zij vanaf 2016 tot 1 januari 2020 geen belastingaangiftes heeft gedaan, heeft verdachte bekend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan -kort gezegd- belastingontduiking, als hierboven bedoeld. Nu zij van haar, door de belastingontduiking verkregen, vermogen, gebruik heeft gemaakt door contante bedragen die zij aan inkomstenbelasting verschuldigd was, mede te gebruiken om luxegoederen en auto’s aan te schaffen, heeft zij zich schuldig gemaakt aan witwassen van dat vermogen.
Geen opzetwitwassen ex art. 2:404 Sr
Het Gerecht is van oordeel dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat van opzet, zowel in de zin van zuiver opzet als in de zin van voorwaardelijk opzet, op het verkrijgen, verbergen en verhullen van geld met een criminele herkomst. Het Gerecht zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde opzetwitwassen.
Hoogte van witgewassen bedrag (“enig bedrag”) en specificering voorwerpen
Het Gerecht heeft op grond van het dossier niet kunnen vaststellen wat de omvang is van het door de belastingontduiking verkregen vermogen, noch welke voorwerpen de verdachte met het ‘illegale’ geld heeft verworven. Wat betreft de inbeslaggenomen juwelen en sieraden overweegt het Gerecht, dat uit de door de verdediging overgelegde stukken volgt, dat nagenoeg al deze voorwerpen reeds eerder, in 2015, onder de verdachte in beslag waren genomen waarna ze zijn teruggegeven, zodat niet kan worden gesteld dat verdachte deze voorwerpen uit haar, door de belastingontduiking vanaf 2017 verkregen, vermogen heeft verworven. Hetzelfde geldt voor de Toyota Rav 4. Dit betekent dat de verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Geen medeplegen
Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen haar uit de belastingontduiking verkregen vermogen heeft gebruikt, zodat zij dient te worden vrijgesproken van het medeplegen.
4.3.2.
Bewezenverklaarde
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 te Aruba, meermalen,
voorwerpen, te weten (contante) geldbedragen heeft omgezet, althans van die voorwerpen gebruikt heeft gemaakt, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat voormelde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.
5Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis.
Beoordeling
Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De thans 46-jarige verdachte heeft gedurende de jaren 2017 tot en met 2019 geen belastingaangiftes gedaan van haar inkomen als hulptaxichauffeur. Volgens haar eigen verklaring heeft zij uit deze werkzaamheden forse inkomsten gegenereerd. Zij heeft zich vervolgens schuldig gemaakt aan het witwassen van haar, door de belastingontduiking verkregen, vermogen, door contante bedragen die zij aan inkomstenbelasting verschuldigd was, mede te gebruiken om onder andere auto’s en luxegoederen aan te schaffen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten en het Gerecht neemt haar dit kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte is, zo blijkt uit het haar aangaande uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 10 juni 2024, niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf.
Verder heeft het Gerecht ook acht geslagen op de krantenartikelen waarin verdachte bij naam wordt genoemd in verband met strafbare feiten.
Oplegging van straf
Nu het Gerecht tot een andere (lichtere) bewezenverklaring komt dan de officier van justitie voor ogen had, ligt de oplegging van de door hem gevorderde strafeis niet in de rede. Verder is het Gerecht van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en andere omstandigheden in dit geval aanleiding geven een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
* oriëntatiepunten
Het Gerecht zal in dat verband aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin staat op opzetwitwassen, met een benadelingsbedrag tussen Afl. 20.000 en Afl. 140.000,-, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2-5 maanden dan wel een taakstraf van 120-240 uur met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Bij schuldwitwassen worden de oriëntatiepunten gehalveerd.
* overschrijding van de redelijke termijn
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een (1) maand en een taakstraf van 180 uur passend en geboden is.
Het Gerecht stelt echter vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Die redelijke termijn heeft immers een aanvang genomen op 30 maart 2022, toen de verdachte werd aangehouden en haar woning werd doorzocht. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is eerst op heden, 13 februari 2025, – en aldus niet binnen twee jaar – met een eindvonnis afgerond. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het Gerecht is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot strafvermindering moet leiden, in die zin dat de op te leggen werkstraf met 60 uur dient te worden verlaagd.
Conclusie
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een voorwaardelijke gevangenisstraf en een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf van na te noemen duur in deze passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
9Het beslag
Aan de orde zijn dan de navolgende onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven sieraden, geldbedragen en Toyota Rav 4.
9.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat voornoemde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard. Zijn vordering behelst tevens een machtiging (bij aparte beschikking) tot vervreemding van de Toyota Rav 4.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben de teruggave verzocht van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen onder de navolgende beslagcodes, zoals opgesomd op de aan dit vonnis als bijlage gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen:
PB4P303.01.01.002;
PB4P303.08.01.001 (met uitzondering van 1 gouden hanger met Jezus aan het kruis en witte stenen);
PB4P303.08.01.002;
PB4P303.08.01.003;
PB4P303.08.01.004;
PB4P303.08.03.002;
PB4P303.08.04.002 (met uitzondering van een beige portemonnee [betrokkene 2] en diverse pinpas en visitekaartjes);
PB4P303.08.04.004.
9.3
Beoordeling
* Ten aanzien van de Toyota Rav 4
Het Gerecht heeft niet kunnen vaststellen in hoeverre deze auto met “illegaal” geld is gekocht, zodat deze auto niet verbeurd kan worden verklaard. Het Gerecht zal de teruggave van deze auto aan de verdachte gelasten, nu deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring en geen strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave ervan aan de verdachte.
Dit betekent dat de vordering tot het verlenen van een machtiging tot vervreemding van deze auto niet voor inwilliging vatbaar is en dient te worden afgewezen.
* Ten aanzien van de geldbedragen
De onder verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen dienen te worden teruggegeven, nu van deze geldbedragen niet is gebleken dat zij uit enig misdrijf (belastingontduiking) afkomstig zijn. De verdachte heeft verklaard, dat deze geldbedragen haar contante inkomsten uit haar werkzaamheden als taxichauffeur over een bepaalde periode betreffen. Dat zij over deze inkomsten geen belastingaangifte bbo of inkomstenbelasting heeft gedaan of zal doen, is niet gebleken. Deze geldbedragen dienen dan ook aan haar te worden teruggegeven.
* Ten aanzien van de sieraden en overige inbeslaggenomen voorwerpen
Zoals hierboven reeds overwogen, kan ten aanzien van de onder verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven sieraden, juwelen en andere voorwerpen genoemd op de lijst van inbeslaggenomen goederen, niet worden vastgesteld dat zij geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen van geldbedragen zijn verkregen. Deze voorwerpen behoren toe aan de verdachte. Het Gerecht zal de teruggave daarvan aan de verdachte gelasten, nu de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer en geen strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave ervan aan de verdachte.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:11, 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 1:62 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
Dictum
Het Gerecht:
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
ten aanzien van de bewezenverklaring:
- verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
- kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de een (1) maand;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee (2) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis;
- beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.
- gelast de teruggave van de in rubriek 9.3 genoemde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan de verdachte;
- wijst af de vordering tot het verlenen van een machtiging tot vervreemding van voornoemde Toyota Rav 4 Hybrid.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.K. Engelbrecht, rechter, bijgestaan door mw. M.E. Kelly, (zittingsgriffier), en op 13 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.